<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-13T10:05:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/6171</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7799">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-13T10:04:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7799 Rechtbank Midden-Nederland , 08-12-2025 / UTR 25/6171</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7799:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT UHT bezwaar cws gegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7799:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/6171</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [plaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Sala),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 22 oktober 2024 tegen de beslissing van verweerder van over aanvullende compensatie. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Op 31 oktober 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht.<footnote-ref linkend="_635c7a5e-47af-43a8-b5da-229318ca9563" /> Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen <?linebreak?></title>
    <para>1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_fe5d2133-ca4c-48b6-9fad-3dc7f34b1630" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_ff297f83-efa1-4a05-b42b-0aa0dbf59966" /><?linebreak?></para>
    <para>2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 20 mei 2025 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 27 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. <?linebreak?></para>
    <para>3. Het beroep is gegrond.<?linebreak?><emphasis role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</emphasis><?linebreak?></para>
    <para>4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_20dc8f7a-055b-4349-b8bb-b1cc3e4f7eeb" /> In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_477cc260-eb77-4289-be7e-7af4a712db28" /><?linebreak?></para>
    <para>5. In haar uitspraak van 25 juli 2025<footnote-ref linkend="_7d6e4c04-6cae-419a-a0f9-24ad3c1b63c7" /> heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 72 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak. <?linebreak?></para>
    <para>6. In dit geval betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 8 oktober 2024 de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding genomen. Het bezwaarschrift van eiser tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 23 oktober 2024. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 20 november 2024 en verliep op 25 maart 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 11 augustus 2026. <?linebreak?></para>
    <para>7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025<footnote-ref linkend="_defe5283-644f-48df-84d1-ad5d0408ecbb" /> over beroepen niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.<?linebreak?></para>
    <para>9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.<?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk 11 augustus 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken; <?linebreak?>- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;<?linebreak?>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. B.J. van Rossum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op <?linebreak?>8 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_635c7a5e-47af-43a8-b5da-229318ca9563" label="1">
    <para> Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe5d2133-ca4c-48b6-9fad-3dc7f34b1630" label="2">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff297f83-efa1-4a05-b42b-0aa0dbf59966" label="3">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20dc8f7a-055b-4349-b8bb-b1cc3e4f7eeb" label="4">
    <para> Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_477cc260-eb77-4289-be7e-7af4a712db28" label="5">
    <para> Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d6e4c04-6cae-419a-a0f9-24ad3c1b63c7" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2025:3855.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_defe5283-644f-48df-84d1-ad5d0408ecbb" label="7">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1301.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>