<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5854</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T11:57:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 23/5062</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5854">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5854</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T09:45:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5854 Rechtbank Midden-Nederland , 05-11-2025 / UTR 23/5062</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5854:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek op grond van Wet open overheid terecht afgewezen omdat de informatie waar eiser om vraagt niet berust bij de minister. Beroep ongegrond. Schadevergoeding toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5854:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 23/5062 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">mr. drs. [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Algemene zaken</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie met betrekking tot de vacature [functie] bij de Commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen<emphasis role="italic">.</emphasis> Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft op 25 april 2023 een aanvraag ingediend op grond van de Woo. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft eiser verzocht?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft een Woo-verzoek bij de minister ingediend waarbij hij heeft verzocht om alle documenten, mails, met betrekking tot de vacature [functie] CTIVD, met het nummer [nummer] . Eiser heeft daarbij specifiek verzocht om de volgende informatie: (1) de plaatsing en de verlenging van de vacature; (2) de totstandkoming van en de inhoud van de vacaturetekst; (3) het aantal sollicitanten, het tijdstip waarop deze sollicitanten zijn uitgenodigd, het tijdstip waarop hete sollicitatiegesprek heeft plaatsgehad en het tijdstip waarop de sollicitant is afgewezen; (4) en de stand van zaken van de vacature.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft de minister besloten?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat de informatie geen verband houdt met de publieke taak van de minister. Uit het systeem van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volgt dat de CTIVD een onafhankelijke rol vervult. De enige verantwoordelijkheid die de minister-president jegens de CTIVD vervult ziet op het beheer van de begroting van de CTIVD. De informatie waar eiser om verzoekt, is geen informatie die bestemd is voor de minister-president. Dit is ook niet de bedoeling van de wetgever, aangezien de CTIVD op grond van artikel 1:1, tweede lid, onder h, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang gelezen met artikel 4.1. van de Woo, uitgesloten is van de Woo. Gelet daarop is geen sprake van informatie die valt onder de Woo. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat voert eiser aan in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn Woo-verzoek. Eiser heeft aangevoerd – samengevat weergegeven – dat hij van mening is dat de stukken waar hij om heeft verzocht moeten berusten bij de minister. De medewerkers van het ministerie van Algemene zaken hebben namelijk met eiser contact gehad over de afwijzing van eiser voor de functie van [functie] bij de CTIVD. Over de afspraken tussen CTIVD en de minister is geen inzage gegeven. Het is volgens eiser niet aannemelijk dat de CTIVD verantwoordelijk is voor HR werkzaamheden van het ministerie van Algemene zaken voor de CTIVD. Verder houden de stukken verband met een publieke taak van de minister. Het is ook onjuist dat de wetgever de CTIVD heeft willen uitsluiten van de Woo. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de belangrijkste rechtsvraag?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De belangrijkste vraag die de rechtbank moet beantwoorden in deze zaak is of de minister verantwoordelijk is voor de documenten omtrent de vacature [functie] CTIVD. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Hieronder wordt uitgelegd waarom.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de relevante wet- en regelgeving?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Op basis van artikel 97 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is de CTIVD ingesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 1.1., tweede lid, aanhef en onder h, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat: ‘De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt; de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en haar afdelingen, bedoeld in artikel 97 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 2.2. eerste lid, aanhef en onder a, van de Woo, staat: ‘Deze wet is van toepassing op bestuursorganen.’</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De documenten die eiser heeft opgevraagd zien op een vacature voor de functie van [functie] bij de CTIVD. Deze documenten vallen daarom naar hun aard onder de CTIVD. Daarnaast volgt uit voornoemde wetgeving dat de CTIVD geen bestuursorgaan is, en dat de CTIVD dus niet onder de Woo valt. De Woo is immers alleen van toepassing op bestuursorganen. Uit de voornoemde regelgeving volgt dat het niet de bedoeling is geweest dat de CTIVD onder de Woo zou vallen. De rechtbank ziet niet in waarom de stukken die eiser heeft opgevraagd volgens eiser vallen onder de publieke taak van de minister. Het gaat immers om documenten voor een vacature bij de CTIVD, en niet bij het ministerie van Algemene Zaken. Daar komt bij dat de CTIVD een onafhankelijke commissie is, die niet valt onder de verantwoordelijkheid van de minister.</para>
    <para />
    <para>10. De omstandigheid dat de medewerkers van de personeelsafdeling van het ministerie van Algemene Zaken administratieve ondersteuning bieden bij werving van medewerkers voor de CTIVD, maakt niet dat de stukken die eiser heeft verzocht dan onder de minister behoren te rusten. Het gaat immers over een functie bij de CTIVD. De minister heeft toegelicht dat er over deze samenwerkingsafspraken niet iets op papier is gezet. Daarom kan er ook geen inzage worden gegeven in die afspraken. Deze omstandigheid maakt het oordeel dat de documenten niet behoren te berusten bij de minister niet anders. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank komt tot de conclusie dat de documenten die eiser op grond van de Woo heeft opgevraagd, behoren te berusten bij de CTIVD. Het beroep is dus ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft eiser recht op schadevergoeding gelet op de redelijke termijn?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding gelet op de vertraagde behandeling van zijn beroepszaak.</para>
    <para />
    <para>13. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt. </para>
    <para />
    <para>14. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.</para>
    <para />
    <para>15. De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 2 augustus 2023 tot deze uitspraak twee jaar, drie maanden en drie dagen zijn verstreken. Dit is een overschrijding van drie maanden en drie dagen. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500,-.</para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase minder dan zes maanden heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toe te rekenen aan de rechtbank en de kosten daarvoor komen voor rekening van de Staat.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het Woo-verzoek van eiser kon afwijzen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.</para>
    <para />
    <para>18. De overschrijding van de redelijke termijn is aan de rechtbank toe te rekenen. De Staat moet daarom het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Ook moet de Staat de proceskosten vergoeden die eiser heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. Eiser krijgt zijn reiskosten al vergoed vanwege de gegrondverklaring van zijn beroep in de zaken UTR 24/6960 en UTR 24/6941, die op dezelfde zitting zijn behandeld. De rechtbank ziet daarom geen reden om ook in deze beroepszaak een reiskostenvergoeding toe te kennen. Eiser komt niet voor vergoeding van andere proceskosten in aanmerking omdat hij niet is bijgestaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiser;</para>
    <para>- bepaalt dat de Staat aan eiser het betaalde griffierecht bedrag van € 184,- vergoedt;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 14,61.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>