<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:4667</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-23T09:02:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/3223</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4667">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4667</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-23T09:02:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:4667 Rechtbank Midden-Nederland , 04-07-2025 / 25/3223</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4667:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4667:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 25/3223</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van de gemeente Zeist, de burgemeester</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. K.V. van de Brug-van Ewijk en mr. B.M. de Boer).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze procedure beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van de aan hem verleende exploitatie- en Alcoholwetvergunning. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 22 mei 2025 (het primaire besluit) heeft de burgemeester de exploitatie- en Alcoholwetvergunning ingetrokken met ingang van twee weken na de datum van verzending van dit besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De burgemeester is bereid om de gevolgen van het primaire besluit op te schorten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 juni 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en M. Bosma, beleidsadviseur bij de gemeente Zeist. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat ging aan deze zaak vooraf? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 6 oktober 2022 is aan verzoeker een exploitatie- en Alcoholwetvergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf [horecagelegenheid] aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is bestuurder van [bedrijf] BV, die enig aandeelhouder is van het horecabedrijf [horecagelegenheid] B.V. </para>
    <para />
    <para>3. Op 23 april 2025 heeft de burgemeester verzoeker geïnformeerd over het voornemen tot het intrekken van de exploitatie- en Alcoholwetvergunning. De burgemeester heeft dit voornemen vanwege het vermoeden dat verzoeker van slecht levensgedrag is. Dat vermoeden is gebaseerd op een strafbeschikking en een FIOD-onderzoek.</para>
    <para />
    <para>4. Verzoeker heeft op 2 mei 2025 per e-mail zijn zienswijze op het voornemen naar voren gebracht. Dat heeft niet geleid tot een wijziging van het voornemen tot het intrekken van de exploitatie- en Alcoholwetvergunning. De burgemeester heeft dan ook met het besluit van 22 mei 2025 de exploitatie- en Alcoholwetvergunning van verzoeker ingetrokken. </para>
    <para />
    <para>5. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en vraagt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Hij wil dat het primaire besluit wordt geschorst totdat er een beslissing is genomen op zijn bezwaar. Ook verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter om de burgemeester te verbieden de intrekking openbaar te maken of aan derden te communiceren, vanwege het risico op onherstelbare reputatieschade. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling door de voorzieningenrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Spoedeisend belang </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Allereerst ligt dus de vraag voor of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij schorsing van het primaire besluit. Concreet betekent dit dat van verzoeker niet gevergd kan worden dat hij de beslissing op zijn bezwaar afwacht. Daarvan kan sprake zijn als er door de werking van het besluit een feitelijke of juridische situatie zou ontstaan die onomkeerbare gevolgen zou hebben. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een financieel belang op zich geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.</para>
    <para />
