<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:2616</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-12T09:01:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/1258</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:2616">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:2616</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-12T09:00:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:2616 Rechtbank Midden-Nederland , 07-03-2025 / UTR 25/1258</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:2616:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening bezwaar, afgewezen, in de woning is een grote hoeveelheid procaïne-HCL, een bekend middel voor het versnijden van cocaïne aangetroffen en ook diverse goederen die kunnen worden en/of zijn gebruikt bij het verpakken van die procaïne-HCL. De burgemeester heeft dat mogen zien als voorbereidingshandeling en de woning mogen sluiten. Dat de woning inmiddels is verkocht, doet aan het risico voor de openbare orde niet af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:2616:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">vRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/1258</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Schilder),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de burgemeester van de gemeente Veenendaal </title>
    <para>(gemachtigden: mr. M. Diepeveen en M.R. Groenewoud).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de sluiting van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] . De burgemeester heeft aan het besluit van 10 februari 2025 ten grondslag gelegd dat de politie op 16 januari 2025 een grote hoeveelheid procaïne-HCL, een bekend middel voor het versnijden van cocaïne, heeft aangetroffen en ook diverse goederen die kunnen worden en/of zijn gebruikt bij het verpakken van die procaïne-HCL. Het voorhanden hebben van deze stof wordt aangemerkt als een voorbereidingshandeling voor het bewerken van cocaïne, wat strafbaar is op grond van artikel 10a van de Opiumwet. De burgemeester is van mening dat de woning onderdeel uitmaakt van een crimineel circuit en wil de bekendheid van die woning als drugspand beëindigen. Daarom heeft hij de woning per 25 februari 2025 voor de duur van drie maanden gesloten.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De burgemeester heeft toegezegd te wachten met de feitelijke sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 maart 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <?linebreak?>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Is er spoedeisend belang?</emphasis>
    </para>
    <para>2. De zaak is spoedeisend. Het zal nog even duren totdat de burgemeester op het bezwaar van verzoeker beslist, terwijl hij in de tussentijd niet in zijn woning mag verblijven en aangewezen is op onderdak bij iemand anders. Verzoeker heeft zijn woning weliswaar verkocht, maar tot het moment van de overdracht wil hij er zelf kunnen blijven wonen. Dat kan niet als de woning is gesloten.<?linebreak?><emphasis role="italic">Hoe beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek?</emphasis></para>
    <para>3. De voorzieningenrechter bekijkt of het nodig is om het besluit van burgemeester te schorsen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. Zij geeft daarvoor een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift. Daarnaast weegt zij de belangen van verzoeker bij een schorsing en van de burgemeester bij de sluiting van de woning tegen elkaar af. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit om de woning te sluiten, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker bij het schorsen van dat besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.<?linebreak?><emphasis role="italic">Wat heeft de burgemeester ten grondslag gelegd aan zijn besluit tot sluiting van de woning?</emphasis></para>
    <para>4. De burgemeester heeft de sluiting van de woning gebaseerd op informatie die afkomstig is uit een bestuurlijke rapportage van 29 januari 2025 van de Politie Eenheid Midden-Nederland. In de bestuurlijke rapportage staat vermeld dat er op 16 januari 2025 nader onderzoek is ingesteld op het adres van verzoeker. De aanleiding voor dit onderzoek was dat de politie onderzoek deed naar de handel in verdovende middelen door verdachte 1. Verdachte 1 handelde in harddrugs en is door de politie tientallen keren waargenomen tijdens overdrachten van drugs aan veronderstelde klanten, vaak in een voertuig op de openbare weg. Verdachte 1 werkte samen met andere drugsdealers. Hij is volgens de politie ook betrokken bij een procaïne-HCL laboratorium, gevestigd op locatie A. Verzoeker had volgens de politie contact met verdachte 1, zowel op het adres [adres] als ter hoogte van locatie A. In het najaar van 2024 heeft verzoeker ook kluswerkzaamheden verricht ten behoeve van locatie A. Tijdens het onderzoek van de politie zijn er meer panden in beeld gekomen die werden gebruikt voor de opslag en /of productie van soft- en harddrugs. Deze panden zijn volgens de politie geen op zichzelf staande locaties, maar zij hangen onderling samen. Er kon namelijk een onderscheid worden gemaakt op basis van activiteiten in de keten van de productie van en handel in verdovende middelen. Op locatie A was een actief procaïne-HCL laboratorium gevestigd en in een ander pand werd een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen. Ook zijn er panden onderzocht die werden gebruikt voor de opslag van zowel harddrugs als softdrugs en panden waar geld en vuurwapens aanwezig waren. <?