<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7156</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T13:30:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 23/4645</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7156">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7156</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T13:30:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7156 Rechtbank Midden-Nederland , 27-05-2025 / UTR 23/4645</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7156:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzet ongegrond; verweerder niet eens met hogere dwangsom; artikel 8:55d, derde lid; rb van oordeel dat sterke prikkel wel nodig was</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7156:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND </bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 23/4645-V </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 op het verzet van </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, opposant.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer [verzoeker] heeft een aanvraag ingediend op grond van de Wet open overheid. Opposant heeft niet tijdig op die aanvraag beslist. In verband hiermee heeft [verzoeker] beroep ingesteld. Bij uitspraak van de rechtbank van 13 april 2023<footnote-ref linkend="_34b3c3f6-8457-482d-bfe3-4da54140a53c" /> is dit beroep gegrond verklaard en is opposant opgedragen om uiterlijk op 9 juni 2023 alsnog een besluit te nemen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat opposant een dwangsom moet betalen van € 100,- per dag dat opposant de termijn van twee weken overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft zich niet aan de uitspraak van de rechtbank gehouden. Om die reden heeft [verzoeker] opnieuw beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 december 2023<footnote-ref linkend="_fc9024d9-2f11-4bdc-b468-31d91787d2d1" /> heeft de rechtbank ook dit beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft opposant voorts opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat opposant een dwangsom moet betalen van € 250,- per dag dat opposant de termijn van twee weken overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet ingesteld. Deze uitspraak gaat over dat verzet.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Omdat de rechtbank bij haar uitspraak van 7 december 2-23 geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. In deze zaak beoordeelt de rechtbank of de rechtbank op 7 december 2023 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. </para>
    <para />
    <para>2. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 7 december 2023 niet juist. Hij stelt dat de rechtbank aan hem ten onrechte een verhoogde dwangsom heeft opgelegd. Er was volgens opposant voor hem geen sterke prikkel nodig om (alsnog) tot een besluit te komen. Er was geen sprake van weigerachtigheid en er is getracht zo spoedig mogelijk tot een besluit te komen, aldus opposant. Hoewel de beslisperiode viel in het kerstreces en diverse betrokken ambtenaren met vakantieverlof waren, is het opposant gelukt om op </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>29 december 2023 te beslissen. Opposant verwijst hierbij naar de uitspraak van de Raad van State van 19 juli 2023<footnote-ref linkend="_9e1b9700-d920-4fda-b376-6893cd00799c" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank volgt opposant hierin niet. In haar uitspraak van 7 december 2023 heeft de rechtbank overwogen dat opposant de opgedragen nadere beslistermijn in de uitspraak van </para>
    <para>13 april 2023 heeft laten verstrijken en dat [verzoeker] voor de tweede keer een beroep tegen het niet tijdig beslissen door opposant heeft moeten indienen. Ter gelegenheid van dat tweede beroep heeft opposant summier inzicht gegeven in de reden van de overschrijding van de eerder verstrekte nadere beslistermijn. Impliciet heeft de rechtbank daarmee geoordeeld dat het blijkbaar ook op 7 december 2023 nog niet duidelijk was wanneer opposant tot besluitvorming zou overgaan. Deze omstandigheid rechtvaardigde het opleggen van een sterke prikkel, in de vorm van een hogere dwangsom. De omstandigheid dat opposant uiteindelijk op 29 december 2023 alsnog een besluit heeft genomen, maakt de situatie zoals de rechtbank die op 7 december 2023 heeft beoordeeld niet anders.</para>
    <para />
    <para>4. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van </para>
    <para>7 december 2023 in stand blijft.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_34b3c3f6-8457-482d-bfe3-4da54140a53c" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:21502.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc9024d9-2f11-4bdc-b468-31d91787d2d1" label="2">
    <para> Zaaknummer UTR 23/4645, niet gepubliceerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9e1b9700-d920-4fda-b376-6893cd00799c" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:2796.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>