<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T13:32:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 23/6256</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7146">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T13:32:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7146 Rechtbank Midden-Nederland , 18-11-2025 / UTR 23/6256</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7146:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzet ongegrond; pkv correct vastgesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7146:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND </bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 23/6256-V </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 op het verzet van </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [opposant] , te [plaats] , opposant,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B.A.M. Slockers), </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal van 17 november 2023. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 20 februari 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeelt tot betaling van € 678,51,- aan proceskosten aan opposant. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 februari 2025 het beroep gegrond verklaard en onder andere de heffingsambtenaar veroordeelt tot betaling van € 678,51,- aan proceskosten aan opposant. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
    <para />
    <para>2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. </para>
    <para>De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2025 niet juist was. </para>
    <para />
    <para>3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2025 niet juist omdat de proceskostenvergoeding ten onrechte als ‘zeer licht’ met wegingsfactor 0,25 is vastgesteld. Naar het oordeel van opposant is er sprake van een gemiddeld gewicht van zowel het bezwaarschrift en de hoorzitting in de bezwaarfase alsook het beroepsschrift in de beroepsfase. </para>
    <para />
    <para>4. Opposant verzoekt de rechtbank om de uitgangspunten uit de wegingsfactoruitspraak in deze zaak niet toe te passen en om een wegingsfactor 1 te hanteren. Hij wijst erop dat de wegingsfactoruitspraak is vernietigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, met het arrest van 1 oktober 2024<footnote-ref linkend="_21016e6f-3b6f-49a7-91f7-b1e50eb87ad4" />. Ook wijst hij op het arrest van 26 november 2024<footnote-ref linkend="_d4fffbb1-5371-40d9-9ba3-cd790f521f04" />, waarin het hof oordeelde dat er sprake was van een zaak van gemiddeld gewicht, waarvoor wegingsfactor 1 geldt.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de uitgangspunten voor WOZ-zaken die zij heeft neergelegd in de wegingsfactoruitspraak. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat zij hierover heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2024<footnote-ref linkend="_78ecbcfb-b2f6-4d13-87e5-294df24839b5" />. De vergoeding voor rechtsbijstandskosten is in de uitspraak van 20 februari 2025 dan ook correct vastgesteld aan de hand van het forfaitaire systeem uit het Besluit proceskosten bestuursrecht, het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024<footnote-ref linkend="_0ea03a35-0ee7-4282-af45-616790254aaf" /> over de waarde per punt in de bezwaarfase en de wegingsfactoruitspraak. </para>
    <para />
    <para>6.   Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2025 in stand blijft.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak? </title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_21016e6f-3b6f-49a7-91f7-b1e50eb87ad4" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2024:6146.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4fffbb1-5371-40d9-9ba3-cd790f521f04" label="2">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2024:7357</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78ecbcfb-b2f6-4d13-87e5-294df24839b5" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2024:7209.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ea03a35-0ee7-4282-af45-616790254aaf" label="4">
    <para> ECLI:NL:HR:2024:1060.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>