<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:4678</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-11T12:27:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/5478</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4678">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4678</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-11T12:23:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:4678 Rechtbank Midden-Nederland , 25-08-2025 / UTR 24/5478</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4678:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wabo. Weigering omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan voor tijdelijke perifere detailhandel. Uit de aanvraag volgt niet dat het gebruik voldoet aan het detailhandelsbeleid, terwijl dit bij de vorige aanvraag wel het geval was. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning kunnen weigeren. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4678:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 24/5478 </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2025 op het beroep in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C. Pasteuning),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats]</emphasis> (het college), verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van tijdelijke perifere detailhandel aan de [adres 1] op het bedrijventerrein [bedrijventerrein] in [plaats] . Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gemeentelijke en provinciale detailhandelsbeleid en het gelijkheids-, vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van deze beroepsgronden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Uit de aanvraag volgt niet dat het gebruik voldoet aan een van de uitzonderingen in het detailhandelsbeleid, dan wel dat er aanleiding bestond om daarvan af te wijken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [adres 1] in [plaats] gelegen op het bedrijventerrein [bedrijventerrein] . Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor tijdelijke perifere detailhandel in de bestaande units van het bedrijfsgebouw en het bouwen van een binnenwand, waarmee een extra unit wordt gerealiseerd voor sport/leisure met ondersteunende horeca. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het college heeft de aanvraag met het besluit van 19 december 2023 afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft eiseres de aanvraag gewijzigd in de zin dat deze niet langer betrekking heeft op leisure en het plaatsen van een binnenwand. Met het besluit van 5 juli 2024 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college onder aanvulling van de motivering bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op een zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet op de zitting verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Overgangsrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing.<footnote-ref linkend="_c69a138a-15a4-4d42-8f0e-a48a33c26464" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bestemmingsplan en het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het perceel van eiseres valt onder het bestemmingsplan ‘bedrijventerrein e.o. en snelwegen’. Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein-1’, de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone- zones Wet milieubeheer 3.2’. Perifere detailhandel op het bedrijventerrein [bedrijventerrein] is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘dhp’.<footnote-ref linkend="_63294c15-7f4e-4f21-9956-4f3d9d7cd89a" /> Het bestemmingsplan bevat de volgende definitie van perifere detailhandel: ‘<emphasis role="italic">Branches van detailhandel die zich buiten de aangewezen detailhandelslocaties mogen vestigen vanwege de aard of omvang van de artikelen (zoals auto’s, bouwmarkt, keukens, woninginrichting)’.</emphasis><footnote-ref linkend="_4915140a-7062-4c63-b5e0-205ad7612558" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het perceel van eiseres heeft geen aanduiding ‘dhp’. Dat betekent dat perifere detailhandel in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom beoordeeld of hij met de zogenoemde kruimelgevallenregeling van het bestemmingsplan wil afwijken ten behoeve van de aanvraag van eiseres.<footnote-ref linkend="_4c747d3a-6752-4605-8204-2659eed32a02" /> Dat wil het college niet, omdat het aangevraagde gebruik volgens het college niet in overeenstemming is met de Omgevingsverordening provincie Utrecht en de Nota Detailhandel 2021. Het aantal vierkante meters detailhandel buiten bestaand winkelgebied neemt met de aanvraag namelijk toe. Daarnaast wil het college geen medewerking verlenen aan functiemenging op het bedrijventerrein vanwege schaarste aan bedrijfsruimten. Om deze redenen heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordelingskader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.<footnote-ref linkend="_e2b1e839-9044-49b2-8d92-dc84856270b7" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Detailhandelsbeleid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat de aanvraag in overeenstemming is met het provinciale detailhandelsbeleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening provincie Utrecht, en de Nota Detailhandel 2021, omdat de aard en omvang van de detailhandel, vanwege het tijdelijke karakter, geen negatieve gevolgen heeft voor detailhandel op locaties binnen bestaand winkelgebied.