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Tijdens het onderzoek in de woning van verzoeker zijn in de hal van de woning drie reiskoffers en één rugzak gevonden, gevuld met in totaal 41 vacuümverpakte zakken. Daarin zat 40,385 kilogram procaïne-HCL in kristallijne vorm (indicatief getest). Op de zolder van de woning heeft de politie goederen aangetroffen (vacuümmachine, weegschaal, zakken, handschoenen, mondkapjes, etc.) die kunnen worden gebruikt bij het verpakken van procaïne-HCL. Procaïne-HCL is een bekend versnijdingsmiddel voor cocaïne. De in de woning aangetroffen hoeveelheid procaïne-HCL is volgens de politie zo groot dat dit voor niets anders bestemd kan zijn dan voor het op grote schaal bewerken van cocaïne. De in de woning aangetroffen vorm van procaïne-HCL komt naar uiterlijke verschijningsvorm overeen met het eindproduct dat in het laboratorium op locatie A is aangetroffen. <?linebreak?></para>
        <para>De burgemeester heeft zich op basis van deze informatie op het standpunt gesteld dat de woning van verzoeker onderdeel uitmaakt van een crimineel circuit. De burgemeester heeft de woning gesloten om hieraan een eind te maken.<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Verzoeker wordt, gelet op wat er in zijn woning is aangetroffen, verweten dat hij strafbare voorbereidingshandelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. De burgemeester heeft in zo’n geval op grond van artikel 13b, eerste lid aanhef en onder b, van de Opiumwet de bevoegdheid om de woning te sluiten. Verzoeker heeft op de zitting verklaard dat hij de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten als zodanig niet betwist. <?linebreak?><emphasis role="italic">Is de sluiting noodzakelijk?</emphasis></para>
      <para>6. Verzoeker vindt de sluiting niet noodzakelijk. Er zijn geen kopers van drugs dan wel andere betrokkenen gesignaleerd in of nabij de woning en de woning geniet ook geen bekendheid als drugspand. De woning van verzoeker kan volgens hem niet in verband worden gebracht met georganiseerde criminaliteit. Verzoeker betwist dat er een link is tussen hemzelf, zijn woning en andere mensen en woningen die onderdeel uitmaken van een drugscircuit. Wat de politie in de bestuurlijke rapportage heeft opgenomen, is volgens verzoeker onjuist. De veronderstelde link tussen verzoeker, zijn woning en het drugscircuit blijkt niet uit het strafdossier. Ook de raadkamer gevangenhouding ziet die link volgens verzoeker kennelijk niet, omdat die in het kader van de voorlopige hechtenis heeft geoordeeld dat er geen sprake is van ernstige bezwaren. Verzoeker wordt, zo blijkt uit de beslissing van de raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2025, nu alleen nog verdacht van voorbereidingshandelingen voor het bewerken van cocaïne en niet van het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne. De burgemeester heeft volgens verzoeker dan ook ten onrechte aangenomen dat zijn woning kan worden aangemerkt als een drugspand. <?linebreak?>Als al sprake zou zijn van een drugspand, dan is volgens verzoeker verder relevant dat de buren nooit enige overlast hebben ervaren en dat de woning van verzoeker inmiddels is verkocht. Het doel van de burgemeester, het onttrekken van de woning aan het drugscircuit, is hiermee volgens verzoeker ook bereikt.<?linebreak?></para>
      <para>7. De voorzieningenrechter geeft verzoeker geen gelijk. De bestuurlijke rapportage waar de burgemeester de noodzaak van de sluiting op baseert, is opgemaakt en ondertekend door een inspecteur van de politie op basis van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen. De burgmeester mag volgens vaste rechtspraak in beginsel afgaan op de juistheid hiervan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel.<footnote-ref linkend="_0b4d0557-ebdf-42fa-be48-bac8c7ef44e8" /><?