    <para>8. Verzoeker stelt dat zijn onderneming failliet gaat door de intrekking van de vergunningen, omdat dit feitelijk sluiting van het horecabedrijf [horecagelegenheid] betekent. Het horecabedrijf kan het financieel niet uithouden tot aan de beslissing op bezwaar. Ook leidt de publicatie van de beschuldigingen tot reputatieschade. Verder heeft de intrekking een maatschappelijke impact, omdat de [horecagelegenheid] geen werkgelegenheid en ook geen sociale activiteiten meer kan bieden zoals het aanbieden van gratis maaltijden voor kwetsbaren. </para>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat de continuïteit van [horecagelegenheid] wordt bedreigd. Het besluit komt feitelijk neer op een sluiting van het horecabedrijf. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het nog enige tijd zal duren voordat de bezwaarschriftencommissie advies zal uitbrengen en op het bezwaar zal worden beslist. Op de zitting heeft de burgemeester aangegeven dat naar verwachting in september van dit jaar een beslissing op het bezwaar wordt genomen en heeft de burgemeester erkend dat verzoeker een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom inhoudelijk beoordelen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Intrekking van de vergunningen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Verzoeker bestrijdt het besluit. Volgens verzoeker is het besluit op feitelijke onjuistheden en onterechte aannames gebaseerd. Zo is de strafbeschikking nog niet onherroepelijk omdat verzoeker daartegen in verzet is gegaan en de zaak binnenkort op een zitting bij de strafrechter zal worden behandeld. Verder heeft de burgemeester het vermeende witwassen niet onderbouwd met concrete transacties of bewijzen. Op de zitting heeft verzoeker aangevoerd dat hij alle transacties waarnaar de FIOD onderzoek heeft gedaan kan verklaren. Ook is er volgens verzoeker geen bewijs voor de stelling dat verzoeker feitelijk leiding zou blijven geven, omdat hij het bedrijf overdraagt aan mevrouw [A] . Daarbij is volgens hem geen sprake van een schijnbeheerconstructie, maar van een normale praktijk bij bedrijfsoverdrachten. Verzoeker voert verder aan dat het besluit een discriminatoire ondertoon heeft en hij heeft het idee dat de gemeente extra streng oordeelt over Marokkaanse ondernemers. </para>
    <para />
    <para>11. Op grond van artikel 2:28a, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening Zeist 2025 (APV) en artikel 8, eerste lid van de Alcoholwet moet een leidinggevende van een horeca-inrichting niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. </para>
    <para />
    <para>12. Artikel 1:8, eerste lid onder b van de APV bepaalt dat de burgemeester de exploitatievergunning kan intrekken na het verlenen van de vergunning de omstandigheden veranderen of nieuwe inzichten optreden waardoor intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist. </para>
    <para />
    <para>13. Op grond van artikel 2:28e van de APV kan de burgemeester als aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 van de APV de vergunning intrekken als de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden. </para>
    <para />
    <para>14. Artikel 31 eerste lid onder sub b van de Alcoholwet bepaalt dat de burgemeester een Alcoholwetvergunning intrekt als niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8 Alcoholwet geldende eisen. </para>
    <para />
    <para>15. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_173bba94-3ad3-426e-9737-4b6e50371ae6" /> is de intrekkingsgrond dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn bedoeld om het belang voor het waarborgen van de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting te waarborgen. Bij de invulling van de eis over het levensgedrag komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Wanneer aan een exploitant of beheerder van een horeca-inrichting wordt tegengeworpen dat hij in enig opzicht van slecht levensgedrag is, moet dit per geval door de burgemeester worden gemotiveerd. Van geval tot geval zal verschillen welke feiten en/of omstandigheden aanleiding geven tot tegenwerping van het levensgedrag. Het moet gaan om feiten die relevant zijn voor de exploitatie van de inrichting. Die feiten en omstandigheden moeten verband houden met de vraag of de inrichting kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat.<footnote-ref linkend="_56f35178-e594-4a53-adad-bbea30336b78" /></para>
    <para />
    <para>16. Intrekking van de vergunningen is een voor verzoeker belastend besluit, waarbij op de burgemeester een zware bewijslast rust. De burgemeester mag voor zijn besluit in beginsel afgaan op de juistheid van de feiten en de bevindingen in de op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage van de politie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rechtmatigheidsoordeel </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat verzoeker van slecht levensgedrag is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in de huidige stand van zaken de intrekking van de vergunningen gerechtvaardigd. De combinatie van de strafbeschikking vanwege valsheid in geschrifte en het onjuist doen van aangifte en het feit dat er een onderzoek loopt naar verschillende transacties van verzoeker in het kader van mogelijke witwaspraktijken is daarvoor voldoende. </para>
