<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:6490</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-12T08:01:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/2121</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:6490">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:6490</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-12T08:00:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:6490 Rechtbank Midden-Nederland , 16-10-2025 / UTR 24/2121</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:6490:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag parkeerbelasting; verkeerde kenteken ingevoerd, heffingsambtenaar gaat daarin mee in beroep. Er is sprake van procesbelang. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij weliswaar parkeerbelasting heeft betaald, maar niet voor de juiste auto. Niet eerder controleerbaar voor de heffingsambtenaar. Pas in beroep onderbouwd. Uit coulance heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag vernietigd. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:6490:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 24/2121</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht</emphasis>, verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.F.M. Boerlage).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op 2 augustus 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer] . Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft daarin de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd en het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De naheffingsaanslag is aan eiser opgelegd omdat zijn auto met het kenteken [kenteken 1] op 22 juli 2023 om 17:00 uur aan de [straat] in [plaats] stond geparkeerd zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was betaald. In de parkeerverordening is deze plaats aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.<footnote-ref linkend="_f4a366d7-5601-49c9-b795-94fb8e03a80e" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De gronden van beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel parkeerbelasting heeft betaald op 22 juli 2023 om 17:00 uur, maar dat hij per abuis het verkeerde kenteken heeft ingevoerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser na de uitspraak op bezwaar een betaaloverzicht overgelegd. Uit dit overzicht blijkt dat op 22 juli tussen 16:40 uur en 17:49 uur parkeerbelasting is betaald in de omgeving [wijk] voor een auto met kenteken [kenteken 2] . </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De heffingsambtenaar gaat in beroep mee met eiser en vernietigt in het verweerschrift uit coulance de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft daarnaast het verzoek om proceskosten in bezwaarvergoeding afgewezen, omdat de naheffingsaanslag niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.<footnote-ref linkend="_91352880-d6b2-4473-a477-db0003ac3af4" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.	Omdat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag heeft vernietigd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de vernietigde uitspraak op bezwaar.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Eiser stelt zich op het standpunt dat nog wel sprake is van procesbelang, omdat de heffingsambtenaar pas na de uitspraak op bezwaar aan zijn bezwaar tegemoet is gekomen en de naheffingsaanslag heeft herroepen en dat hij daarom recht heeft op een proceskostenvergoeding in beroep.<footnote-ref linkend="_164d3b60-1fe5-40ef-81e8-f45e318a18dc" /> De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat er sprake is van procesbelang. Dit ontbreekt alleen als een procedure eiser niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.<footnote-ref linkend="_700d429b-3600-408e-adc6-75293ee0fd74" /> Als eisers betoog slaagt, heeft hij recht op een proceskostenvergoeding en daarmee heeft hij een belang bij de beoordeling van zijn beroep tegen de vernietigde uitspraak op bezwaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de naheffingsaanslag al had moeten vernietigen. Het had op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om actief de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren.<footnote-ref linkend="_a6dd2ec6-03a4-426c-bba3-ceaeb1a205f3" /> Als de heffingsambtenaar dat in de bestuurlijke fase al had gedaan, was de naheffingsaanslag eerder al vernietigd en had eiser geen beroep hoeven instellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De rechtbank overweegt daarover het volgende. De reden waarom de heffingsambtenaar de naheffing vernietigd heeft, is omdat eiser in beroep aannemelijk heeft gemaakt dat hij weliswaar parkeerbelasting heeft betaald, maar niet voor de juiste auto. Hoewel juridisch niet verplicht (er was immers geen parkeerbelasting betaald voor het geparkeerde voertuig), heeft de heffingsambtenaar daarom uit coulance toch de naheffingsaanslag vernietigd. In bezwaar heeft de gemachtigde van eiser ditzelfde standpunt ingenomen, maar in bezwaar is dit niet met stukken onderbouwd. Voor de heffingsambtenaar was dit daarom niet (eerder) controleerbaar en geen reden om uit coulance de naheffingsaanslag te vernietigen. Pas in beroep wordt dit standpunt onderbouwd met een betaaloverzicht. De gemachtigde van eiser heeft op zitting toegelicht dat hij in de bezwaarfase het betaalbewijs nog niet had gekregen van eiser. Het ligt echter op de weg van eiser om stukken, waarmee hij zijn stelling aannemelijk kan maken, over te leggen.<footnote-ref linkend="_bf6d1007-651e-4427-a1f7-1c0a3054839b" /> Als eiser zijn standpunt eerder met stukken onderbouwd had, was de naheffingsaanslag al eerder vernietigd en was een beroepsprocedure niet nodig geweest. De rechtbank ziet daarom geen reden om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten voor de beroepsprocedure. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.  	Het beroep is ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>16 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f4a366d7-5601-49c9-b795-94fb8e03a80e" label="1">
    <para> Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91352880-d6b2-4473-a477-db0003ac3af4" label="2">
    <para> Het beroep van eiser is niet mede tegen dit besluit gericht op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen belang is bij een beroep tegen het intrekkingsbesluit. Eiser heeft met het intrekkingsbesluit namelijk gekregen wat hij wilde en het verzoek om een proceskostenvergoeding in bezwaar is door (de gemachtigde van) eiser op de zitting ingetrokken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_164d3b60-1fe5-40ef-81e8-f45e318a18dc" label="3">
    <para> Zie artikel 8:75 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_700d429b-3600-408e-adc6-75293ee0fd74" label="4">
    <para> Hoge Raad, 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, rechtsoverweging 3.4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6dd2ec6-03a4-426c-bba3-ceaeb1a205f3" label="5">
    <para> Zie artikel 3:2 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf6d1007-651e-4427-a1f7-1c0a3054839b" label="6">
    <para> Zie artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>