<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:4395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-14T14:21:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/256764-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4395">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-14T14:20:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:4395 Rechtbank Midden-Nederland , 12-05-2025 / 16/256764-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4395:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bevel observatie in PBC</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4395:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht<?linebreak?>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 16.256764.24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing op grond van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de meervoudige kamer voor strafzaken, </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>, </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] (Suriname), </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres] , [postcode] te [plaats] ,</para>
      <para>op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna: verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De stukken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- het consult strafrechtspleging van 13 augustus 2024 van dr. I.F.F.M. Elzakkers, psychiater van het NIFP. </para>
    <para>- het over verdachte opgemaakte rapport van 28 februari 2025 van C.M. Gouverneur, psychiater; </para>
    <para>- het over verdachte opgemaakte rapport van 6 maart 2025 van E.C.W. Spreeuwenberg en T.W. van de Kant, psychologen; </para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 12 mei 2025, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. S.K. Lanning-Stein en mr. A.M.J. Comans, advocaat te Utrecht, kantoorgenoot van mr. W.B. Lisi, de raadsman van verdachte. Verdachte heeft voorafgaand aan de zitting, en op de zitting bij monde van zijn advocaat, aangegeven niet gehoord te willen worden over de vordering van de officier van justitie ter observatie in het PBC. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De standpunten van partijen</title>
    <para>De officier van justitie heeft gevorderd verdachte er observatie in het PBC te plaatsen, nu nader onderzoek naar de geestvermogens noodzakelijk is en dat onderzoek niet op andere wijze kan plaatsvinden. De verdediging heeft zich verzet tegen een plaatsing in het PBC vanwege de lange wachttijd bij het PBC.  </para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het rapport van psychiater Elzakkers staat onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Betrokkene heeft niet meegewerkt aan het consult. Uit de stukken komen aanwijzingen naar voren voor een voorgeschiedenis van psychose en middelenproblematiek bij een strafblad met ernstige geweldsdelicten. (…) Het valt niet uit te sluiten dat er een opleving van psychotische klachten is geweest in de afgelopen periode, doch er is onvoldoende informatie om hier nu met zekerheid iets over te zeggen. Een trajectconsult kan mogelijk meer helderheid bieden hierin, doch het is onduidelijk of betrokkene hieraan wel zal meewerken. Gezien de voorgeschiedenis en de ernst van het ten laste gelegde wordt dan ook geadviseerd een enkelvoudig psychiatrisch Pro Justitia Rapport aan te vragen om het toestandsbeeld voorafgaand aan het ten laste gelegde en eventuele doorwerking (indien bewezen) beter in beeld te krijgen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het rapport van psychiater Gouverneur staat onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van onderhavig onderzoek is het vanwege het zeer beperkt meewerken van betrokkene en het ontbreken van informatie van referenten niet mogelijk gebleken om diagnostische conclusies te trekken. Gezien de voorgeschiedenis en levensloop van betrokkene zijn er wel aanwijzingen dat er sprake is (geweest) van psychopathologie. Hiermee is niet duidelijk geworden of, en zo ja, in welke mate, eventuele psychopathologie van invloed is geweest op het ten laste gelegde (indien bewezen). Ook is niet vast te stellen in welke mate de eventuele psychopathologie een rol speelt in de gedeeltelijke weigering, al is de indruk van onderzoeker dat procespositie hieraan bijdraagt. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gezien de aard en ernst van het tenlastegelegde, waarbij er (indien bewezen) sprake zou zijn van een recidief van poging doodslag, en de (gedeeltelijke) weigering van betrokkene verder mee te werken aan onderzoek, adviseert onderzoeker Uw rechtscollege tot klinische observatie in het Pieter Baan Centrum. Hierbij zal door een uitgebreid milieuonderzoek in samenhang met de groepsobservatie een veel beter beeld van het functioneren en (eventuele) psychopathologie van betrokkene verkregen kunnen worden, ook wanneer hij geen machtigingen verstrekt voor het opvragen van informatie bij derden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het rapport van psycholoog Spreeuwenberg staat onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Betrokkene heeft slechts in beperkte mate meegewerkt. Hij ging weliswaar de gesprek-</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">ken aan met onderzoeker(s), maar hij weigerde referenten te betrekken of toestemming</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">te verlenen om informatie bij eerdere (zorg-)instellingen op te vragen. Derhalve is een</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">beperkt beeld van betrokkene en zijn functioneren ontstaan, op basis waarvan weliswaar</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">psychopathologie wordt vermoed maar dit is onvoldoende helder geworden. Om nader</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">zicht te krijgen op de probleemgebieden en de mogelijk onderliggende psychopathologie,</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">wordt geadviseerd betrokkene klinisch te laten observeren in het Pieter Baan Centrum.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Naast uitgebreid psychologisch en psychiatrisch onderzoek zal milieuonderzoek en de</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">met name ook de groepsobservatie de kans aanzienlijk vergroten om tot een meer volledig beeld van betrokkene, zijn functioneren en zijn belevingswereld te komen. Het is mogelijk dat betrokkene tijdens een klinische observatie eveneens weigert om informatie bij</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">derden op te vragen of om in gesprek te gaan, echter is de verwachting dat middels</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">groepsobservatie en forensisch milieuonderzoek het toch realiseerbaar is om tot (verdere) beantwoording van de vragen te komen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de raadsman ter zitting namens verdachte heeft aangegeven dat hij geen toestemming geeft voor referentenonderzoek en het opvragen van informatie bij zijn eerdere behandelaars. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht het, gelet op het voorgaande, noodzakelijk dat een nader onderzoek naar de geestvermogens van verdachte zal worden ingesteld. Beide Pro-Justitia rapporteurs vermoeden (een) stoornis(sen) van de geestvermogens, maar kunnen daar vanwege de beperkte medewerking van verdachte geen duidelijkheid over verschaffen. De rechtbank vindt die duidelijkheid wel noodzakelijk, mede in het licht van de ernst van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Nu dat niet voldoende op andere wijze kan plaatsvinden zal de rechtbank bevelen dat verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar het Pieter Baan Centrum. </para>
      <para>De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 317 derde lid en artikel 198 van het Wetboek van Strafvordering en bepaalt de duur van de observatie op maximaal 7 weken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verdachte mogelijk geen medewerking aan de observatie wil verlenen, niet met zich brengt dat deze observatie bij voorbaat zinloos is. Beide deskundigen hebben aangegeven dat de groepsobservatie in combinatie met milieuonderzoek de kans aanzienlijk vergroot dat er een goed beeld van verdachte zal ontstaan. Het enkele gegeven dat de wachttijd bij het PBC lang is, maakt niet dat de vordering moet worden afgewezen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de ernst van de verdenking. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De artikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft gelet op de artikelen 198 en 317 van het Wetboek van Strafvordering.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="bold">beveelt</emphasis> dat verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar het Pieter Baan Centrum voor een termijn van maximaal 7 weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven ter terechtzitting van 12 mei 2025 door mr. J.P. Verboom, voorzitter, en mrs. A. Maas en J.B. Duinkerken, rechters, bijgestaan door mr. E.E. van Wiggen, griffier.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>