<footnote-ref linkend="_de5b770a-e144-493e-954f-598ef54944be" /> Ook leidt tijdelijke perifere detailhandel volgens eiseres tot meer functiemenging op het bedrijventerrein wat volgens eiseres in overeenstemming is met de Omgevingsvisie 2030-2040 en de Visie Werklocaties 2030.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat de Omgevingsverordening provincie Utrecht een instructieregel bevat voor het omgevingsplan. De instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen detailhandel buiten bestaand winkelgebied geen regels bevat die voorzien in nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel, tenzij een van de uitzonderingen onder a t/m g van toepassing is.<footnote-ref linkend="_136232b0-f024-4145-bad1-103c6da3293b" /> De Nota Detailhandel 2021 sluit hierop aan. Op de zitting heeft het college aangegeven dat hij de instructieregel heeft betrokken bij de ruimtelijke onderbouwing van het bestreden besluit, dus of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het bestreden besluit heeft het college gemotiveerd dat de aanvraag in strijd is met het uitgangspunt van de provincie, zoals neergelegd in de instructieregel, en daarmee ook met de Nota Detailhandel 2021, omdat met de aanvraag oppervlakte perifere detailhandel aan bestaande oppervlakte perifere detailhandel wordt toegevoegd. Eiseres wil het bedrijfsgebouw namelijk verhuren aan een ondernemer die nu niet in [plaats] is gevestigd. De aanvraag is daarmee niet oppervlakte neutraal. Dit leidt volgens het college tot negatieve effecten op bestaande winkelgebieden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat uit de aanvraag niet blijkt dat sprake is van detailhandel dat geen negatieve invloed heeft op detailhandel binnen bestaand winkelgebied. Uit de aanvraag volgt namelijk niet welk detailhandelsbedrijf zich in het bedrijfsgebouw van eiseres zal vestigen en voor welke periode. Gelet op de algemeen geformuleerde aanvraag, had het college kunnen besluiten om deze - na het bieden van een hersteltermijn- buiten behandeling te laten.<footnote-ref linkend="_efd90972-1434-4609-ac2d-7b9f97b13d8e" /> Het college heeft dit niet gedaan en de rechtbank volgt dat. Als professionele partij had eiseres redelijkerwijs kunnen en moeten weten dat het college informatie over het detailhandelsbedrijf dat zich in het bedrijfsgebouw gaat vestigen en voor welke periode nodig had om de aanvraag te toetsen aan zijn beleid. Uit de overwegingen in het bestreden besluit en de toelichting van het college op de zitting blijkt dat eiseres op de hoorzitting in bezwaar is gevraagd om een nadere concretisering van de aanvraag op deze punten. Omdat eisers de aanvraag niet heeft verduidelijkt, is de rechtbank van oordeel dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren, zij het op een andere grond dan het college heeft gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Dat detailhandel kan leiden tot functiemenging op het bedrijventerrein, wat volgens eiseres een van de doelstellingen van de Omgevingsvisie 2030-2040 en de Visie Werklocaties 2030 is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank stelt vast dat het college de aanvraag niet aan de Visie Werklocaties 2030 heeft kunnen toetsen, om dezelfde reden waarom het college de aanvraag niet aan de uitzonderingen in het provinciale detailhandelsbeleid heeft kunnen toetsen. De aanvraag is daarvoor niet concreet genoeg. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Evenredigheidsbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Voor zover de aanvraag in strijd met de Nota Detailhandel 2021 is, voert eiseres aan dat het college aanleiding had moeten zien om daarvan af te wijken. Toepassing van het beleid is voor eiseres economisch nadelig, omdat een huurder behoorlijk moet investeren om het bedrijfsgebouw als bedrijfsruimte te kunnen gebruiken, terwijl dat bij gebruik ten behoeve van perifere detailhandel niet het geval is. Het bestreden besluit staat daarom niet in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Ook heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met de toekomstige herontwikkeling van het bedrijventerrein.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat het college overeenkomstig het eigen beleid moet handelen.<footnote-ref linkend="_b3fb3219-5103-4d83-81bc-3896394b0f3d" /> Het college mag alleen van het eigen beleid afwijken als de toepassing daarvan voor eiseres gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.<footnote-ref linkend="_25612aee-a589-479a-add9-a9480d395d67" /> De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan het college van het beleid had moeten afwijken, nog daargelaten dat de aanvraag te algemeen is om aan de uitzonderingen in het beleid te toetsen. Eiseres heeft haar stelling dat toepassing van het beleid voor haar economisch nadelig is niet met gegevens onderbouwd. Ook neemt de rechtbank in overweging dat op het perceel van eiseres bedrijven tot en met milieucategorie 3.2. zijn toegestaan, waardoor er voldoende mogelijkheden zijn om het bedrijfsgebouw volgens het bestemmingsplan te gebruiken. De rechtbank is daarom niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Dat detailhandel van een andere locatie mogelijk wordt verplaatst naar het bedrijfsgebouw van eiseres, zoals het college op de hoorzitting heeft toegelicht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het college de gevraagde omgevingsvergunning om die reden had moeten verlenen. Hetzelfde geldt voor de overige plannen met betrekking tot de herinrichting van het bedrijventerrein en de toekomstige sloop en nieuwbouw op het perceel van eiseres. Het college moet de aanvraag immers beoordelen aan de hand van wet- en regelgeving geldend op het tijdstip van de aanvraag. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Gelijkheidsbeginsel </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat het college wél (tijdelijke) perifere detailhandel heeft toegestaan aan de [adres 2] ( [A] ), [adres 3] ( [B] ), [adres 4] ( [C] ) en [adres 5] ( [D] ), gelegen op hetzelfde bedrijventerrein als het bedrijfsgebouw van eiseres. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het college een eenmalig gemaakte fout niet hoeft te herhalen gaat hier volgens eiseres niet op, omdat uit de aangehaalde gevallen blijkt dat college inconsistent handelt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de [straat 1] is gelegen op hetzelfde bedrijventerrein als het bedrijfsgebouw van eiseres en onder hetzelfde bestemmingsplan valt. De [adres 2] wordt gebruikt als reparatiebedrijf. Omdat een reparatiebedrijf planologisch is toegestaan, is dit geen gelijk geval. Ook de detailhandel aan de [adres 6] is geen gelijk geval. De reden daarvan is dat een ambtenaar van het college een toezegging heeft gedaan dat het bestaand gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. Een dergelijke toezegging is aan eiseres niet gedaan. Ten behoeve van detailhandel aan de [adres 7] is oppervlakte perifere detailhandel aan de [straat 2] in [plaats] ingeleverd. Van een dergelijke verplaatsing van detailhandel is met de aanvraag van eiseres niet gebleken. Om deze reden is ook hier geen sprake van een gelijk geval. Dat geldt ook voor het bedrijf aan de [adres 5] , waarvoor het college op 8 maart 2017 een omgevingsvergunning heeft verleend. Ten tijde van de aanvraag voor de [adres 5] had het college te maken met de nasleep van leegstand op het bedrijventerrein, waardoor de beleidskaders anders waren dan op het moment van de aanvraag van eiseres. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er geen sprake is van een gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vertrouwensbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat het college op 27 mei 2021 wél een omgevingsvergunning aan haar heeft verleend voor tijdelijke perifere detailhandel aan de [adres 1] . Eiseres begrijpt daarom niet waarom het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft geweigerd. Naar de rechtbank begrijpt, doet eiseres hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>De rechtbank stelt tot slot vast dat het college op 27 mei 2021 aan eiseres een omgevingsvergunning heeft verleend voor perifere detailhandel voor een periode van twee jaar, derhalve tot 26 mei 2023. De rechtbank is van oordeel dat er een wezenlijk verschil is tussen de huidige aanvraag en de aanvraag van eiseres van vier jaar geleden. De aanvraag die heeft geleid tot het besluit van 27 mei 2021 voldeed aan het detailhandelsbeleid, omdat sprake was van oppervlakte neutrale verplaatsing. De aanvraag zag op de tijdelijke verplaatsing van de [winkel 1] en [winkel 2] naar het bedrijfsgebouw van eiseres, omdat deze winkels op de oorspronkelijke locatie werden verbouwd. Er kwamen dus geen extra vierkante meters detailhandel bij. Daarvan is met de nieuwe aanvraag niet gebleken, zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak heeft geoordeeld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor tijdelijke perifere detailhandel heeft kunnen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c69a138a-15a4-4d42-8f0e-a48a33c26464" label="1">
    <para> Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_63294c15-7f4e-4f21-9956-4f3d9d7cd89a" label="2">
    <para> Artikel 5.1, aanhef en onder i, van de planregels. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4915140a-7062-4c63-b5e0-205ad7612558" label="3">
    <para> Artikel 1.83 van de planregels. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c747d3a-6752-4605-8204-2659eed32a02" label="4">
    <para> Artikel 4, lid 9, van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht jo. artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2b1e839-9044-49b2-8d92-dc84856270b7" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1808.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de5b770a-e144-493e-954f-598ef54944be" label="6">
    <para> Artikel 9.20, sub g, van de Omgevingsverordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_136232b0-f024-4145-bad1-103c6da3293b" label="7">
    <para> Artikel 9.20 van de Omgevingsverordening. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_efd90972-1434-4609-ac2d-7b9f97b13d8e" label="8">
    <para> Op grond van artikel 4:5 en 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3fb3219-5103-4d83-81bc-3896394b0f3d" label="9">
    <para> Artikel 4:84 van de Awb.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_25612aee-a589-479a-add9-a9480d395d67" label="10">
    <para> Artikel 4:84 en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>