<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:5260</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-22T11:12:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/2528</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5260">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5260</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-22T10:44:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:5260 Rechtbank Midden-Nederland , 05-06-2025 / 25/2528</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5260:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>afwijzing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:5260:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/2528 en 25/2688</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2025 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster</title>
    <para>(gemachtigde: mr. S.D. Kurz),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht, de burgemeester</title>
    <para>(gemachtigden: mr. S. Ralovic en mr. L. John).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze procedure beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken van verzoekster om een voorlopige voorziening tegen de last onder bestuursdwang (zaaknummer 25/2688) en de weigering van de aanvraag om de heer [A] ( [A] ) als leidinggevende bij te schrijven op het aanhangsel bij de alcoholwetvergunning (zaaknummer 25/2528). </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de burgemeester aan verzoekster een last onder bestuursdwang tot schorsing van de vergunningen opgelegd. De last houdt in dat de aan verzoekster verleende vergunningen bij een volgende geconstateerde overtreding voor een periode van zes weken worden geschorst. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 17 maart 2025 heeft de burgemeester de aanvraag van eiseres om bijschrijving van [A] als leidinggevende op het aanhangsel van de alcoholwetvergunning geweigerd vanwege slecht levensgedrag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verzoekster heeft bij de burgemeester bezwaar gemaakt tegen zowel de last onder bestuursdwang als de weigering tot bijschrijving van [A] als leidinggevende op het aanhangsel van de alcoholwetvergunning en heeft de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De burgemeester heeft op de verzoeken gereageerd met verweerschriften. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft de verzoeken tegelijk op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet. </para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Allereerst ligt dus de vraag voor of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij schorsing van de bestreden besluiten. Concreet betekent dit dat van verzoekster niet gevergd kan worden dat zij de beslissingen op de bezwaarschriften afwacht. Daarvan kan sprake zijn als er door de werking van de besluiten een feitelijke of juridische situatie zou ontstaan die onomkeerbare gevolgen zou hebben. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een financieel belang op zich geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.</para>
    <para />
    <para>4. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorzieningen gelet op het volgende. Voor het voortbestaan van de bar is het van belang dat [A] als leidinggevende op het aanhangsel van de alcoholwetvergunning wordt bijgeschreven, zodat hij tijdens openingstijden geheel zelfstandig een bardienst kan draaien zonder dat dit bij constatering van de burgemeester leidt tot zes weken schorsing van de vergunningen en sluiting van de bar. Een dergelijke schorsing en sluiting heeft namelijk faillissement tot gevolg. Verder is het voor zowel [A] als verzoekster van essentieel financieel belang dat [A] als leidinggevende zelfstandig bardiensten kan draaien bij de bar. Alleen op deze wijze kan op personeelskosten worden bespaard waardoor de bar op bedrijfseconomische verantwoorde wijze kan worden geëxploiteerd. Tijdens de zitting heeft verzoekster aangevoerd en toegelicht dat de op het aanhangsel bijgeschreven leidinggevenden beperkt inzetbaar zijn: mevrouw [B] is uit de roulatie wegens ziekte, mevrouw [C] gaat stoppen en de heer [D] is voor langere tijd op vakantie waardoor het moeilijk is om ervoor te zorgen dat er in de zomerperiode altijd iemand aanwezig is in de bar die staat bijgeschreven als leidinggevende op het aanhangsel bij de alcoholwetvergunning. Verzoekster heeft daarom tijdens de zitting haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij de voorzieningenrechter verzoekt te bepalen dat de burgemeester [A] aanmerkt als bijgeschreven leidinggevende op het aanhangsel totdat op de bezwaren is beslist.</para>
    <para />
    <para>5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het door verzoekster gestelde belang worden aangemerkt als een louter financieel belang. Verzoekster heeft geen enkele financiële onderbouwing gegeven, waardoor er geen inzicht in de financiële situatie van de bar is. Hierdoor is ook geen inzicht verkregen in de financiële gevolgen die een (eventuele) sluiting van de bar van zes weken tot gevolg heeft. Ook heeft verzoekster geen inzicht gegeven in het bar rooster, zoals wie en wanneer beschikbaar is als leidinggevende. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat er een financiële noodsituatie dreigt en dat betekent dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij merkt de voorzieningenrenrechter op dat de burgemeester tijdens de zitting heeft toegelicht dat de beslissing op bezwaar ongeveer vier weken na de hoorzitting van 7 juni 2025 wordt genomen. Ook gelet daarop, ziet de voorzieningenrechter niet dat verzoekster op dit moment een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter.</para>
    <para />
    <para>6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Verder is er geen sprake van een situatie waarin voor de voorzieningenrechter op voorhand duidelijk is dat de bestreden besluiten evident onrechtmatig zijn. Gezien de gronden van de verzoeken en de bezwaren in relatie tot de motivering van de bestreden besluiten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er meer onderzoek nodig is om een oordeel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten te kunnen geven. Deze spoedprocedure leent zich daar niet voor.</para>
    <para />
    <para>7. Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en dat de bestreden besluiten ook niet evident onrechtmatig zijn. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af.</para>
    <para />
    <para>8. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken afwijst, krijgt verzoekster het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>