<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:3252</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T10:12:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/7382</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:3252">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:3252</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T10:11:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:3252 Rechtbank Midden-Nederland , 26-06-2025 / UTR 24/7382</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:3252:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT. Besluit al genomen op moment instellen beroep niet-tijdig beslissen. Beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:3252:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 24/7382 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.G. Hoekerd).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 31 mei 2024 om toekenning van een bijstandsuitkering. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft op 31 mei 2024 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 19 juni 2024 de ontvangst van de aanvraag bevestigd. Ook is eiser in deze brief gevraagd om aanvullende informatie te overleggen. Bij brief van 3 juli 2024 is eiser nogmaals verzocht de door verweerder benodigde aanvullende informatie te overleggen. Dit verzoek om aanvullende informatie is bij brief van 17 juli 2024 nogmaals herhaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiser heeft verweerder op 29 juli 2024 in gebreke gesteld. Bij besluit van 9 augustus 2024 is de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Eiser heeft op 15 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om toekenning van een bijstandsuitkering van 31 mei 2024. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van zaaknummer      UTR 25 / 2247 PW, plaatsgevonden op 3 april 2025. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_1f527e8b-5afc-494a-83cd-88d77b44a16b" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van eiser</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiser voert in beroep aan dat er geen besluit is genomen op zijn aanvraag om (aanvullende) bijstand van 31 mei 2024. De beslistermijn is op 25 juli 2024 verstreken en verweerder is op 29 juli 2024 in gebreke gesteld. Hierna had verweerder op 7 augustus 2024 moeten beslissen. Voor zover er toch op 9 augustus 2024 een besluit zou zijn genomen, is dit geen geldige beslissing. Primair stelt eiser zich hierbij op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was om zijn aanvraag buiten behandeling te stellen omdat de door eiser overgelegde informatie voldoende was om op de aanvraag te beslissen. Subsidiair voert eiser aan dat de termijn<footnote-ref linkend="_1ba31008-24a6-4e36-83b2-de3caa48760a" /> waarbinnen verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling kon stellen op 9 augustus 2024 reeds verstreken was. Verweerder is volgens eiser daarom dwangsommen verschuldigd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van verweerder</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op 9 augustus 2024 beslist is op de aanvraag van 31 mei 2024, in die zin dat de aanvraag buiten behandeling is gesteld. Dit besluit is op 12 augustus 2024 per gewone post aan eiser toegezonden en op 13 augustus 2024 per beveiligde e-mail aan de toenmalige gemachtigde van eiser gestuurd. De toenmalige gemachtigde heeft de ontvangst van de e-mail bevestigd. De bezwaartermijn is ongebruikt verstreken. Eiser heeft daarom – primair – geen procesbelang meer en het beroep niet-tijdig beslissen is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.<footnote-ref linkend="_ace3f16c-78f1-4121-baed-d9386503ae2c" /> Daarnaast maakt eiser – subsidiair – misbruik van zijn bevoegdheid<footnote-ref linkend="_77ba299b-dd1e-4654-b6d8-1ade41e9afb1" /> om een beroepsprocedure te entameren, omdat hij ervan op de hoogte was dat er op 9 augustus 2024 was beslist op zijn aanvraag van 31 mei 2024. Ook om die reden is het beroep niet-tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk en gegrond?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De rechtbank stelt voorop dat bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel blijft bestaan zolang er nog geen besluit is genomen. In dit geval is op 9 augustus 2024 een besluit genomen op de aanvraag van eiser en dat betekent dat op 15 november 2024, de dag waarop eiser beroep wegens niet-tijdig beslissen heeft ingesteld, reeds beslist was op zijn aanvraag. Zoals verweerder uiteengezet heeft in zijn verweerschrift was eiser hiervan op de hoogte ten tijde van het instellen van het onderhavige beroep wegens niet-tijdig beslissen. Tegen het besluit van 9 augustus 2024 was bezwaar mogelijk maar eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt en heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. In deze procedure, die is gestart nádat er al een besluit was genomen en eiser hiervan ook op de hoogte was, kan eiser geen inhoudelijke gronden aanvoeren tegen het besluit van 9 augustus 2024.  </para>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn procesbelang zou zijn gelegen in het innen van de bestuurlijke dwangsommen, verwijst de rechtbank naar een uitspraak<footnote-ref linkend="_e9276e85-3728-45b0-b46a-6539a2c515c4" /> van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit volgt dat het opleggen van bestuurlijke dwangsommen geen doel op zichzelf is, maar een middel om tijdige besluitvorming af te dwingen. Dit betekent dat eiser geen procesbelang kan ontlenen aan het feit dat hij stelt dat hij – wat daar verder ook van zij – het toekennen van dwangsommen is misgelopen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van                                     mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Heeft uw zaak spoed en moet tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_1f527e8b-5afc-494a-83cd-88d77b44a16b" label="1">
    <para> Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ba31008-24a6-4e36-83b2-de3caa48760a" label="2">
    <para> artikel 4:5 lid 4 Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ace3f16c-78f1-4121-baed-d9386503ae2c" label="3">
    <para> artikel 8:1, lid 1, artikel 7:1, lid 1, onder f en artikel 1:2, lid 1 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_77ba299b-dd1e-4654-b6d8-1ade41e9afb1" label="4">
    <para> artikel 3:13, lid 1 en artikel 3:15 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9276e85-3728-45b0-b46a-6539a2c515c4" label="5">
    <para> ABRvS 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:37, r.o. 4.1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>