<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7761</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-13T11:57:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/2031</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7761">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7761</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-13T11:57:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7761 Rechtbank Midden-Nederland , 20-10-2025 / 24/2031</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7761:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7761:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 24/2031 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: R.J. Oskam en C. van den Engel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 20 maart 2023 het Nationaal Archief verzocht om openbaarmaking van informatie met betrekking tot de archieven van de voormalige Centrale Veiligheidsdienst (CVD) en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Specifiek heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle informatie (met uitzondering van de inventarisatielijst) die betrekking heeft op de overdracht van de archieven van de persoonsdossiers van de CVD en de BVD over de jaren 1945-1999 (toegang 2.04.125). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juli 2023 (het primaire besluit) gedeeltelijk toegewezen. Er zijn 196 documenten aangetroffen waarvan een deel openbaar gemaakt is of reeds openbaar is. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij het besluit van 7 februari 2024 (de beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en alsnog een aantal referentie-, dossier- en kenmerknummers verstrekt voor zover er geen expliciete weigeringsgrond in de zin van de Woo aan ten grondslag ligt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De rechtbank beoordeelt of de minister op de juiste wijze op het Woo-verzoek van eiser heeft besloten. Op de zitting heeft eiser de beroepsgrond over de verletkosten van de hoorzitting in de bezwaarfase ingetrokken. Daarom zal de rechtbank alleen de overgebleven gronden bespreken.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de zoekslag onvoldoende inzichtelijk is en dat de minister een aantal weigeringsgronden niet (zonder nadere motivering) mag tegenwerpen. Andere weigeringsgronden zijn wel terecht aan het besluit ten grondslag gelegd en ook met de zienswijzen van derden is de minister correct omgegaan. Dat betekent dat eiser deels gelijk krijgt. Het beroep is om die reden gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Procesbelang </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De minister voert aan dat het beroep (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat eiser geen procesbelang heeft bij openbaarmaking van bepaalde informatie, zoals nummers. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is. Eiser heeft een Woo-verzoek ingediend en is het oneens met het besluit dat daarop is genomen. Dat kan eiser bij de rechtbank aan de orde stellen. Bij de Woo hoeft er bovendien geen belang te worden gesteld. Er is dan ook geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Zoekslag onduidelijk, meer documenten aanwezig</title>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat de minister de zoekslag niet inzichtelijk heeft gemaakt. Ook moeten er meer stukken berusten bij de minister onder meer omdat het oudste document (document 1) van januari 2011 is en document 2 ziet op een aanmelding uit januari 2011 om de feitelijke overbrenging van het archief in gang te zetten. Die daadwerkelijke aanmelding ontbreekt waardoor niet aannemelijk is dat daarmee de overdracht van een archief wordt opgestart. Bovendien moet de overdracht van het archief voor 2011 al besproken zijn. Van dat hele voortraject ontbreekt alle informatie. Eiser noemt verder als voorbeelden van ontbrekende informatie: een convenant uit eind 2006 tussen het Nationaal Archief en de CAS over het bewerken van de persoonsdossiers, een advies van de RAD, een archiefbewakingsplan en een bestand met persoonsdossiers. Naar voornoemde stukken wordt in de verstrekte documenten verwezen. </para>
    <para />
    <para>5. De minister stelt zich op het standpunt dat er niet meer documenten zijn. Er is serieus gezocht, zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase. Dat er niet meer documenten zijn gevonden kan volgens de minister komen doordat mailberichten doorgaans na tien jaar verwijderd worden. Op de zitting heeft de minister daaraan toegevoegd dat er is gezocht via het zogeheten documentmanagement-systeem Proza, waarin alle documenten zouden moeten zitten, die niet zijn vernietigd. Ook is in persoonlijke mailboxen van werknemers gezocht. Het is daarnaast standaard bij het Nationaal Archief dat in papieren dossiers wordt gezocht. Bij die zoektocht zijn in ieder geval de voor de hand liggende zoektermen gebruikt, zoals CVD en BVD.</para>