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Verzoekers stelling dat uit het strafdossier geen link zou blijken tussen hem, zijn woning, verdachte 1 en locatie A, is niet zo’n concreet aanknopingspunt voor twijfel. De voorzieningenrechter beschikt namelijk niet over het strafdossier en verzoeker heeft niet op andere manier onderbouwd dat er geen sprake van een link zou zijn. De voorzieningenrechter beschikt ook niet over de door verzoeker aangehaalde beslissing van de raadkamer gevangenhouding. Dat de rechtbank de link tussen verzoeker, zijn woning en het drugscircuit niet aanneemt, is evenmin onderbouwd en kan niet gebaseerd worden op het enkele gegeven dat er door de raadkamer gevangenhouding geen ernstige bezwaren worden aangenomen die het voortzetten van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen.  De voorzieningenrechter merkt op dat de toetsing door de raadkamer gevangenhouding een wezenlijk andere is dan de toets die de burgemeester in dit soort zaken aanlegt en die de voorzieningenrechter beoordeelt. De beslissing van de raadkamer gevangenhouding is voor deze procedure dan ook niet relevant. Overigens komt de grondslag voor de door de burgemeester opgelegde maatregel, te weten dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen, overeen met wat verzoeker nu nog strafrechtelijk wordt verweten.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De conclusie is dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de inhoud van de bestuurlijke rapportage. De burgemeester mag zich hierop dus baseren.<?linebreak?></para>
        <para>8. Volgens vaste rechtspraak moet de burgemeester bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag beantwoorden of hij met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er een grote hoeveelheid procaïne-HCL is aangetroffen, welke stof volgens de politie bekend staat als versnijdingsmiddel voor het versnijden van cocaïne. De burgemeester heeft mogen aannemen dat de woning van verzoeker onderdeel uitmaakt van een drugscircuit. Deze conclusie is niet alleen gebaseerd op wat er in de woning is aangetroffen, maar ook op de link die bestaat tussen verzoeker, zijn woning, verdachte 1 en locatie A. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt verder dat er ook een link is met andere panden, waar verschillende drugs of drugsgerelateerde goederen zijn aangetroffen. Het is op basis van wat er in de woning is aangetroffen aannemelijk dat de procaïne-HCL vanuit deze woning verder werd gedistribueerd, met als einddoel om cocaïne te versnijden. Het op de zolder aangetroffen verpakkingsmateriaal wijst daar op. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>De burgemeester heeft bij de noodzaak tot sluiting verder mogen betrekken dat het hier gaat om een zeer grote hoeveelheid procaïne-HCL, waarmee een nog veel grotere hoeveelheid cocaïne versneden kan worden. De gemachtigde van de burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat een gangbare verhouding tussen drugs en versnijdingsmiddel 70/30 is. In dit geval is meer dan 40 kilo procaïne-HCL aangetroffen, wat dan zou duiden op meer dan 90 kilo cocaïne. De burgemeester heeft het gegeven dat de woning onderdeel uitmaakt van een drugscircuit, waarbij het om zulke grote hoeveelheden drugs gaat, mogen aanmerken als een ernstige overtreding en een gevaar voor de openbare orde. Daarbij is niet relevant dat er, zoals verzoeker stelt, geen loop naar de woning is geweest en de buren ook geen overlast hebben ervaren. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet volgt dat de wetgever een sluiting ook mogelijk wilde maken in het geval van illegale drugsgerelateerde activiteiten, zonder dat een verstoring van de openbare orde hoeft te worden aangetoond.<footnote-ref linkend="_79897625-2afa-4d80-baf5-66125e198588" /> Dit volgt ook uit vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_e00672e5-5f25-47a7-9650-93bab77ac3a2" /> Dat een woning onderdeel uitmaakt van een drugscircuit, vormt op zichzelf een risico voor de openbare orde. Grootschalige drugshandel levert namelijk per definitie gevaarzetting op voor de omgeving. Niet valt namelijk uit te sluiten dat criminelen het op de woning van verzoeker, als onderdeel van een drugscircuit, hebben voorzien. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <para>De burgemeester wil met de sluiting van de woning de bekendheid van het pand als drugspand wegnemen en het pand aan het drugscircuit onttrekken. <?linebreak?>Dit doel wordt, anders dan verzoeker stelt, niet bereikt door de verkoop van de woning. Tot het moment van de overdracht woont verzoeker immers in de woning en, mocht hij ergens anders verblijven, dan heeft hij in elk geval tot de overdracht toegang tot de woning. Dat er op korte termijn een andere eigenaar is, neemt de bekendheid van de woning als drugspand niet zonder meer weg. Wanneer de overdracht precies zal plaatsvinden is verder op dit moment niet bekend en is, anders dan hij aanneemt, ook niet alleen afhankelijk van verzoekers wensen. Dit kan dus nog even duren, terwijl het noodzakelijk is dat de burgemeester nu ingrijpt. <?linebreak?></para>
