<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7746</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-20T09:28:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/3127</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7746">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7746</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-20T09:28:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7746 Rechtbank Midden-Nederland , 26-11-2025 / UTR 25/3127</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7746:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Parkeerverordening. Bewonersparkeervergunning afgewezen omdat eiser kan parkeren op eigen terrein. Verweerder heeft op de zitting het gebrek in de grondslag hersteld. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die maakt dat verweerder een uitzondering had moeten maken op de beleidsregel. Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7746:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/3127 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [plaats] , eiser, </title>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Rachid),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum</emphasis>, het college, </para>
      <para>(gemachtigde: B. Kurnaz).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juli 2024 afgewezen, omdat eiser geen recht heeft op een parkeervergunning. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college een heroverweging gemaakt.<footnote-ref linkend="_e77cca25-48b3-4480-8eb3-14e7b22f662c" /> Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser kan parkeren op eigen terrein (POET). </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten en omstandigheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser woont aan de [adres 1] in [plaats] . Eiser huurt van de woningbouwvereniging een parkeerplaats in een ondergrondse parkeergarage aan de [adres 2] . Hij huurt deze parkeerplaats voor € 80,- per maand, dus voor € 960,- per jaar. Eiser heeft daarom een aanvraag voor een bewonersparkeervergunning ingediend, die maar € 40,- per jaar is.  </para>
    <para />
    <para>3. In de Parkeerverordening Hilversum 2025 (hierna: de Parkeerverordening) staat aan wie een vergunning kan worden verleend. Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiser een vergunning kan worden verleend omdat hij woont in een parkeervergunningengebied.<footnote-ref linkend="_d1dd0c27-fa27-4869-b391-8517b534182a" /> In de Parkeerverordening is ook geregeld dat het college regels kan stellen voor onder meer het verlenen van parkeervergunningen.<footnote-ref linkend="_3d5a21f0-9b42-4510-9458-017f1ef5a1e7" /> Dat heeft het college gedaan met de 1e Wijziging Nadere Regels Parkeervergunningen 2025 Hilversum (hierna: de nadere regels). Dit zijn beleidsregels. Uit de nadere regels volgt dat iemand geen recht heeft op een parkeervergunning als diegene kan parkeren op eigen terrein.<footnote-ref linkend="_037f8cb2-e583-417b-9b4d-f099196e34ac" /></para>
    <para />
    <para>4. In artikel 1, onder n van de Parkeerverordening staat wat moet worden verstaan onder een POET. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 1, onder n, sub 2, van de Parkeerverordening: een parkeerplaats waarop de aanvrager aanspraak kan maken (al dan niet via een wachtlijst) in een garage of op een perceel, omdat deze volgens een raadsbesluit, een bouwvergunning, een omgevingsvergunning, een erfpachts- of splitsingsakte of een huur- of koopovereenkomst, voor de woning van de aanvrager bestemd is. Het college vindt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de afwijzing in het geval van eiser onevenredig is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Parkeren op eigen terrein</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat de parkeergarage waar hij parkeert niet is aan te merken als parkeren op eigen terrein. De parkeerplaats die hij huurt valt niet onder artikel 1, onder n, sub 2, van de Parkeerverordening. In zijn huurovereenkomst staat expliciet dat de parkeerplaats niet bij zijn woning hoort. Ook als hij zou verhuizen, wordt de huurovereenkomst niet ontbonden. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is het met eiser eens dat geen sprake is van een POET zoals bedoeld in artikel 1, onder n, sub 2, van de Parkeerverordening. Niet is gebleken dat de parkeerplaats die eiser huurt een voor de woning bestemde parkeerplaats is. Uit het huurcontract dat eiser heeft overgelegd blijkt juist dat eiser de parkeerplaats ook kan huren als hij ergens anders woont. Op de zitting heeft het college nog toegelicht dat de parkeerplaats die eiser huurt volgens de omgevingsvergunning is bestemd voor de woning van eiser, maar die omgevingsvergunning zit niet in het dossier en de rechtbank kan dat dus niet controleren. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de parkeerplaats die eiser huurt niet voor de woning bestemd is zoals bedoeld in de Parkeerverordening. Op de zitting heeft het college zich – naar de rechtbank begrijpt – subsidiair op het standpunt gesteld dat er toch sprake is van parkeren op eigen terrein, omdat de parkeerplaats die eiser huurt voldoet aan artikel 1, onder n, sub 1, van de Parkeerverordening. De rechtbank is het hiermee eens. De parkeerplaats van eiser is immers een parkeerplaats – niet zijnde een parkeerplaats in een openbaar toegankelijke private parkeergarage die met een abonnement wordt afgenomen – waarover hij beschikt of kan beschikken op grond van huur.