    <para>6. De rechtbank stelt voorop dat het vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_919f079d-de06-4c31-9004-85f03e92fae7" /> is dat het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. De vraag of het geloofwaardig is dat er niet meer documenten aanwezig zijn bij het bestuursorgaan hangt samen met de manier waarop het onderzoek is verricht. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende inzichtelijk is hoe de minister heeft gezocht. De minister heeft weliswaar tijdens de zitting toegelicht in welke digitale systemen er is gezocht, maar onduidelijk is gebleven met welke zoektermen dat is gedaan. Daarnaast is het de rechtbank niet geheel duidelijk of er in deze kwestie ook in papieren dossiers is gezocht en hoe dat is gebeurd. Op de zitting is enkel gezegd dat dit standaard zou moeten gebeuren, maar onvoldoende concreet is gebleken dat dit ook bij de behandeling van dit Woo-verzoek is gedaan. De rechtbank ziet in dat het Woo-verzoek van eiser omvangrijk is en dat de minister veel documenten (deels) openbaar heeft gemaakt, ook nog extra in de bezwaarfase. De rechtbank moet echter meer inzicht hebben in de zoekslag die is gemaakt, voordat zij tot de conclusie kan komen dat de stelling van de minister, dat er niet meer documenten onder hem berusten die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen, geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De weigeringsgronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Weigering op grond van artikel 2.57 van de Aanbestedingswet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Eiser voert aan dat de minister de documenten 88, 89, 92 en 93 openbaar moet maken. Volgens eiser gaat het in de documenten 88, 89 en 93 om emailberichten van en aan het Nationaal Archief. Eiser betwist dat deze documenten conceptversies zijn van document 92. Ook betwist eiser dat document 92 vertrouwelijk aan de minister is medegedeeld omdat de offerte informatie van de overheid zelf bevat. Deze informatie kan niet vertrouwelijk aan de overheid zelf worden medegedeeld en valt om die reden buiten de reikwijdte van artikel 2.57 van de Aanbestedingswet 2012 (Aanbestedingswet). Daarnaast kan deze informatie niet worden gebruikt om de mededinging te vervalsen nu het gaat om informatie die bijna vijf jaar oud is en een opdrachttraject dat inmiddels afgesloten en vergund is. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank stelt voorop dat de Woo van toepassing is, tenzij er een bijzonder openbaarmakingsregime van toepassing is. Dit is geregeld in artikel 8.8 van de Woo. In de bijlage bij dit artikel staan de bijzondere openbaarmakingsregelingen vermeld. Informatie die onder deze openbaar-makingsregimes valt, kan dus niet actief of passief openbaar worden gemaakt op grond van de Woo. Voor zover hier van belang staat in deze bijlage het volgende: </para>
    <para>Aanbestedingswet: de artikelen (…) 2.57, eerste lid, voor zover het door de ondernemer als vertrouwelijk aangemerkte informatie betreft, 2.57, tweede lid, voor zover de informatie kan worden gebruikt om de mededinging te vervalsen, (…).</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat artikel 2.57 van de Aanbestedingswet van toepassing is op de documenten in kwestie. Document 92 is een nadere overeenkomst die gesloten is met de leverancier van software. Documenten 88, 89 en 93 zijn geen emailberichten maar conceptversies van document 92. De inhoud van de documenten is vertrouwelijk verstrekt en is verstrekt in het kader van een aanbestedingsprocedure. De (concept)documenten zien op het sluiten van een overeenkomst tussen de overheid en een leverancier van bepaalde software en openbaarmaking daarvan kan de mededinging vervalsen. Daarnaast verschillen de conceptversies in document 88, 89 en 93 nauwelijks van de definitieve versie in document 92. Gelet op het voorgaande is de openbaarmaking van deze documenten terecht geweigerd op grond van artikel 2.57 van de Aanbestedingswet. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Weigering i.v.m. bedrijfs- en fabricagegegevens (artikel 5.1, eerste lid, sub c, van de Woo)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>9. Eiser voert aan dat de minister document 84 openbaar moet maken. Volgens eiser zijn gegevens waaruit informatie kan worden afgeleid die specifiek is voor de werking van een systeem, geen gegevens die betrekking hebben op de technische bedrijfsvoering of het productieproces van een betrokken bedrijf. Informatie over de werking van een computersysteem staat in de handleiding van een dergelijk systeem. Handleidingen zijn geen bedrijfs- en fabricagegegevens en worden bij levering van een dergelijk systeem aan eenieder verstrekt. </para>