      <para>9. Samenvattend komt de voorzieningenrechter op basis van de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden tot de conclusie dat de burgemeester het noodzakelijk heeft mogen vinden de woning te sluiten.<?linebreak?></para>
      <para>10. De burgemeester heeft besloten de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. In het besluit heeft de burgemeester daarbij overwogen dat aansluiting is gezocht bij zijn ‘Beleidsregels voor handhaving artikel 13b Opiumwet bij woningen, lokalen en coffeeshops’. Daarin heeft hij uitgewerkt welke bestuurlijke maatregelen hij in welke situatie treft bij het constateren van drugshandel in een woning. Wat de burgemeester doet bij verdenking van voorbereidingshandelingen, staat niet in het beleid vermeld. De burgemeester vergelijkt deze situatie met een eerste constatering van het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning. Op de zitting is besproken dat de burgemeester in de motivering abusievelijk heeft opgemerkt dat dit beleid dan uit gaat van een sluiting van zes maanden. Het beleid gaat bij een eerste constatering van een hoeveelheid harddrugs namelijk uit van een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. Pas als  het om een ernstige overtreding gaat, gaat de burgemeester over tot een sluiting voor de duur van zes maanden. Op de zitting heeft de burgemeester naar voren gebracht dat is aangesloten bij het uitgangspunt van drie maanden in geval van het aantreffen van harddrugs, omdat de aangetroffen procaïne-HCL voor het versnijden van harddrugs is bedoeld. De voorzieningenrechter vindt dit niet onredelijk. De motivering op dit punt kan in bezwaar bovendien worden aangevuld en hersteld. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Dat het doel van de maatregel ook bereikt kan worden met een sluiting voor de duur van een maand, zoals verzoeker heeft gesteld, is niet onderbouwd. De ernst van wat er in de woning is aangetroffen, maakt niet dat een sluiting voor een korter termijn aangewezen is. Met het opleggen van een last onder dwangsom of een waarschuwing wordt ook niet hetzelfde doel bereikt, namelijk het onttrekken van de woning aan het drugscircuit. De voorzieningenrechter ziet niet in dat de burgemeester met een lichter middel had kunnen volstaan.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Is het besluit evenwichtig?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>11. Verzoeker vindt dat de gevolgen van de sluiting niet evenredig zijn ten opzichte van het doel daarvan. De nadelige gevolgen staan niet in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, waarbij verzoeker vooral wijst op de financiële problemen die hij heeft en die door de woningsluiting zullen verergeren. <?linebreak?></para>
        <para>11. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester in de aangedragen omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van de sluiting. Van belang is dat verzoeker de financiële problemen niet heeft onderbouwd. Hij heeft weliswaar een document overgelegd waaruit blijkt dat hij in januari 2025 het termijnbedrag voor zijn hypotheek niet heeft betaald, maar dat hij nog andere schulden heeft en dat hij ook in februari 2025 het termijnbedrag niet heeft afgelost, heeft hij niet onderbouwd. Verzoeker heeft gesteld dat een sluiting van drie maanden zijn persoonlijk faillissement zal betekenen, maar er zijn geen aanwijzingen dat dit inderdaad het geval zal zijn. Verzoeker heeft verder gesteld dat de bank bij het niet betalen van de hypotheek op korte termijn zal overgaan tot veiling van de woning van verzoeker. Dit is echter ook een aanname die enige onderbouwing mist. De burgemeester heeft verder mogen meewegen dat niet is gebleken dat verzoeker na de sluiting nergens terecht kan en op straat zal moeten bivakkeren. Verzoeker heeft zelf toegelicht dat hij tijdelijk bij zijn moeder kan verblijven. Dat dit niet ideaal is, vindt de voorzieningenrechter begrijpelijk, maar dat leidt niet tot de conclusie dat de burgemeester moest afzien van sluiting van de woning. <?linebreak?><emphasis role="italic">Heeft de burgemeester onzorgvuldig en vooringenomen gehandeld?</emphasis></para>
        <para>11. Verzoeker stelt dat het besluit onzorgvuldig is genomen, dat hij niet voldoende heeft kunnen reageren op de (gewijzigde) standpunten van de burgemeester en dat de burgemeester vooringenomen heeft gehandeld door in het voornemen al te zeggen dat hij over zal gaan tot het nemen van een besluit, terwijl hij ook alleen een waarschuwing had kunnen geven. Er zit volgens verzoeker te weinig tijd tussen het moment waarop de burgemeester kennis heeft kunnen nemen van de uitgebreide aanvullende zienswijze van verzoeker en het bestreden besluit, wat de conclusie rechtvaardigt dat de burgemeester het besluit al had genomen zonder het standpunt van verzoeker af te wachten. Verzoeker vindt verder dat de burgemeester te snel is geweest met het voornemen tot sluiting: er lag nog geen bestuurlijke rapportage en de in de woning aangetroffen stof was nog niet indicatief getest. Ook dat onderstreept volgens verzoeker de onzorgvuldigheid van de besluitvorming. <?linebreak?></para>
