<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5855</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T12:00:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 23/6012</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5855">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5855</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T10:15:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5855 Rechtbank Midden-Nederland , 05-11-2025 / UTR 23/6012</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5855:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek op grond van Wet open overheid terecht afgewezen omdat de informatie waar eiser om vraagt niet berust bij de minister. Beroep ongegrond. Schadevergoeding toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5855:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 23/6012 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">mr. drs. [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. I. Erdogan en mr. J.W. Berg).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie over documenten die binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ministerie van Binnenlandse Zaken) aanwezig zijn met betrekking tot een klacht die eiser heeft ingediend tegen de heer [A] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen<emphasis role="italic">.</emphasis> Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft op 27 juni 2023 een aanvraag ingediend op grond van de Woo. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 november 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft eiser verzocht?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft verzocht om alle stukken die binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken aanwezig zijn/berusten of behoren te berusten met betrekking tot de klacht die eiser heeft ingediend tegen de heer [A] van het ministerie van Algemene Zaken. Tot die stukken moeten worden meegerekend whatsappberichten, sms-berichten, e-mails (waaronder alle e-mails tussen mw. [B] en AZ), de gewisselde stukken, agenda-afspraken, telefoonnotities en dergelijke. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft de minister besloten?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen documenten berusten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken over de ingediende klacht over de heer [A] . Mevrouw [B] heeft haar werkzaamheden in de klachtzaak namelijk uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Algemene Zaken. In het bestreden besluit is de minister bij zijn standpunt gebleven. De minister heeft verder toegelicht dat mevrouw [B] werkzaam is bij Organisatie en Personeel Rijk (O&amp;P Rijk), de nieuwe HR-dienstverlener voor de Rijksoverheid. Het ministerie van Algemene Zaken is verwerkingsverantwoordelijke voor de documenten die door O&amp;P Rijk voor het ministerie van Algemene Zaken worden opgesteld. De afspraken die gemaakt zijn hiervoor, volgen uit de dienstverleningsovereenkomst die tussen O&amp;P Rijk en het ministerie van Algemene Zaken is vastgelegd in de ‘DVA 2022 en 2023 tussen departementen en UBR Personeel van 23 november 2021’. In aanvulling op deze overeenkomst zijn er ‘Verwerkersafspraken’ gemaakt. Daarom berusten de documenten die eiser verzoekt bij het ministerie van Algemene Zaken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat voert eiser aan in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft in beroep het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd. Volgens eiser berusten de documenten die hij heeft verzocht wel bij de minister. De minister is verantwoordelijk voor de gevraagde documenten. Dat volgt ook uit twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2016<footnote-ref linkend="_2e2c2642-9928-4b63-a66c-bec10a804560" /> en 9 maart 2016.<footnote-ref linkend="_98ce30ac-7194-42f7-be8e-7487b388af51" /> Mevrouw [B] werkt voor O&amp;P Rijk, wat valt onder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarom moeten de stukken die eiser heeft verzocht berusten bij de minister. Uit de stukken waarnaar de minister verwijst, volgt niets over gezag en verantwoordelijkheid over stukken. Verder heeft eiser verzocht om verschillende personen die werkzaam zijn bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Algemene Zaken als getuige te horen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de belangrijkste rechtsvraag?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De belangrijkste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de documenten die eiser heeft verzocht moeten berusten bij de minister, of bij het ministerie van Algemene Zaken. De rechtbank komt tot de conclusie dat de documenten die eiser heeft verzocht moeten berusten bij het minister van Algemene Zaken. De rechtbank legt hierna uit waarom.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het toetsingskader?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. In artikel 4.1., eerste lid, van de Woo staat het volgende:</para>
    <para>‘Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.’</para>
    <para />
