<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:7748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-23T15:29:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/547553 / HL ZA 22-284</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7748">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-23T13:54:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:7748 Rechtbank Midden-Nederland , 08-05-2024 / C/16/547553 / HL ZA 22-284</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:7748:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:7748:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="32111d16-baa7-4930-ab83-306a60552184" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="1b7b56f0-2885-4970-aa13-00af8f8a843c" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>handelskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Lelystad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/16/547553 / HL ZA 22-284</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 8 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar het recht van Gibraltar</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ARANSIL LIMITED</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Gibraltar,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaten mr. M.A.L.M. Willems en mr. M. van Riet te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde sub 1] ,</title>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>2.	<emphasis role="bold">[gedaagde sub 2]</emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren,</para>
    <para>3.	<emphasis role="bold">[gedaagde sub 3]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaten mr. L.H.K. Peereboom-Bogers en mr. W.B. Fonville te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna Aransil, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde c.s.] (de drie gedaagden tezamen) worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding, met achttien producties (genummerd: 1-18)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van [gedaagde c.s.] in het incident ex artikel 224 Rv</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in het incident </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis in het incident van 22 februari 2023</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord, tevens conclusie in het incident ex artikel 843a Rv, met</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>	46 producties (genummerd: 1-46). </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in het incident, met een productie (genummerd: 19)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis in het incident van 17 mei 2023</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 december 2023 en de ter </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>gelegenheid daarvan:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>door Aransil overgelegde vier producties (genummerd: 20-23), </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>door [gedaagde c.s.] overgelegde drie producties (genummerd: 47-49) en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>door partijen overgelegde pleitaantekeningen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hebben op 31 maart 2015 de besloten vennootschap Facevalue B.V. (hierna: Facevalue) opgericht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] waren toen de enige aandeelhouders van Facevalue. Facevalue heeft als activiteit het ontwikkelen van financiële technologie. De vennootschap naar het recht van Gibraltar The Bottin Limited Partnership (hierna: Bottin) heeft de activiteit van Facevalue, die verlieslatend was, vanaf 2018 gefinancierd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vennootschap naar het recht van Ierland IIU Nominees Limited (hierna: IIU) vertegenwoordigt Bottin. IIU en Facevalue hebben op 2 februari 2018 een overeenkomst van geldlening gesloten. Uit hoofde van de overeenkomst van geldlening is een bedrag van twee miljoen euro aan Facevalue geleend. In artikel 7.2, onder d, van de overeenkomst van geldlening staat dat Facevalue, anders dan met voorafgaande schriftelijke toestemming van IIU, <emphasis role="italic">“shall not […] (xi) appoint or remove or vary the terms of appointment (including financial terms) of any […] director or other employee […], (xx) make any loan of advance or give any guarantee or indemnity or provide any credit (other than normal trade credit given in the ordinary course of business)[…], (xxii) enter into any transaction or arrangement of any nature whatsoever with any of the […] directors […]”.</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bottin houdt vanaf 31 december 2021, na conversie van een deel van de door haar aan Facevalue verstrekte leningen, 51,3% van de aandelen in Facevalue. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Van 26 maart 2015 tot 21 juni 2019 zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de bestuurders van Facevalue geweest en van 21 juni 2019 tot 16 mei 2022 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [registeraccountant] (hierna: [registeraccountant] ) heeft in opdracht van IIU onderzoek gedaan naar betalingen van Facevalue aan [gedaagde c.s.] in de periode van februari 2018 tot mei 2022. [registeraccountant] heeft op 19 september 2022 een rapport uitgebracht. Uit het rapport blijkt dat volgens [registeraccountant] :</para>
        <para>I. Facevalue in 2018 en 2019 <emphasis role="italic">“unauthorized payments”</emphasis> heeft gedaan tot een totaalbedrag van € 290.000,- aan [gedaagde sub 1] en tot een bedrag van € 15.000,- aan [gedaagde sub 2] ,</para>
        <para>II. Facevalue in 2020 en 2021 <emphasis role="italic">“unauthorized payments”</emphasis> heeft gedaan tot een totaalbedrag van € 72.714,- aan en ten behoeve van [gedaagde sub 1] ,</para>
        <para>III. Facevalue in de periode van juni 2020 tot maart 2022 <emphasis role="italic">“more salary than employee contract”</emphasis> heeft betaald tot een totaalbedrag van € 37.927,- aan [gedaagde sub 1] en tot een totaalbedrag van € 21.594,- aan [gedaagde sub 2] ,</para>
        <para>IV. [gedaagde sub 1] in de periode van februari 2018 tot mei 2022 met een creditcard van Facevalue <emphasis role="italic">“private expenses”</emphasis> heeft gedaan tot een totaalbedrag van € 14.851,15,</para>