    <para />
    <para>18. Uit de justitiële documentatie blijkt dat verzoeker driemaal veroordeeld is, onder andere op 14 november 2022 wegens valsheid in geschrifte. </para>
    <para />
    <para>19. Zo blijkt uit de bevindingen in de bestuurlijke rapportage van 14 februari 2024 onder meer dat er meerder FIU-meldingen zijn gedaan door instanties over transacties waarbij zij aanleiding zien om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of het financieren van terrorisme. Uit het onderzoek is gebleken dat de gelden en het doel van de transacties onvoldoende plausibel kan worden beoordeeld. Verzoeker heeft (geen) enkele verklaringen gegeven op de vragen omtrent deze transacties. </para>
    <para />
    <para>20. Uit de aangevraagde screening door de burgemeester van de horeca aanvraag van 3 december 2024 bij de politie blijkt dat verzoeker twee antecedenten op zijn naam heeft staan. Het gaat om eenvoudige mishandeling die is geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs en een poging zware mishandeling en eenvoudige mishandeling waarvoor hij beide is vrijgesproken. Verder volgt hieruit dat verzoeker op 27 november 2023 is aangehouden door de FIOD, omdat er sprake was van verdenking van valsheid in geschrifte. </para>
    <para />
    <para>21. Verzoeker heeft op de zitting aangegeven dat hij voor alle transacties een verklaring heeft en stukken kan overleggen waaruit blijkt dat geen sprake is van witwassen. Dat doet niet af aan de beoordeling door de voorzieningenrechter. Verzoeker heeft vanaf 18 juli 2024 tot nu toe de mogelijkheid gehad om een verklaring te geven aan zijn bank en de FIOD. Dat heeft verzoeker niet gedaan, terwijl dat wel de juiste route zou zijn geweest. Het is niet aan de burgemeester om nu feitelijk het onderzoek van de FIOD over te doen. In het geval dat verzoeker in zijn beroep tegen de strafbeschikking gelijk krijgt en de FIOD ervan weet te overtuigen dat er geen sprake is van witwassen kan verzoeker opnieuw een aanvraag doen voor het krijgen van een exploitatie- en Alcoholwetvergunning. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het onderzoek door de FIOD en de aan verzoeker opgelegde strafbeschikking, geen aanleiding om het standpunt van de burgemeester voor onjuist te houden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Belangenafweging </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>22. Verzoeker voert aan dat de intrekking van de vergunningen in zijn geval onevenredig is. </para>
    <para />
    <para>23. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat bij het nemen van het besluit een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen het individuele belang van verzoeker en het algemeen belang dat is gemoeid met de naleving van de regels uit de Alcoholwet en de APV en het waarborgen van de openbare orde en veiligheid. Daarbij vindt de burgemeester van belang dat verzoeker heeft laten zien dat hij dit niet (altijd) doet en het daarbij niet om geringe feiten gaat. Ook vindt de burgemeester dat verzoeker kon weten dat de vergunningen zouden worden ingetrokken als verzoeker niet aan de eisen over het levensgedrag zou voldoen. De genoemde publieke belangen wegen zwaarder dan het individuele belang van verzoeker bij het voortzetten van de exploitatie. </para>
    <para />
    <para>24. De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van de vergunningen in dit geval niet onevenredig is. De burgemeester heeft zwaar mogen laten wegen dat verzoeker als exploitant en eigenaar van een horecabedrijf van goed levensgedrag moet zijn. Verzoeker moet ervoor zorgen dat de regels worden nageleefd. Gelet op de bevindingen uit de bestuurlijke rapportages, de strafbeschikking en het FIOD onderzoek, heeft verzoeker dit niet gedaan. </para>
    <para />
    <para>25. Voor het geval er in de stand van zaken met betrekking tot de strafbeschikking en het FIOD-onderzoek iets wijzigt in de tussentijd tot de beslissing op bezwaar wordt genomen, moet die wijziging bij de beslissing op bezwaar worden meegewogen.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>26. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_173bba94-3ad3-426e-9737-4b6e50371ae6" label="1">
    <para> Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493 en 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4753.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56f35178-e594-4a53-adad-bbea30336b78" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1465, overweging 11.1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>