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Omdat het college ten onrechte artikel 1, onder n, sub 2, van de Parkeerverordening aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het beroep gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank concludeert ook dat er wel sprake is van parkeren op eigen terrein, maar op een andere grondslag. Met de toelichting op de zitting heeft het college het gebrek dus hersteld. De rechtbank zal daarom onderzoeken of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.<footnote-ref linkend="_afb9db62-8fe5-4f8b-8cf5-9c8b6f54bb73" /> Dat is het geval als de andere beroepsgrond van eiser niet slaagt. Die beroepsgrond beoordeelt de rechtbank hierna. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bijzondere omstandigheden?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Eiser vindt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het college moet afwijken van de beleidsregel dat iemand die kan parkeren op eigen terrein geen parkeervergunning krijgt. Eiser vindt dat het college onvoldoende naar zijn belangen heeft gekeken. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de kosten voor de huur van zijn parkeerplek heel hoog zijn, en ook veel hoger dan een bewonersparkeervergunning. Eiser staat onder bewind en de huur van de parkeerplek is een grote hap uit zijn budget. Als eiser meer geld overhoudt, kan hij dit besteden aan sportactiviteiten om soepelheid in zijn gewrichten te behouden. </para>
      <para />
      <para>8. Het college vindt dat er geen reden is om eiser, in afwijking van de regels, een parkeervergunning te verlenen. Volgens het college kan eiser zijn auto ergens anders parkeren, in een gebied waar geen betaald parkeren geldt. Het college heeft daar op de zitting aan toegevoegd dat de situatie van eiser zich niet in bijzondere mate onderscheidt van de situatie van andere personen. Er zijn in Hilversum meer inwoners die financiële problemen hebben. Als het college aan eiser een bewonersvergunning zou verlenen, dan zou het college dit aan meer inwoners moeten verlenen met als gevolg dat het parkeerbeleid zinledig is. </para>
      <para />
      <para>9. De rechtbank oordeelt als volgt. Het college moet overeenkomstig de beleidsregel handelen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.<footnote-ref linkend="_c26b2437-a36d-4e3e-8eb5-40cee1954756" />De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van deze uitzondering. Het is begrijpelijk dat eiser zijn geld graag aan andere zaken wil besteden, zeker omdat eiser het financieel krap heeft. Tegelijkertijd is het zo dat het nu financieel beter gaat en de situatie stabieler is. Dat heeft de gemachtigde van eiser op de zitting toegelicht. Het is ook voorstelbaar dat het voor eiser gelet op zijn beperking niet ideaal is om te parkeren in een gebied waar geen betaald parkeren geld, omdat dit verder weg is. Maar uit de stukken blijkt niet dat het voor eiser vanwege zijn medische toestand onmogelijk is om daar te komen. Denkbaar is dat iemand hem naar het betaald parkeren gebied kan brengen, zeker nu dit maar (ongeveer) 1 kilometer van de woning van eiser ligt. Verder is het aannemelijk dat, zoals het college naar voren heeft gebracht, er in de gemeente Hilversum meer mensen zijn die in dezelfde situatie zitten als eiser en ook een duurdere parkeerplaats moeten huren omdat zij geen parkeervergunning kunnen krijgen. Het is duidelijk dat het voor eiser financieel gunstiger zou zijn als hij over een parkeervergunning zou beschikken, maar de situatie van eiser is niet zo uitzonderlijk dat er een uitzondering gemaakt moet worden op het uitgangspunt dat het college overeenkomstig de beleidsregel moet handelen. De beroepsgrond slaagt niet.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste grondslag. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit laat de rechtbank in stand, omdat er </para>
    <para>wel sprake is van parkeren op eigen terrein en omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Dat betekent dat het college de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen bewonersparkeervergunning. </para>
    <para />
    <para>11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e77cca25-48b3-4480-8eb3-14e7b22f662c" label="1">
    <para> Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d1dd0c27-fa27-4869-b391-8517b534182a" label="2">
    <para> Artikel 9, derde lid, onder a, van de Parkeerverordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d5a21f0-9b42-4510-9458-017f1ef5a1e7" label="3">
    <para> Artikel 9, tweede lid, van de Parkeerverordening. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_037f8cb2-e583-417b-9b4d-f099196e34ac" label="4">
    <para> Artikel 20, derde lid, van de nadere regels. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_afb9db62-8fe5-4f8b-8cf5-9c8b6f54bb73" label="5">
    <para> Op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c26b2437-a36d-4e3e-8eb5-40cee1954756" label="6">
    <para> Artikel 4:84 van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>