        <para>11. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in dit standpunt. Het onderzoek in de woning van verzoeker heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025. Het voornemen tot woningsluiting dateert van 17 januari 2025, waarbij de burgemeester in de veronderstelling was dat de stof die in de woning van verzoeker was aangetroffen cocaïne was. Verzoeker heeft hierop gereageerd met een uitgebreide zienswijze van 26 januari 2025. In een e-mailbericht van 6 februari 2025 heeft de burgemeester laten weten dat de aangetroffen stof geen cocaïne was, maar procaïne-HCL. Dit rechtvaardigt volgens de burgemeester geen sluiting van zes, maar van drie maanden. Verzoeker is vervolgens tot 10 februari 2025 om 10:00 uur in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Dat heeft hij in een aanvullende zienswijze van 9 februari 2025 gedaan, waarbij hij een groot deel van wat hij eerder heeft aangevoerd heeft herhaald. Het bestreden besluit is vervolgens op 10 februari 2025 genomen.<?linebreak?></para>
        <para>11. Het hiervoor geschetste procesverloop wijst er niet op dat verzoeker niet heeft kunnen reageren op wat de burgemeester aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Verzoeker heeft twee keer een zienswijze gegeven. Dat de tweede zienswijze snel opgevolgd werd door het bestreden besluit, betekent niet dat de burgemeester geen nota heeft genomen van deze zienswijze. De door de burgemeester gehanteerde zinsnede in het voornemen “na zienswijze zal tot besluit worden gekomen” wijst er ook niet op dat de burgemeester vooringenomen was. Zoals hij in het bestreden besluit en op de zitting heeft toegelicht, wordt hiermee bedoeld dat de burgemeester na de zienswijze een beslissing zal nemen of hij tot handhaving zal overgaan en zo ja, welke vorm deze handhaving zal krijgen. De voorzieningenrechter vindt evenmin dat de burgemeester onzorgvuldig heeft gehandeld door niet eerst de bestuurlijke rapportage en de test van de aangetroffen stof af te wachten. De burgemeester heeft snel willen optreden tegen drugscriminaliteit. De aangetroffen hoeveelheid op cocaïne lijkende stof, rechtvaardigt ook snel optreden. Dat de aangetroffen stof achteraf bezien geen cocaïne maar procaïne-HCL bleek te zijn, levert nog steeds een ernstige overtreding op die de burgemeester de bevoegdheid geeft om tot sluiting van de woning over te gaan. De burgemeester heeft verzoeker de kans gegeven opnieuw zijn zienswijze te geven op de verandering van de grondslag van het voorgenomen besluit. Hiervan heeft verzoeker ook gebruik gemaakt en de zienswijze is kenbaar betrokken bij het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet niet in op welk punt de besluitvorming van de burgemeester vooringenomen of onzorgvuldig zou zijn geweest. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>16. De voorzieningenrechter komt, gelet op wat hiervoor is overwogen, tot de slotsom dat het bezwaar bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen heeft en de sluiting in stand kan blijven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kan een belangenafweging van de voorzieningenrechter tot schorsing leiden?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>17. De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook altijd nog zelf de belangen afwegen, maar als al duidelijk is dat het bezwaar niet zal slagen, is er weinig ruimte om op grond van een belangenafweging nog te beslissen dat verzoeker in de woning mag blijven. Tegenover het belang van verzoeker om in zijn woning te mogen verblijven staat het belang van de burgemeester om snel op te treden tegen drugscriminaliteit in en om woningen. De belangenafweging van de voorzieningenrechter valt gedeeltelijk samen met die van de burgemeester en daarom verwijst zij naar wat hiervoor al is overwogen over de belangen van verzoeker en het belang van de burgemeester. Het belang van de burgemeester, die het algemeen belang vertegenwoordigt, gaat in dit geval voor het belang van verzoeker.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning voor de duur van drie maanden gesloten mag worden. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_0b4d0557-ebdf-42fa-be48-bac8c7ef44e8" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2801.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79897625-2afa-4d80-baf5-66125e198588" label="2">
    <para> Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, onder meer blz. 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e00672e5-5f25-47a7-9650-93bab77ac3a2" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1143.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>