<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-27T10:08:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/810</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5966">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-27T10:08:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5966 Rechtbank Midden-Nederland , 02-10-2025 / 25/810</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5966:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT UHT</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5966:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/810</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Arakelyan),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder, <?linebreak?>(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 18 juni 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.<?linebreak?></para>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 27 juni 2025 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift met gewijzigd standpunt ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van verweerder deelgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen <?linebreak?></title>
    <para>1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_9886b6fb-0d4c-4225-b042-7adb979b9092" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_b825ca3a-e45a-4cb0-8bb0-060b1b7419c6" /><?linebreak?></para>
    <para>2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 10 december 2025 door eiseres in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 29 januari 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.<?linebreak?></para>
    <para>3. Het beroep is gegrond.<?linebreak?><emphasis role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</emphasis><?linebreak?></para>
    <para>4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.<?linebreak?></para>
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025<footnote-ref linkend="_4bc101b3-861c-4771-a3ec-bdd5b11329ef" /> uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling. <?linebreak?></para>
    <para>6. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 21 juni 2024 de definitieve beschikking genomen. Het bezwaarschrift van eiseres tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 18 juni 2024. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 3 augustus 2024 en verliep op 6 december 2024. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is 30 januari 2026. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Bestuurlijke dwangsom</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>8. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.<footnote-ref linkend="_dc87b32f-01ac-4de6-88ec-9dfb26cc8ff2" /><?linebreak?></para>
    <para>9. Verweerder stelt dat de dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb in deze zaak van toepassing is en heeft bij besluit van 7 februari 2025 de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend. De rechtbank zal zich hier dan ook verder niet over uitlaten.<?linebreak?><emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis><?linebreak?></para>
    <para>10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50. <?linebreak?></para>
    <para>11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk 30 januari 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;<?linebreak?>- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>2 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak? <?linebreak?>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.<?linebreak?></title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9886b6fb-0d4c-4225-b042-7adb979b9092" label="1">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b825ca3a-e45a-4cb0-8bb0-060b1b7419c6" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4bc101b3-861c-4771-a3ec-bdd5b11329ef" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1301.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc87b32f-01ac-4de6-88ec-9dfb26cc8ff2" label="4">
    <para> Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>