<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5516</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-28T10:03:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/594696 / HA RK 25-103</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PS-Updates.nl 2025-0607</rdf:li>
          <rdf:li>JA 2026/19</rdf:li>
          <rdf:li>VR 2026/42</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5516">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5516</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-25T08:04:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5516 Rechtbank Midden-Nederland , 16-10-2025 / C/16/594696 / HA RK 25-103</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5516:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Een 4-jarige leerling valt tijdens de gymles op school van de zijkant van een glijbaan en komt hard op haar hoofd terecht. De leerling had aan een klasgenootje gevraagd om haar een duwtje geven. Het klasgenootje heeft dat gedaan. In deze zaak wordt vaststelling van aansprakelijkheid van de ouders van het klasgenootje verzocht. De rechtbank wijst de verzoeken af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5516:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Midden-Nederland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: C/16/594696 / HA RK 25-103</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 16 oktober 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiseres] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.G.F. de Graaff-Bosch,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [verweerster sub 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [woonplaats] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[verweerder sub 2]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,<?linebreak?>3. <emphasis role="bold">KLAVERBLAD SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.</emphasis>, </para>
      <para>te Zoetermeer,</para>
      <para>verwerende partijen,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [verweerster sub 1] c.s.,</para>
      <para>advocaat: mr. J. Streefkerk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het verzoekschrift met 9 producties, </para>
      <para>- het verweerschrift met 2 producties, </para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 18 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, </para>
      <para>- de spreekaantekeningen van [eiseres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De beschikking is bepaald op vandaag.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [A (voornaam)] – de dochter van [eiseres] – is op 28 oktober 2019 op 4-jarige leeftijd tijdens de gymles op school van de zijkant van een glijbaan gevallen. [A (voornaam)] zat op de glijbaan en had aan [B (voornaam)] , een klasgenootje van toen ook 4 jaar oud, gevraagd haar een duwtje te geven. Dat heeft [B (voornaam)] gedaan. [A (voornaam)] is daarna van de glijbaan gevallen en hard op haar hoofd terecht gekomen. [A (voornaam)] heeft hierdoor letsel opgelopen: een schedelbreuk en een epidurale bloeding, welke diagnose enkele dagen na de val is gesteld. Ook nu ervaart [A (voornaam)] nog klachten door het ongeval. In deze deelgeschilprocedure verzoekt [eiseres] kort gezegd voor recht te verklaren dat [verweerster sub 1] c.s. (de ouders van [B (voornaam)] ) aansprakelijk is voor de door [A (voornaam)] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Ook verzoekt [eiseres] kort gezegd te verklaren voor recht dat Klaverblad, als aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerster sub 1] c.s., verplicht is de schade die [A (voornaam)] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden. De rechtbank wijst deze verzoeken af. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.   </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De zaak leent zich voor een deelgeschilprocedure</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of [verweerster sub 1] c.s. aansprakelijk is voor de door [A (voornaam)] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het toetsingskader: aansprakelijkheid voor minderjarigen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft de gestelde aansprakelijkheid van [verweerster sub 1] c.s. gegrond op artikel 6:169 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt dat voor schade aan een derde toegebracht door een als een doen te beschouwen gedraging van een kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent aansprakelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Daarnaast stelt de rechtbank voorop dat in dit geval sprake is van een sport- en spelsituatie. Dat [A (voornaam)] het letsel heeft opgelopen tijdens een (verplichte) gymles op school, maakt dit niet anders in het kader van het beoordelen van de eventuele aansprakelijkheid van [verweerster sub 1] c.s. Dat punt zou een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de eventuele aansprakelijkheid van de school, waar het gaat om diens toezichthoudende taak. [verweerster sub 1] c.s staat daarbuiten.</para>
        <para>Over sport- en spelsituaties heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, NJ 1992, 622) overwogen dat de vraag of de deelnemer aan een sport als voetbal onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer letsel is toegebracht minder snel bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in het kader van de sportbeoefening zou hebben plaatsgevonden. Deelnemers aan een sport als voetbal hebben tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, ook als vergelijkbare gedragingen buiten het kader van de sport niet aanvaardbaar zijn. Verder overwoog de Hoge Raad dat het enkele overtreden van de spelregels, waaronder regels ter bevordering van de veiligheid van de speler, niet onrechtmatig is, maar dat overtreding van een spelregel wel een factor is die meeweegt bij de beoordeling van de rechtmatigheid. In latere arresten heeft de Hoge Raad deze lijn (die overigens ook was terug te vinden in zijn arrest van 19 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1456, NJ 1992/621) bevestigd. In zijn arrest van 20 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1239, NJ 2004/238) overwoog de Hoge Raad in dit verband ook dat deelnemers aan het spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede, onvoldoende doordachte handelingen of andere gedragingen waartoe het spel uitlokt van elkaar hebben te verwachten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Inhoudelijke beoordeling: geen aansprakelijkheid van [verweerster sub 1] c.s.