<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5963</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-27T10:17:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/5340</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#conservatoireMaatregel">Conservatoire maatregel</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5963">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5963</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-27T10:17:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5963 Rechtbank Midden-Nederland , 02-05-2025 / 24/5340</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5963:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT UHT</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5963:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 24/5340</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder,<?linebreak?>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 7 maart 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht.<footnote-ref linkend="_2617f1c4-4f2c-4f53-8116-bfcecb3e6778" /> Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_9b38e256-e361-4793-8255-4a93fce8409c" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_fbd41486-a7d5-4b95-8d2d-f3db9c221d9f" /><?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Premature ingebrekestelling?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 7 maart 2024. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Als Als er een bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) wordt ingeschakeld, geldt een termijn van twaalf weken. Verweerder kan de beslissing voorts voor ten hoogste zes weken verdagen.<footnote-ref linkend="_7687a706-0889-4aab-beb4-084ec8703eb7" /><?linebreak?></para>
    <para>3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling prematuur is gedaan. Verweerder gaat uit van een termijn van 24 weken (verlenging plus BAC). De beslistermijn eindigde volgens verweerder op 8 augustus 2024 en de ingebrekestelling is door verweerder ontvangen op 18 juli 2024, zijnde voor het einde van de beslistermijn.<?linebreak?></para>
    <para>4. Eiseres heeft in haar ingebrekestelling naar voren gebracht dat verweerder zonder de termijn van de BAC, maar inclusief de verdagingstermijn, op de datum van de ingebrekestelling (18 juli 2024), te laat was met het nemen van een besluit op haar bezwaar. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is ervan op de hoogte dat niet meer in elke bezwaarzaak de BAC wordt ingeschakeld. De BAC brengt geen advies uit over een bezwaar, indien (i) er naar het oordeel van de Belastingdienst/Toeslagen geen sprake is van een rechtsvraag met principiële betekenis voor soortgelijke gevallen en de belanghebbende en de Belastingdienst/Toeslagen overeengekomen zijn dat het bezwaar niet wordt voorgelegd ter advies aan de adviescommissie, (ii) de beslissing op het bezwaar naar het oordeel van de Belastingdienst/Toeslagen strekt tot kennelijk niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, (iii) de beslissing op het bezwaar naar het oordeel van de Belastingdienst/Toeslagen strekt tot kennelijk ongegrondverklaring van het bezwaar, (iv) bij de beslissing op het bezwaar volledig aan het bezwaar van de belanghebbende tegemoet wordt gekomen of indien (v) de beslissing op het bezwaar en de motivering ervan naar het oordeel van de Belastingdienst/Toeslagen evident in lijn is met eerdere adviezen van de adviescommissie.<footnote-ref linkend="_028de6cc-096d-4689-b5c4-28ce50e587ef" /></para>
    <para />
    <para>6. Uit de gedingstukken volgt naar het oordeel van de rechtbank niet of verweerder gebruik wenst te maken van de BAC. In de brief van 4 april 2024, waarin verweerder de ontvangst van het bezwaar bevestigt, wordt enkel bevestigd dat de termijn met zes weken wordt verlengd. Wat betreft het inschakelen van de BAC wordt opgemerkt: <emphasis role="italic">“Is advies van de BAC nodig? Dan hebben we nog zes weken extra tijd.”</emphasis> Daarmee staat niet vast dat de BAC is ingeschakeld. Hierdoor is het gerechtvaardigd dat eiseres verweerder op 18 juli 2024 in gebreke heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling dus niet prematuur. Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling, te weten bij brief van 8 augustus 2024, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.</para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is gegrond.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.<?linebreak?></para>
    <para>9. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025<footnote-ref linkend="_f71063a1-b3d4-45ff-bbda-2bc4858273fd" /> uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich volledig aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling. <?linebreak?></para>
    <para>10. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift van eiseres is door verweerder ontvangen op 12 maart 2024. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen verliep op 27 juni 2024. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 21 augustus 2025.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. In de uitspraak van 26 maart 2025 heeft de Afdeling verder overwogen dat in zaken zoals deze een dwangsom zal worden bepaald van € 100,- per dag voor iedere dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt met een maximum van € 15.000,-. Ook hier sluit de rechtbank zich bij aan.<?linebreak?><emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis><?linebreak?></para>
      <para>11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50. <?linebreak?></para>
      <para>11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk 21 augustus 2025 een besluit op bezwaar bekend te maken;<?linebreak?>- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd deze </para>
      <para>uitspraak te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak? <?linebreak?>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2617f1c4-4f2c-4f53-8116-bfcecb3e6778" label="1">
    <para> Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b38e256-e361-4793-8255-4a93fce8409c" label="2">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fbd41486-a7d5-4b95-8d2d-f3db9c221d9f" label="3">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7687a706-0889-4aab-beb4-084ec8703eb7" label="4">
    <para> Artikelen 7:10 en 7:13 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_028de6cc-096d-4689-b5c4-28ce50e587ef" label="5">
    <para>Artikel 3, derde lid, van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f71063a1-b3d4-45ff-bbda-2bc4858273fd" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1301.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>