      <para />
      <para>10. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Die bepaling moet beperkt worden uitgelegd. Het gaat slechts om bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van deze bepaling indien en voor zover uit die gegevens wetenschap kan worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat document 84 geheel bestaat uit coderingen. De rechtbank volgt de minister in zijn stelling dat het gaat om importgegevens van technische aard waaruit informatie kan worden afgelezen die specifiek is voor de werking van het gebruikte systeem. De coderingen zijn vertrouwelijk aan de minister meegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de openbaarmaking van document 84 om die reden terecht geweigerd. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Weigering i.v.m. goed functioneren van de Staat (artikel 5.1, tweede lid, sub i, van de Woo)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>11. Eiser voert aan dat de minister een aantal documenten niet op grond van artikel 5.1, tweede lid, sub i, van de Woo had mogen weigeren openbaar te maken. Op grond van die bepaling mag openbaarmaking alleen achterwege blijven als het belang van openbaarheid niet opweegt tegen het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Dat doet zich hier volgens eiser niet voor en dat licht hij toe aan de hand van de documenten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Document 19</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>12. Eiser betwist dat het in document 19 gaat om informatie die ziet op geheim te houden werkwijzen van de veiligheidsdienst. Volgens eiser is het enkele inzicht in het functioneren van een dienst, welke dienst dan ook, geen grond voor weigering.  </para>
      <para />
      <para>13. De rechtbank stelt na kennisneming van document 19 vast dat het in de twee gelakte passages gaat om informatie van de veiligheidsdienst en dat de minister openbaarmaking van dit document terecht heeft geweigerd wegens het goed functioneren van de Staat. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Documenten 71, 74, 78, 126 en 178</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>14. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de laatste nummers uit de koppelingen naar het documentenmanagement-systeem Proza heeft gelakt. Volgens eiser miskent de minister het belang dat de Woo veronderstelt en de reikwijdte van de Woo. Bij de toepassing van de Woo wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. Eiser verwijst hierbij naar artikel 2.5 van de Woo. Dat algemene belang van openbaarheid is zwaarwegend. Het is volgens eiser niet aan de minister om te beoordelen of de gevraagde informatie inhoudelijke informatie bevat of relevant is, omdat de minister geen kennis heeft van alle relevante factoren.</para>
      <para />
      <para>15. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo wordt van openbaarmaking afgezien als het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen zwaarder weegt dan het belang van de openbaarheid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>15.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van de laatste nummers uit de koppelingen het goed functioneren van de Staat in het geding brengt. Het gaat om een interne koppeling naar een intern systeem. De minister heeft de link grotendeels openbaar gemaakt behalve de laatste nummers. De rechtbank begrijpt dat met de openbaarmaking van de laatste nummers een link ontstaat, maar daarmee wordt de link nog geen voor eenieder toegankelijke link. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom openbaarmaking van een interne link het goed functioneren van de Staat in de weg staat. De beroepsgrond slaagt dus. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Documenten 120 t/m 122</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>16. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom openbaarmaking van de documenten 120 t/m 122 mogelijk kwaadwillend gebruik van systemen in de hand werkt en wat het gevaar daarvan is. </para>
      <para />
      <para>17. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de documenten 120 t/m 122 gelakt mochten worden op grond van het goed functioneren van de Staat. Deze weigeringsgrond beoogt te voorkomen dat informatie openbaar moet worden gemaakt die het goed functioneren van de overheid in het gedrang kan brengen. Gelet op de wetsgeschiedenis is deze weigeringsgrond bedoeld voor onder andere crisisachtige aangelegenheden waarbij informatie wellicht op een later tijdstip, maar niet ten tijde van het Woo-verzoek openbaar kan worden gemaakt. Ook kan daar sprake van zijn als openbaarmaking ervoor zorgt dat betrokken burgers of medewerkers van een organisatie zich in de toekomst minder vrij voelen om hun gedachten uit te wisselen of om informatie/input te vragen.