<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5983</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-27T13:57:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/3350</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5983">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5983</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-27T13:57:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5983 Rechtbank Midden-Nederland , 29-07-2025 / 25/3350</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5983:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT UHT</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5983:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/3350</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder,<?linebreak?>(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 21 november 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.<?linebreak?></para>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen <?linebreak?></title>
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.<footnote-ref linkend="_b3e50e21-609e-4e65-a191-6dd7c3a7c08e" /><?linebreak?></para>
    <para>2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_ea6a2819-3143-4f8e-a45a-4e08353b8367" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_a9d26546-bf08-4837-9580-04082d545f22" /></para>
    <para />
    <para>3. In geschil is de vraag of het beroep ontvankelijk is. Verweerder geeft in haar verweerschrift als primair standpunt aan dat dit niet het geval is, omdat eiseres geen bezwaargronden heeft ingediend. Volgens verweerder valt dit niet te rijmen met het beroep wegens niet tijdig beslissen en kan verweerder door het ontbreken van bezwaargronden ook niet beslissen op het bezwaar. In haar reactie op het verweerschrift geeft eiseres aan dat dit standpunt van verweerder onjuist is, omdat eiseres van mening is dat zij wél bezwaargronden heeft geformuleerd in haar pro forma bezwaarschrift. Tevens geeft eiseres in haar reactie aan dat zij de op de zaak betrekking hebbende stukken nog niet heeft ontvangen, waardoor het niet van haar verlangd kan worden dat zij de gronden al nader heeft aangevuld. Tot slot geeft eiseres aan dat zij nog niet in de gelegenheid is gesteld door verweerder om de gronden van bezwaar aan te vullen. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt het primaire standpunt van verweerder niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar bezwaargronden weliswaar summier heeft opgesomd in haar pro forma bezwaarschrift, maar dat zij wel te kennen heeft gegeven waarom zij het niet eens is met het besluit. Het standpunt dat géén bezwaargronden genoemd staan in het pro forma bezwaarschrift is naar oordeel van de rechtbank dan ook onjuist. Daarnaast volgt uit het verweerschrift dat verweerder pas op 19 juni 2025 het dossier aan eiseres heeft toegezonden en hierbij een termijn heeft gegeven om voor 21 juli 2025 de gronden van bezwaar aan te vullen. Indien in het pro forma bezwaarschrift geen bezwaargronden werden geformuleerd, hetgeen niet van toepassing is in onderhavig geval, was het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar pas niet-ontvankelijk nadat eiseres de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.<footnote-ref linkend="_21c2e987-403a-4474-890f-3f2f3827fa36" /> Doordat het dossier pas recentelijk is verstrekt – en de rechtbank het standpunt van eiseres volgt dat dit dossier van belang is voor het specifieker formuleren van de bezwaargronden – en de termijn tot herstel van het (niet bestaande) verzuim pas recentelijk gegeven is, wordt het primaire standpunt van verweerder niet gevolgd.</para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is dan ook terecht ingesteld. Verweerder is op 25 april 2025 door eiseres in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 3 juni 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.<?linebreak?></para>
    <para>6. Het beroep is gegrond.<?linebreak?><emphasis role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</emphasis><?linebreak?></para>
    <para>7. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.<?linebreak?></para>
    <para>8. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025<footnote-ref linkend="_111961b6-5707-4c4c-b6c8-09f5011d5c2c" /> uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling. <?linebreak?></para>
    <para>9. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 29 oktober 2024 de definitieve beschikking genomen. Het bezwaarschrift van eiseres tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 21 november 2024. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 11 december 2024 en verliep op 15 april 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 9 juni 2026. <?linebreak?></para>
    <para>10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Bestuurlijke dwangsom</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>11. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.<footnote-ref linkend="_4ccc09da-a383-42e1-a7d6-2613874b8717" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet formeel in een besluit vastgesteld, maar slechts in zijn verweerschrift de hoogte van de nog toe te kennen dwangsom berekend.<?linebreak?>De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.<?linebreak?><emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis><?linebreak?></para>
      <para>12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50. <?linebreak?></para>
      <para>12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk 9 juni 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;<?linebreak?>- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is verhinderd deze uitspraak </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b3e50e21-609e-4e65-a191-6dd7c3a7c08e" label="1">
    <para> Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea6a2819-3143-4f8e-a45a-4e08353b8367" label="2">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a9d26546-bf08-4837-9580-04082d545f22" label="3">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_21c2e987-403a-4474-890f-3f2f3827fa36" label="4">
    <para> Artikel 6:6 sub a van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_111961b6-5707-4c4c-b6c8-09f5011d5c2c" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1301.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ccc09da-a383-42e1-a7d6-2613874b8717" label="6">
    <para> Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>