<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:4090</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-14T10:31:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/2180</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4090">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:4090</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-14T09:19:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:4090 Rechtbank Midden-Nederland , 30-07-2025 / UTR 25/2180</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4090:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT UHT aanvraag CWS gegrond. Verzoek tijdig ingediend. 8:57.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:4090:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/2180</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] (België), eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 20 december 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op 1 april 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Verweerder is niet verschenen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen <?linebreak?></title>
    <para>1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_39c5a2bc-d3af-4ec7-bdaa-12ea8008dd59" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_0bc45207-a605-466d-9f62-6a99130dccb3" /></para>
    <para />
    <para>2. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat eiseres zich niet heeft aangemeld bij de CWS en dat zij dus geen aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade heeft ingediend. Het beroep is volgens verweerder derhalve niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft hierop gereageerd en uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat eiseres op 22 december 2023 een ontvangstbevestiging heeft gekregen van haar bij de CWS ingediende aanvraag. Deze aanvraag is ingediend alvorens eiseres de definitieve compensatiebeschikking heeft ontvangen. </para>
    <para>4. De rechtbank leest in deze brief van 22 december 2023 dat de ontvangst van de aanvraag van eiseres om aanvullende schadevergoeding door de CWS wordt bevestigd. Vervolgens staat er enerzijds dat de aanvraag in behandeling zal worden genomen zodra de definitieve compensatiebeschikking bekend is, anderzijds staat er dat eiseres de aanvraag opnieuw zal moeten indienen na ontvangst van de compensatiebeschikking. Verweerder is niet ter zitting verschenen en heeft geen tekst en uitleg over deze brief en de gang van zaken kunnen geven. Dat geldt ook voor de bij de rechtbank levende vragen naar aanleiding van de door eiseres overgelegde documenten in een vijftal andere zaken. Daaruit blijkt dat de CWS (ook) in het jaar 2023 soortgelijke aanvragen wel in behandeling heeft genomen terwijl de procedure van de integrale herbeoordeling nog niet was afgerond. De rechtbank heeft geen inzicht in het verschil van de behandeling van de aanvragen. Uit de Wet hersteloperatie toeslagen volgt niet dat de aanvraag slechts kan worden ingediend na ontvangst van een compensatiebeschikking. De rechtbank is van mening dat eiseres niet (verder) benadeeld moet worden, ondanks dat zij zich niet kan herinneren of zij inhoudelijk op de brief van 22 december 2023 heeft gereageerd door aan te geven dat het standpunt van de CWS onrechtmatig is, zoals haar gemachtigde vaker deed. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank wil namelijk voorkomen dat eiseres als gedupeerde van de toeslagenaffaire door de handelwijze van verweerder gedwongen wordt om een nieuwe aanvraag bij de CWS in te dienen, met als gevolg dat eiseres nog langer moet wachten op een beslissing daarop. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder op de eerder ingediende aanvraag moet beslissen en verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag ontvankelijk en gegrond. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat</para>
    <para>verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_60082ecd-3bbc-4113-8a38-fc6ce474dec1" /> In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_81d9daff-eb70-405f-86fa-416a8611b191" /></para>
    <para />
    <para>8. In haar uitspraak van 25 juli 2025<footnote-ref linkend="_5e759fc3-e776-4b95-9453-a63e54620cd9" /> heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak.</para>
    <para />
    <para>9. In dit geval betekent dit het volgende. Eiseres heeft op 20 december 2023 een aanvraag </para>
    <parablock>
      <para>ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De beslistermijn eindigde dus op </para>
      <para>20 december 2024. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 13 februari 2026. </para>
    </parablock>
    <para>10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag </para>
    <para>dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 oktober 2024<footnote-ref linkend="_19b5b7a7-a361-4a33-9782-6fef36c9bbc9" />.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij</para>
    <para>heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 907,-. </para>
    <para />
    <para>12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door </para>
    <para>haar betaalde griffierecht vergoeden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk 13 februari 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken<?linebreak?>- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd deze </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">							uitspraak te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_39c5a2bc-d3af-4ec7-bdaa-12ea8008dd59" label="1">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0bc45207-a605-466d-9f62-6a99130dccb3" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_60082ecd-3bbc-4113-8a38-fc6ce474dec1" label="3">
    <para> Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81d9daff-eb70-405f-86fa-416a8611b191" label="4">
    <para> Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e759fc3-e776-4b95-9453-a63e54620cd9" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2025:3859.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_19b5b7a7-a361-4a33-9782-6fef36c9bbc9" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2024:6003.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>