<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5602</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T11:52:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 25/2577</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025111304</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-2289</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5602">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5602</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T09:33:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5602 Rechtbank Midden-Nederland , 29-08-2025 / AWB 25/2577</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5602:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Afwijzing aanvraag zorgtoeslag. De aanvraag is te laat ingediend. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn die maken dat verweerder had moeten afwijken van de indieningstermijn. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5602:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/2577</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2025 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, </title>
    <para>(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om zorgtoeslag voor het jaar 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 5 november 2024 een aanvraag om zorgtoeslag voor het jaar 2021 ingediend. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag op 13 november 2024 afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 14 november 2024 heeft eiseres een herzieningsverzoek ingediend. Dienst Toeslagen heeft dit verzoek met het primaire besluit van 15 januari 2025 afgewezen. Eiseres kon tot en met 1 september 2022 zorgtoeslag over 2021 aanvragen, maar Dienst Toeslagen heeft de aanvraag pas op 5 november 2024 ontvangen. De aanvraag voor zorgtoeslag 2021 is dus te laat ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiseres is het daarmee oneens. Dienst Toeslagen heeft het door haar ingediende bezwaar met het besluit van 19 maart 2025 ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van Dienst Toeslagen van 19 maart 2025 op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen de aanvraag om zorgtoeslag voor het jaar 2021 terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    <para />
    <para>4. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de aanvraag om zorgtoeslag voor het jaar 2021 te laat is ingediend. De aanvraag is op 5 november 2024 ingediend, terwijl de aanvraag uiterlijk vóór 1 september 2022 had moeten worden gedaan. Eiseres vindt echter dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het te laat indienen van de aanvraag om zorgtoeslag voor het jaar 2021. Er bestond voor haar nog geen reden om de zorgtoeslag aan te vragen, omdat zij de aanslag van het CAK<footnote-ref linkend="_71b93c21-f9c6-4928-aeff-4fa5673cfd2f" /> toen nog niet had ontvangen. Die aanslag ontving zij pas in 2024 en toen kwam pas het belang voor haar om zorgtoeslag voor het jaar 2021 aan te vragen. </para>
    <para />
    <para>5. De vraag is of de omstandigheden die eiseres aanvoert maken dat Dienst Toeslagen had moeten afwijken van de indieningstermijn. De rechtbank vindt van niet. De termijn voor het indienen van een aanvraag staat in de wet.<footnote-ref linkend="_454b67cf-06f7-442b-bc93-c7a393ca49ba" /> De wet is dwingend geformuleerd en geeft Dienst Toeslagen geen ruimte om van deze indieningstermijn af te wijken. Vanwege de dwingende formulering van de wet op dit punt, kan de rechtbank dit ook niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.<footnote-ref linkend="_4cf31ce1-0a41-4937-bcc8-fb0ffc4aed76" /> Dat zou slechts anders zijn als er zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet volledig in de afweging van de wetgever zijn meegenomen en die omstandigheden de toepassing van de wettelijke termijn zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat is hier niet zo. Dat eiseres in haar situatie te laat is geweest met haar aanvraag levert niet zo’n bijzondere omstandigheid op. De wetsgeschiedenis laat namelijk zien dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt voor een harde grens. Daarbij is de wetgever erop bedacht geweest dat de essentie van de dwingend geformuleerde termijnbepaling is dat degenen die niet of niet tijdig hun aanvraag indienen hun rechten verspelen, ook als zij hierdoor financieel of anders worden gedupeerd. Die essentie kan de wetgever niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat hij de gevolgen van toepassing van een dergelijke termijn bepaling heeft bedoeld en voorzien.<footnote-ref linkend="_0af78179-5429-4731-9341-5f6c891b47db" /></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. </para>
    <para />
    <para>7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2025 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_71b93c21-f9c6-4928-aeff-4fa5673cfd2f" label="1">
    <para> Centraal Administratie Kantoor. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_454b67cf-06f7-442b-bc93-c7a393ca49ba" label="2">
    <para> Artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cf31ce1-0a41-4937-bcc8-fb0ffc4aed76" label="3">
    <para> Zoals neergelegd in artikel 3:4 tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 13b, tweede lid, van de Awir.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0af78179-5429-4731-9341-5f6c891b47db" label="4">
    <para> Zie de Memorie van Toelichting op artikel 15, eerste lid, van de Awir, <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2004/2005, 29 764, nr. 3. Zie daarnaast de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin dit ook is geoordeeld, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:RVS:2023:3125.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>