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Voor de vraag of [verweerster sub 1] c.s. aansprakelijk is voor de door [A (voornaam)] geleden en nog te lijden schade, moet worden vastgesteld of de gedraging van [B (voornaam)] al dan niet als een onrechtmatige daad aan haar kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en legt dit hierna uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Over de toedracht van het ongeval is het volgende bekend. [eiseres] heeft een rapport van [onderneming] als productie 2 in het geding gebracht. [onderneming] heeft onderzoek gedaan naar (de toedracht van) het ongeval. Op pagina 7 van het rapport is onder “<emphasis role="italic">e. Lezing verzekerde</emphasis>” onder meer het volgende opgenomen: “<emphasis role="italic">[A (voornaam)] bevond zich in het vrije speelgedeelte (op de Klimgim toren) toen zij omstreeks 10:30 uur van de glijbaan viel. Voor zover duidelijk geworden zat zij op de glijbaan en vroeg zij aan X of zij haar wilde duwen. Zij is er toen per ongeluk afgeduwd/gevallen en is toen naast de mat van de glijbaan terechtgekomen. Zij kwam met de achterzijde van het lichaam op de grond/op haar rug/achterhoofd en ging direct huilen. </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">De reden dat [A (voornaam)] na het duwtje van leerling X is gevallen, is naar verwachting van de leerkracht dat zij omkeek terwijl zij het duwtje kreeg. Leerling X bevond zich ten tijde van de door haar gegeven duw op de Klimgim toren.</emphasis>” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De lerares van [A (voornaam)] , [C] , gaf de gymles op 28 oktober 2019 en heeft een verklaring over het voorval opgesteld. [verweerster sub 1] c.s. heeft die verklaring overgelegd als productie 2 bij het verweerschrift. In die verklaring is onder meer het volgende opgenomen: “<emphasis role="italic">Na het ongeval is ook aan de andere kinderen gevraagd wat er gebeurd was. Daaruit bleek dat [A (voornaam)] aan [B (voornaam)] had gevraagd om te duwen en toen heeft [B (voornaam)] geduwd en is [A (voornaam)] opzij gevallen.</emphasis>” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat [A (voornaam)] bovenaan op de Klimgim toren zat en dat [B (voornaam)] zich achter haar bevond. [A (voornaam)] heeft [B (voornaam)] gevraagd haar een duwtje te geven. Dat heeft [B (voornaam)] gedaan. Daarna is [A (voornaam)] van de glijbaan gevallen en is zij op haar hoofd terechtgekomen. Dat is wat de rechtbank uit de beschikbare stukken heeft kunnen opmaken; meer kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank weet bijvoorbeeld niets over de hoogte van de glijbaan. Uit het rapport van [onderneming] volgt dat de glijbaan op een hoogte van waarschijnlijk 80 cm of 110 cm en in het geval dat niet zo zou zijn maximaal 140 cm hing. Ook is onduidelijk of [A (voornaam)] is gevallen door het duwtje van [B (voornaam)] of dat zij is gevallen doordat zij omkeek en daardoor schuin van de glijbaan is gegaan. Daarnaast blijkt uit het dossier ook niets over de hardheid van het duwtje van [B (voornaam)] . Het enige dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld is dat [B (voornaam)] een duwtje heeft gegeven. [verweerster sub 1] c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling hierover verklaard dat [B (voornaam)] na het voorval, op dezelfde dag, heeft verteld dat zij [A (voornaam)] – op verzoek van [A (voornaam)] – een duwtje heeft gegeven en dat [A (voornaam)] is gevallen van de glijbaan. Meer heeft [B (voornaam)] na het voorval niet verklaard over wat er precies is gebeurd. Dat [A (voornaam)] aan [eiseres] heeft verteld dat de duw van [B (voornaam)] hard was, blijkt nergens uit en is dus niet vast komen te staan. Het is dus niet  gebleken dat [B (voornaam)] [A (voornaam)] zo hard van de glijbaan heeft geduwd dat dit handelen als onvoorzichtig moet worden aangemerkt, laat staan dat dit onrechtmatig zou zijn. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat als [B (voornaam)] ouder zou zijn dan 14 jaar, dat dan de conclusie zou moeten worden getrokken dat haar handelen als een onrechtmatige daad aan haar zou kunnen worden toegerekend. [verweerster sub 1] c.s. is daarom niet aansprakelijk op grond van artikel 6:169 lid 1 BW. Het was dus een gedraging, van [B (voornaam)] , die bij sport en spel kan voorkomen, zonder dat daardoor enige aansprakelijkheid van (de ouders van) in dit geval de duwer ontstaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] nog aangevoerd, aanvullend op het verzoekschrift, dat de onrechtmatigheid van de gedraging van [B (voornaam)] er ook in ligt dat [B (voornaam)] een oogpleister droeg en daardoor onvoldoende kon zien. Uit de verklaring van de juffrouw blijkt met stelligheid dat [B (voornaam)] haar oogpleister bij de gymles altijd afdeed en die dan op het bureau van de juffrouw legde. Deze aanvullende grondslag kan, zonder verdere feitelijke onderbouwing, die ontbreekt, niet tot een andere conclusie leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Omdat de aansprakelijkheid van [verweerster sub 1] c.s. niet vast is komen te staan, worden de verzoeken van [eiseres] afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 2.795,10 inclusief btw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>
        [eiseres] maakt aanspraak op € 2.795,10 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 90,-. Uit de door [eiseres] overgelegde productie 9 volgt dat mr. De Graaff-Bosch 8 uur en 24 minuten heeft besteed aan deze zaak. [verweerster sub 1] c.s. voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is. Voor het opstellen van het onderhavige verzoekschrift, inclusief de daarbij horende verrichtingen zoals voorbereiding en correspondentie, had niet meer dan 4 uur moeten woren genoteerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het aantal bestede uren niet onredelijk is, gelet op de complexiteit en omvang van dit dossier en de ervaring van de advocaat. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 8:24 uren × € 275,- exclusief btw, dus op € 2.795,10 inclusief btw te vermeerderen met het door [eiseres] betaalde griffierecht van € 90,-. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en [verweerster sub 1] c.s. niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door [verweerster sub 1] c.s. te worden betaald, als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.795,10 inclusief btw te vermeerderen met het door [eiseres] betaalde griffierecht van € 90,-, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken door mr. S.H. Gaertman op 16 oktober 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>WM (5442)</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>