<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:4451</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-02T12:59:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/4827</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4451">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4451</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-02T12:58:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:4451 Rechtbank Midden-Nederland , 03-06-2025 / UTR 24/4827</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4451:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wvw, ongeldig verklaren rijbewijs omdat eiser niet heeft meegewerkt aan onderzoek naar alcoholgebruik, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4451:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 24/4827 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: P.A. Leerentveld).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>1. Op 25 november 2023 is eiser aangehouden vanwege rijden onder invloed van alcohol<footnote-ref linkend="_e8a7c032-8f95-4454-a24f-f93674f6ca19" />. Om die reden heeft het CBR bij besluit van 3 januari 2024 eiser een onderzoek opgelegd naar zijn alcoholgebruik en zijn rijbewijs tot de uitslag van het onderzoek geschorst.<footnote-ref linkend="_c4089e95-d465-41bf-ba72-08e7b02d7d71" /> Voor de opleggingskosten van € 470,- en de uitvoeringskosten van € 954,-- heeft eiser een factuur ontvangen met een betalingstermijn tot uiterlijk 7 februari 2024. Op 24 januari 2024 heeft het CBR een betalingsherinnering gestuurd. </para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 13 februari 2024 heeft het CBR het rijbewijs van eiser vanaf 20 februari 2024 ongeldig verklaard<footnote-ref linkend="_f8721481-adb1-4f7c-a4cd-50b58ed84f15" />, omdat hij niet heeft meegewerkt<footnote-ref linkend="_7f3a3e50-9776-4f85-adbc-014255c3802f" /> aan het onderzoek naar zijn alcoholgebruik. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft op 8 maart 2024 bezwaar gemaakt. Het CBR heeft het bezwaar gericht geacht tegen het besluit van 13 februari 2024 en telefonisch en per post contact gezocht met eiser om zijn bezwaar te bespreken. Eiser heeft hierop niet gereageerd. </para>
    <para />
    <para>4. Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het CBR bij de ongeldig verklaring van het rijbewijs gebleven.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van het CBR is op de zitting verschenen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.  </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>7. Eiser heeft in beroep – kort gezegd – aangevoerd dat hij op 25 november 2023 niet heeft gereden in de auto, dat hij zijn verklaring bij de politie onder druk heeft afgelegd en dat hij al achttien jaar zijn rijbewijs heeft en nooit met alcohol op zou rijden. Nu zit hij zonder gegrond bewijs al zes maanden zonder rijbewijs.</para>
    <para />
    <para>8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank overweegt en oordeelt daartoe als volgt. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank stelt vast dat eiser geen specifieke gronden heeft gericht tegen het bestreden besluit, waarin het bezwaar tegen het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs ongegrond is verklaard. Aan het ongeldig verklaren van het rijbewijs heeft het CBR ten grondslag gelegd dat eiser niet de vereiste medewerking heeft verleend, omdat hij het onderzoek naar zijn alcoholgebruik niet heeft uitgevoerd en de kosten niet heeft betaald. Eiser heeft niet gesteld en uit het dossier is ook niet gebleken dat het CBR ten tijde van het bestreden besluit niet tot deze ongeldig verklaring mocht komen. </para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de beroepsgronden van eiser zien op zijn aanhouding op 25 november 2023, de vaststelling dat hij op dat moment teveel alcohol heeft gedronken om te mogen rijden en de oplegging van het onderzoek en de schorsing van zijn rijbewijs als gevolg daarvan. Dit heeft het CBR bepaald in het besluit van 3 januari 2024. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt. Het besluit van 3 januari 2024 staat in rechte vast.</para>
    <para />
    <para>11. Het CBR heeft er in beroep op gewezen dat zij het bezwaar van eiser mogelijk abusievelijk niet heeft opgevat als gericht het besluit van 3 januari 2024, maar dat het bezwaar in dat geval te laat is ingediend. De bezwaartermijn van zes weken<footnote-ref linkend="_0bfb534e-21c6-45c6-b903-5b969aec9efa" /> is op het moment dat het CBR eisers’ bezwaarschrift heeft ontvangen op 8 maart 2024 namelijk al verstreken. Deze termijnoverschrijding is volgens het CBR waarschijnlijk niet verschoonbaar<footnote-ref linkend="_e9626b7c-a360-42ac-808b-452a805cfa0d" /> aangezien het besluit van 3 januari 2024 aangetekend is verzonden. </para>
    <para />
    <para>12. Eiser heeft echter zelf geen aanknopingspunt gegeven om deze redenatie te volgen. Uit zijn bezwaarschrift volgt niet tegen welk besluit het precies gericht is, maar het is niet onbegrijpelijk dat het CBR dit bezwaar van 8 maart 2024 gericht heeft geacht tegen het besluit van 13 februari 2024, en niet tegen het eerdere besluit van 3 januari 2024. Eiser heeft ook niet gereageerd op de contactpogingen van het CBR om zijn bezwaar te bespreken. Tenslotte heeft eiser in beroep niet gereageerd, en dus ook niet op de overweging van het CBR opgenomen in punt 11, en is hij ook niet op de zitting verschenen om een nadere toelichting te geven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het bezwaar van eiser, en in navolging daarvan zijn beroep, gericht te achten tegen het besluit van 3 januari 2024. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ongeldig verklaring van het rijbewijs in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H.J.J.M. Kock, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">						De rechter is verhinderd </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">						om de uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>   rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e8a7c032-8f95-4454-a24f-f93674f6ca19" label="1">
    <para> Artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4089e95-d465-41bf-ba72-08e7b02d7d71" label="2">
    <para> Artikel 131 van de WVW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8721481-adb1-4f7c-a4cd-50b58ed84f15" label="3">
    <para> Artikel 132, tweede lid, van de WVW94</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f3a3e50-9776-4f85-adbc-014255c3802f" label="4">
    <para> Artikel 24, sub a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0bfb534e-21c6-45c6-b903-5b969aec9efa" label="5">
    <para> Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9626b7c-a360-42ac-808b-452a805cfa0d" label="6">
    <para> Artikel 6:11 van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>