<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:6619</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-02T11:03:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/4611 en 25/2235</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:6619">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:6619</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-02T11:03:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:6619 Rechtbank Midden-Nederland , 02-12-2025 / 24/4611 en 25/2235</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:6619:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitsprek verzet, verzet is gegrond, beroep niet-tijdig nu alsnog behandeld als BNT CWS. Tweede beroeps procedure was overbodig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:6619:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: UTR 24/4611 V en UTR 25/2235</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 op het verzet van</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [opposante] , uit [plaats] , opposante</title>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),</para>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>en uitspraak in de beroepszaken tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over twee procedures, een verzetsprocedure en een beroep tegen het niet-tijdig beslissen van verweerder. Voor de leesbaarheid zal de rechtbank hierna de indiener van de beide procedures aanduiden met: opposante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft op 27 mei 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).<footnote-ref linkend="_4ef6dc1f-f353-4720-acaf-f56a811662b1" /> In de uitspraak van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank het beroep kennelijk gegrond verklaard en verweerder opgedragen om op uiterlijk 11 oktober 2024 een vooraankondiging te doen en om daarna een besluit bekend te maken binnen twee weken na ontvangst van de zienswijze dan wel binnen twee weken na het ongebruikt verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging.</para>
      <para>Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 februari 2025 heeft opposante een tweede beroep ingediend tegen het uitblijven van een besluit.<footnote-ref linkend="_0121613b-34bc-4825-a1b2-145b790d48f7" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 19 juli 2024, 8 april 2025 en 24 juni 2025 verweerschriften ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht.<footnote-ref linkend="_87ae338f-140a-405f-a0fc-f794fecfc844" /> Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Over het verzet</emphasis>
    </para>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 augustus 2024 het beroep gegrond verklaard. Dat heeft zij zonder een zitting gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, omdat de zaak naar het oordeel van de rechtbank kennelijk gegrond was. Dat betekent dat er geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van de zaak. <?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank echter onjuist, omdat de rechtbank niet heeft gezien dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen ging over haar procedure CWS. De rechtbank heeft het beroep aangemerkt als een beroep tegen het uitblijven van een besluit op een verzoek om integrale herbeoordeling.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Opposante heeft daarin gelijk. De rechtbank heeft een verkeerde uitspraak gedaan. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 21 augustus 2024 vervalt.<footnote-ref linkend="_17600cda-13be-416c-bc15-33040e5a9ae6" /> De rechtbank moet nu opnieuw het beroep van opposante beoordelen.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>4. De rechtbank oordeelt dat er geen nader onderzoek nodig is, maar dat er ook direct uitspraak kan worden gedaan over dat beroep.<footnote-ref linkend="_f0def549-ef72-4d15-a226-57a04ea57f5f" /><?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Over het beroep tegen het uitblijven van een besluit CWS</bridgehead>
    <para>5. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit CWS is overschreden. Opposante heeft verweerder op tijd in gebreke gesteld. Zij heeft meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.<?linebreak?></para>
    <para>6. Het beroep is dus gegrond.<?linebreak?></para>
    <para>7. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_db57fc6a-f2c4-4d1e-ab28-7a452f22ce2f" /> In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_5cff4566-4969-4668-8d0c-a4b67dc4e62b" /><?linebreak?></para>
    <para>8. In haar uitspraak van 25 juli 2025<footnote-ref linkend="_3609d8ce-4bc9-41d1-a089-ce41aeb4405f" /> heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak. <?linebreak?></para>
    <para>9. In dit geval betekent dit het volgende. Opposante heeft op 24 mei 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De beslistermijn eindigde dus op 24 mei 2024. Omdat sindsdien meer dan 60 weken zijn verstreken bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.<?linebreak?></para>
    <para>10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 oktober 2024.<footnote-ref linkend="_a58fc4cc-0f9c-4013-905b-7fc9c4039f27" /><?linebreak?></para>
    <para>11. Opposante heeft ook verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.<footnote-ref linkend="_92d28735-5637-49ae-ab8e-9e49e369fc97" /> Inmiddels heeft verweerder die dwangsom zelf vastgesteld in een formeel dwangsombesluit van 5 augustus 2024. De rechtbank hoeft hier daarom niet meer over te beslissen.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Over het tweede beroep tegen het uitblijven van een besluit</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>12. Opposante heeft op 25 februari 2025 een tweede beroep tegen het uitblijven van een besluit ingediend. In haar beroepschrift heeft zij toegelicht dat haar beroep gericht is tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om een integrale herbeoordeling. <?linebreak?>Verweerder heeft erop gewezen dat hij op 11 april 2023 al op die aanvraag heeft beslist. Het is verweerder dus niet duidelijk wat opposante met dit nieuwe beroep wil bereiken. <?linebreak?></para>
      <para>12. De rechtbank heeft opposante in een brief van 15 augustus 2025 om een nadere toelichting gevraagd. Opposante heeft in een brief van 12 september 2025 meegedeeld dat haar beroep erop is gericht een besluit CWS te verkrijgen. <?linebreak?></para>
      <para>12. De rechtbank heeft in het kader van de verzetsprocedure in de overwegingen 5 tot en met 10 van deze uitspraak geoordeeld dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit CWS bekend moet maken. Opposante kan met dit tweede beroep tegen het niet-tijdig beslissen dus niet meer bereiken dan zij met de verzetsprocedure al heeft gedaan. Zij heeft daarom geen belang meer bij dit beroep en het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.<?linebreak?><emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht </emphasis><?linebreak?></para>
      <para>12. Omdat het verzet gegrond is en de rechtbank het beroep in de zaak UTR 24/4611 ook gegrond verklaart, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde in de procedure UTR 24/4611 levert 1,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het verzetschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 680,25.<?linebreak?></para>
      <para>12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden voor de procedure met nummer UTR 24/4611.<?linebreak?></para>
      <para>12. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor het herhaalde beroep tegen het niet-tijdig beslissen CWS. De verzetsprocedure van opposante was er ook nog steeds op gericht om een besluit op haar CWS verzoek te verkrijgen. Het was dus niet nodig om opnieuw een beroep tegen het niet-tijdig beslissen in te stellen, omdat de verzetsprocedure over het eerste beroep niet tijdig CWS nog liep.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">UTR 24/4611</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het verzet gegrond;</para>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;<?linebreak?>- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan opposante een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;<?linebreak?>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 680,25;<?linebreak?>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan opposante te vergoeden.</para>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">UTR 25/2235</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>verklaart het beroep niet-ontvankelijk.<?linebreak?></para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_4ef6dc1f-f353-4720-acaf-f56a811662b1" label="1">
    <para> UTR 24/4611</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0121613b-34bc-4825-a1b2-145b790d48f7" label="2">
    <para> UTR 25/2235</para>
  </footnote>
  <footnote id="_87ae338f-140a-405f-a0fc-f794fecfc844" label="3">
    <para> Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17600cda-13be-416c-bc15-33040e5a9ae6" label="4">
    <para> Artikel 8:55, negende lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0def549-ef72-4d15-a226-57a04ea57f5f" label="5">
    <para>Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_db57fc6a-f2c4-4d1e-ab28-7a452f22ce2f" label="6">
    <para> Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5cff4566-4969-4668-8d0c-a4b67dc4e62b" label="7">
    <para> Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3609d8ce-4bc9-41d1-a089-ce41aeb4405f" label="8">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2025:3859.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a58fc4cc-0f9c-4013-905b-7fc9c4039f27" label="9">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2024:6003.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92d28735-5637-49ae-ab8e-9e49e369fc97" label="10">
    <para> Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>