<footnote-ref linkend="_451aa359-9847-4295-845a-4121301d120f" /> De rechtbank ziet niet in waarom daar in dit geval sprake van is. De beroepsgrond van eiser slaagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Weigering op grond van eerbiediging van persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, tweede lid, sub e, van de Woo)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>18. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte weigert om namen van tekenbevoegde ambtenaren en functienamen openbaar te maken. Op de zitting is duidelijk geworden dat het eiser hierbij voornamelijk gaat om de openbaarmaking van document 73. Ook heeft eiser aangegeven dat het hem niet gaat om persoonsnamen van ambtenaren.  </para>
      <para />
      <para>19. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo wordt informatie niet openbaar gemaakt als de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich daartegen verzet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in document 73 persoonsnamen zijn gelakt. Dit zijn persoonsnamen van ambtenaren die niet in het kader van hun functie in de openbaarheid treden. Die namen zijn terecht geweigerd openbaar te maken in verband met eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.2.</nr>
      <para>Er zijn ook functienamen in document 73 gelakt. Functienamen kunnen worden gelakt als die herleidbaar zijn tot een persoon. Daarbij is vervolgens wel van belang of die personen vanwege hun functie in de openbaarheid treden. Op de zitting heeft de minister gezegd dat er onder de lakkingen ‘DG’ en ‘de Rijksarchivaris’ staat. Zowel de DG als de Rijksarchivaris treden vanwege hun functie in de openbaarheid. Om die reden komt hen geen bescherming toe op grond van de persoonlijke levenssfeer. Bescherming van hun persoonsgegevens weegt namelijk minder zwaar dan het belang van eiser om daarvan kennis te nemen. De beroepsgrond slaagt dus. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.3.</nr>
      <para>Voor zover eiser het voorgaande ook heeft bedoeld aan te voeren voor document 92, wijst de rechtbank erop dat dit document in zijn geheel terecht is geweigerd openbaar te maken op grond van de Aanbestedingswet. Ten aanzien van document 104 stelt de rechtbank vast dat hierin geen functienaam is gelakt. Verder heeft eiser geen andere concrete documenten genoemd waarin functienamen gelakt zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Weigering i.v.m. persoonlijke beleidsopvattingen (artikel 5.2, eerste lid, van de Woo) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>20. Eiser voert aan dat de minister conceptversies (bijvoorbeeld document 18 en 26) ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt vanwege persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. De bedoeling van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo is volgens eiser gewijzigd met de komst van de Woo en heeft niet tot doel bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen. Het gaat om het beschermen van degene die deze opvatting heeft geuit. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze weigeringsgrond van toepassing is. Ook heeft de minister niet overwogen om de informatie te verstrekken in een niet tot personen herleidbare vorm. Daarnaast heeft de minister nagelaten te motiveren waarom de informatie die ouder dan vijf jaar is, alsnog is geweigerd op deze grond. </para>
      <para />
      <para>21. Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo bepaalt dat in het geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan: ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. Het tweede lid bepaalt dat het bestuursorgaan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie kan verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. Artikel 5.3 van de Woo bepaalt dat het bestuursorgaan bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert bij een weigering van die informatie waarom de in (onder meer) artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen kan worden geweigerd op grond van artikel 5.2 van de Woo. Bescherming van de opsteller daarvan wordt juist beschermd door de opvatting niet openbaar te maken. Dat neemt niet weg dat de minister daarbij moet overwegen of de beleidsopvatting integraal moet worden geweigerd of dat delen daarvan in een niet herleidbare vorm kunnen worden verstrekt. Bovendien moet de minister bij documenten van ouder dan vijf jaar motiveren waarom ondanks tijdsverloop het nog steeds van belang is dat openbaarmaking wordt geweigerd. De minister heeft dit onvoldoende gedaan in het bestreden besluit. Ook op de zitting heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de beleidsopvattingen niet (gedeeltelijk) in niet herleidbare vorm zouden kunnen worden geopenbaard en hoe is gekeken naar de beleidsopvattingen die ouder dan vijf jaar zijn. Een verwijzing naar de rijksbrede instructie volstaat niet, omdat dit niets zegt over de beleidsopvattingen in kwestie. De enkele omstandigheid dat het om beleidsopvattingen gaat, is eveneens onvoldoende. Juist ook bij weigering tot openbaarmaking van beleidsopvattingen moet worden gemotiveerd waarom het belang van bescherming nog altijd zwaarder weegt dan het belang van de openbaarheid. Deze beroepsgrond slaagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Zienswijzen</title>