    <para>9. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat om te kunnen bepalen of een instelling, dienst of bedrijf die/dat zelf geen bestuursorgaan is werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, bepalend in welke mate het bestuursorgaan opdrachten of aanwijzingen kan geven aan de instelling, de dienst of het bedrijf en/of in hoeverre de instelling, de dienst of het bedrijf zich moet richten naar de opdrachten of aanwijzingen van het bestuursorgaan. Dit kan worden afgeleid uit bijvoorbeeld de statuten van de instelling, de dienst of het bedrijf of een door het bestuursorgaan en de instelling, de dienst of het bedrijf gesloten overeenkomst.<footnote-ref linkend="_768c0e24-5a6f-416a-9b65-1476f3d49425" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De rechtbank stelt vast dat O&amp;P Rijk diensten verleent voor alle ministeries. Organisatorisch valt O&amp;P Rijk onder het ministerie van Binnenlandse Zaken. O&amp;P Rijk heeft met afzonderlijke overheidsinstanties binnen het Rijk afspraken gemaakt over de diensten die O&amp;P Rijk kan verrichten. Als er werkzaamheden worden verricht voor een bepaalde overheidsinstelling door O&amp;P Rijk, dan vallen de documenten die in dat kader worden opgesteld ook onder die overheidsinstelling. Met het ministerie van Algemene Zaken heeft O&amp;P Rijk ook afspraken gemaakt, die zijn terug te vinden in de ‘DVA 2022 en 2023 tussen departementen en UBR Personeel van 23 november 2021’ en de ‘Verwerkersafspraken’. </para>
    <para />
    <para>11. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de organisatie van O&amp;P Rijk logisch voort hoe O&amp;P Rijk wordt ingezet. Elke overheidsinstelling waarvoor O&amp;P Rijk diensten verricht, heeft zeggenschap over de werkzaamheden die worden verricht. De minister heeft toegelicht dat hij geen rol speelt bij de werkzaamheden die O&amp;P Rijk uitvoert bij andere overheidsinstellingen binnen het Rijk. De rechtbank vindt deze toelichting ook logisch aangezien O&amp;P Rijk een zelfstandige rol vervult. Daaruit volgt dus dat de minister geen zeggenschap heeft over hoe O&amp;P Rijk de werkzaamheden verricht bij andere overheidsinstellingen binnen het Rijk. </para>
    <para />
    <para>12. De documenten die worden opgesteld in verband met de werkzaamheden die worden verricht voor een overheidsinstelling, berusten daarom ook bij die betreffende overheidsinstelling. De documenten die zijn opgesteld door mevrouw [B] in het kader van de afhandeling van de klacht over de heer [A] van eiser, berusten dus bij het ministerie van Algemene Zaken. </para>
    <para />
    <para>13. De enkele omstandigheid dat in de afspraken niet is omschreven hoe de aansturing door O&amp;P Rijk moet plaatsvinden, maakt niet dat de minister verantwoordelijk is voor alle documenten die O&amp;P Rijk opstelt voor andere overheidsinstellingen binnen het Rijk.</para>
    <para />
    <para>14. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om de getuigen die eiser heeft aangedragen te horen. Hun verklaring is gelet op wat hiervoor al is overwogen niet noodzakelijk voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten<footnote-ref linkend="_12a08204-1f5e-42aa-96cc-03f12cacf722" />.</para>
    <para />
    <para>15. Het beroep is dus ongegrond. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft eiser recht op schadevergoeding gelet op de redelijke termijn?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding gelet op de vertraagde behandeling van zijn beroepszaak.</para>
    <para />
    <para>17. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt. </para>
    <para />
    <para>18. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.</para>
    <para />
    <para>19. De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 23 augustus 2023 tot deze uitspraak twee jaar, drie maanden en dertien dagen zijn verstreken. Dit is een overschrijding van drie maanden en dertien dagen. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500,-.</para>
    <para />
    <para>20. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase minder dan zes maanden heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toe te rekenen aan de rechtbank en de kosten daarvoor komen voor rekening van de Staat.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het Woo-verzoek van eiser kon afwijzen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.</para>
    <para />
    <para>22. De overschrijding van de redelijke termijn is aan de rechtbank toe te rekenen. De Staat moet daarom het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Ook moet de Staat de proceskosten vergoeden die eiser heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze beroepszaak is tegelijktijdig behandeld met de zaken UTR 24/6960 en UTR 24/6941. In die zaken doet de rechtbank ook vandaag uitspraak en heeft de rechtbank bepaald dat de reiskosten van eiser zullen worden vergoed. De rechtbank ziet daarom geen reden om ook in deze beroepszaak proceskosten toe te kennen. Eiser komt niet voor vergoeding van andere proceskosten in aanmerking omdat hij niet is bijgestaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.</para>
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiser;</para>
    <para>- bepaalt dat de Staat aan eiser het betaalde griffierecht bedrag van € 184,- vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2e2c2642-9928-4b63-a66c-bec10a804560" label="1">
    <para> ECLI:NL:RVS:2016:329.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_98ce30ac-7194-42f7-be8e-7487b388af51" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2016:623.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_768c0e24-5a6f-416a-9b65-1476f3d49425" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:658.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12a08204-1f5e-42aa-96cc-03f12cacf722" label="4">
    <para>Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1200.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>