<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:2328</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-30T08:14:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/574956 / HA ZA 24-241</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:2328">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:2328</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-30T08:14:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:2328 Rechtbank Midden-Nederland , 14-05-2025 / C/16/574956 / HA ZA 24-241</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:2328:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek toegestaan openstellen tussentijds hoger beroep. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2025:962)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:2328:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/16/574956 / HA ZA 24-241</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 14 mei 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser in conventie, </para>
      <para>verweerder in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.M. Geerdes,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">A.S.R. SCHADEVERZEKERING N.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in Utrecht,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: ASR,</para>
      <para>advocaat: mr. M.H. Pluymen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 12 maart 2025; en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van 30 april 2025 van ASR. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij brief van 30 april 2025 heeft de advocaat van ASR namens partijen de rechtbank verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen van het tussenvonnis van 12 maart 2025 (hierna: het tussenvonnis).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. [eiser] stelt dat hij in de periode van oktober 2017 tot oktober 2020 arbeidsongeschikt is geweest. Hij vordert onder meer dat over deze periode alsnog een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan hem wordt verstrekt. ASR betwist dat [eiser] in de voornoemde periode voor ten minste 45% (drempel) arbeidsongeschikt was. Volgens haar kan [eiser] geen aanspraak maken op een uitkering (met terugwerkende kracht).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat zij voornemens is een deskundige te benoemen. Deze moet vaststellen of, en zo ja in welke mate, [eiser] in de betreffende periode arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft het, met het oog op een mogelijk te bereiken minnelijke regeling tussen partijen, zinvol geacht in het tussenvonnis voor te sorteren op de mogelijke uitkomsten van het deskundigenonderzoek en [eiser] voor te houden op welke bedragen hij bij deze uitkomsten (bij benadering) aanspraak kan maken. In dat kader heeft zij drie scenario’s met verschillende arbeidsongeschiktheidspercentages uitgewerkt. Omdat de rechtbank zowel het meest ongunstige (een negatief resultaat) als het meest gunstige scenario heeft uitgewerkt, is een bandbreedte geschetst waarbinnen volgens de rechtbank het bedrag ligt waarop [eiser] mogelijk aanspraak kan maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij de brief van 30 april 2025 heeft de advocaat van ASR bericht dat partijen zich niet met de inhoud van het tussenvonnis kunnen verenigen. Het is partijen niet gelukt om op basis van het tussenvonnis een regeling te bereiken. Partijen zijn het erover eens dat het onder deze omstandigheden niet zinvol is een deskundigenonderzoek uit te laten voeren. Het draagt niet bij aan de procesefficiëntie als partijen het eindvonnis na deskundigenonderzoek moeten afwachten, alvorens zij in hoger beroep kunnen gaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 337 lid 2 Rv is bepaald dat van een tussenvonnis als het onderhavige slechts tegelijk met dat van het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Het is aan het procesbeleid van de rechter overgelaten om al dan niet tussentijds hoger beroep van een tussenvonnis toe te staan. Bij de beoordeling dient te worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure (artikel 20 Rv).<footnote-ref linkend="_7f2204c2-8bff-4716-af0c-e05f9edf7eed" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Omdat partijen zich allebei niet met de inhoud van het tussenvonnis kunnen verenigen, en in dit tussenvonnis is voorgesorteerd op mogelijke uitkomsten van het deskundigenonderzoek, is het heel wel denkbaar dat (een van) partijen van het eindvonnis na deskundigenonderzoek in hoger beroep komt. De rechtbank is het met partijen eens dat het om redenen van proceseconomie wenselijk is dat tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis kan worden ingesteld. Voorstelbaar is dat met het instellen van dit hoger beroep een onredelijke vertraging van de procedure wordt voorkomen. De rechtbank zal het verzoek honoreren en tussentijds hoger beroep toestaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De onderhavige procedure zal in afwachting van de uitkomsten van het hoger beroep naar de parkeerrol worden verwezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>bepaalt dat van het tussenvonnis van 12 maart 2025 hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag <emphasis role="bold">1 oktober 2025</emphasis>; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op </para>
        <para>14 mei 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5447</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_7f2204c2-8bff-4716-af0c-e05f9edf7eed" label="1">
    <para> HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, m.nt. H.J. Snijders, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2023/63. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>