    <para />
    <para>22. Eiser voert tot slot aan dat hij de zienswijzen van derden niet ontvangen heeft en daardoor in zijn rechtspositie is geschaad. Ook voert eiser aan dat hij de zienswijzen in zijn geheel, en dus zonder lakkingen, wilt ontvangen.  </para>
    <para />
    <para>23. De rechtbank is niet gebleken is dat eiser de zienswijzen niet heeft ontvangen. Vaststaat dat eiser de zienswijzen in ieder geval tijdens de beroepsfase heeft ontvangen. Ten aanzien van de lakkingen in de zienswijzen overweegt de rechtbank als volgt. Op 6 augustus 2025 heeft de geheimhoudingskamer geoordeeld dat de beperkte kennisneming van de gelakte passages in de zienswijzen gerechtvaardigd is. Eiser heeft dit niet weersproken. Ook de rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de gelakte passage alsnog openbaar moeten worden gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser op bepaalde punten gelijk krijgt en de minister op andere punten. Omdat eiser op punten gelijk krijgt, is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank de beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De reden daarvoor is dat de minister zelf eerst aan zet is om opnieuw naar het Woo-verzoek te kijken. Daartoe moet de minister een nieuwe beslissing op bezwaar nemen binnen zes weken, waarbij de minister deze uitspraak in acht moet nemen. Dat betekent concreet dat de minister in de eerste plaats de zoekslag inzichtelijk moet maken. Daarvoor is nodig dat duidelijk is hoe is gezocht: in welke (digitale en/of fysieke) systemen en met welke zoektermen. Daarnaast moet de minister opnieuw kijken naar de informatie in documenten 71, 74, 78, 120-122, 126 en 178 die hij op grond van artikel 5.1, tweede lid, sub i, van de Woo (goed functioneren Staat) heeft geweigerd openbaar te maken. Datzelfde geldt voor de weigering om de functienamen in document 73 openbaar te maken op grond van artikel 5.1, tweede lid, sub e, van de Woo (persoonlijke levenssfeer). Verder moet de minister opnieuw kijken naar de informatie die persoonlijke beleidsopvattingen bevat en om die reden is geweigerd. De minister moet in dat verband bezien of het belang bij weigering van openbaarmaking van beleidsopvattingen die ouder dan vijf jaar zijn ondanks het tijdsverloop zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarmaking. Daarnaast moet de minister beoordelen of de informatie al dan niet in niet tot personen herleidbare vorm kan worden verstrekt. Voor de weigering van informatie op andere gronden, kan de minister verwijzen naar het oordeel in deze uitspraak. Dat geldt ook voor de zienswijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>24.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser vordert daarnaast een vergoeding wegens verletkosten van € 95,- per uur in verband met de reistijd en het bijwonen van de zitting. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de door eiser gevorderde verletkosten vergoed overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 9,- en € 106,- per uur bedraagt. In de toelichting op het formulier proceskosten is uitdrukkelijk aangegeven dat de voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten dienen te worden onderbouwd met bewijsstukken. Eiser heeft nagelaten dit te doen. Volgens vaste rechtspraak dient in die situatie een vergoeding volgens het minimumtarief te worden toegekend.<footnote-ref linkend="_80473390-4894-4cbc-b823-cd86b2486be1" /> De rechtbank stelt gelet daarop de vergoeding voor verletkosten vast op € 16,50 (110 minuten (reistijd en zitting) x € 9,-).</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de beslissing op bezwaar van 7 februari 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de verletkosten van eiser tot een bedrag van € 16,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_919f079d-de06-4c31-9004-85f03e92fae7" label="1">
    <para> Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_451aa359-9847-4295-845a-4121301d120f" label="2">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2018/19, 35 112, nr. 3, pag. 22-23.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_80473390-4894-4cbc-b823-cd86b2486be1" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511, rechtsoverweging 2.6.1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>