        <para>V. Facevalue in de periode van september 2020 tot mei 2022 tot een totaalbedrag van € 42.507,- onverschuldigde betalingen heeft gedaan aan de besloten vennootschap Better Beans B.V., een vennootschap van de echtgenote van [gedaagde sub 1] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bottin heeft hierna de financiering van Facevalue gestaakt. Facevalue heeft op 30 september 2022 al haar mogelijke vorderingen op [gedaagde c.s.] aan Aransil gecedeerd. Facevalue is op 11 oktober 2022 in staat van faillissement verklaard. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Aransil vordert in deze zaak <emphasis role="italic">primair</emphasis> hoofdelijke veroordeling van [gedaagde c.s.] tot betaling van een bedrag van € 494.593,-, zijnde het totaal van de onder 2.5 genoemde bedragen, met rente, en <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis> veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling van € 457.999,-, zijnde het totaal van de aan of ten behoeve van [gedaagde sub 1] betaalde bedragen, en veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling van € 36.594,-, zijnde het totaal van de aan [gedaagde sub 2] betaalde bedragen, met rente. Aransil vordert daarnaast veroordeling van [gedaagde c.s.] tot betaling van de proceskosten, met nakosten en rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aransil legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. [gedaagde c.s.] was op grond van artikel 2:9 BW tegenover Facevalue verplicht zijn taak als bestuurder behoorlijk te vervullen. [gedaagde c.s.] is die verplichting niet nagekomen. [gedaagde c.s.] wist ten eerste dat Facevalue, door de onder 2.5 genoemde bedragen aan of ten behoeve van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te betalen, wanprestatie tegenover IIU pleegde. IIU heeft immers voor die betalingen geen schriftelijke toestemming in zin van artikel 7.2, onder d, van de overeenkomst van geldlening gegeven. [gedaagde c.s.] heeft ten tweede, terwijl Facevalue steeds verlieslatend is geweest, onrechtmatig grote bedragen aan Facevalue onttrokken en bovendien Bottin/IIU hierover niet geïnformeerd. [gedaagde c.s.] is ten derde in zijn administratieverplichting in de zin van artikel 2:10 BW tekortgeschoten. Na het vertrek van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] op 16 mei 2022 is gebleken dat geen winst- en verliesrekening, geen balans en geen verslagen van het bestuur voorhanden waren. Ten vierde is Facevalue, toen [gedaagde c.s.] bestuurder was, in de jaarrekeningverplichting in de zin van artikel 2:394 BW tekortgeschoten. De jaarrekeningen van 2018 en 2020 zijn niet tijdig bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd. Facevalue heeft, aldus Aransil, ten gevolge van voormeld handelen of nalaten tot een bedrag van € 494.593,- schade geleden. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn <emphasis role="italic">primair</emphasis> op grond van artikel 2:9 lid 2 BW hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. <emphasis role="italic">Subsidiair </emphasis>is [gedaagde sub 1] aansprakelijk voor € 457.999,- en [gedaagde sub 2] voor € 36.594,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] voert verweer. De rechtbank zal hierna ingaan op de (nadere) stellingen van partijen, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="underline">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Cessie, nietigheid, misbruik van recht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Facevalue heeft al haar mogelijke vorderingen op [gedaagde c.s.] aan Aransil gecedeerd. Aransil beroept zich voor haar vorderingen op artikel 2:9 BW. De rechtbank overweegt dat vorderingen op basis van dat artikel kunnen worden gecedeerd. Het enkele feit dat korte tijd later het faillissement van de rechtspersoon is aangevraagd en uitgesproken, zoals in dit geval, doet daar, anders dan [gedaagde c.s.] meent, niet aan af. Het door [gedaagde c.s.] gestelde feit dat de accountantskamer heeft geoordeeld dat het rapport van [registeraccountant] een deugdelijke grondslag ontbeert betekent niet dat de cessie in strijd met de goede zeden en/of de openbare orde en dus nietig is. Tot slot valt, anders dan [gedaagde c.s.] stelt, niet in te zien dat Aransil, gelet op voormeld oordeel van de accountantskamer, misbruik van recht maakt door de vorderingen in te stellen. De rechtbank merkt hierbij op dat [gedaagde c.s.] de door [registeraccountant] geconstateerde betalingen aan en ten behoeve van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op zichzelf genomen niet heeft betwist. Partijen verschillen van mening over de rechtmatigheid van die betalingen, waarover verderop meer. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 2:9 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Zoals hiervoor vermeld beroept Aransil zich voor haar vorderingen op artikel 2:9 BW. In lid 1 van dat artikel staat dat een bestuurder van een rechtspersoon tegenover die rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Uit vaste rechtspraak hierover<footnote-ref linkend="_b0cc1861-6222-45c2-afca-a2acc24df7e4" /> blijkt het volgende. Een bestuurder die in de vervulling van zijn taak is tekortgeschoten, is alleen aansprakelijk voor de schade die de rechtspersoon als gevolg van dat tekortschieten lijdt, als hem ter zake daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of sprake is van een ernstig verwijt moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De vorderingen van Aransil moeten in het licht van deze maatstaf worden beoordeeld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank in het kort</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen, gelet op die maatstaf, moeten worden afgewezen. Dit wordt hierna toegelicht. De rechtbank zal eerst ingaan op de eerste, de derde en de vierde grondslag. De rechtbank zal daarna ingaan op de tweede grondslag, waarbij ook de onder 2.5 genoemde betalingen en (deels) hun samenstellende delen aan de orde zullen komen.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De eerste grondslag - wanprestatie tegenover IIU</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 2:9 BW - wanprestatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Aransil stelt dat Facevalue is tekortgeschoten in de nakoming van een verplichting tegenover IIU door zonder toestemming van IIU in de zin van artikel 7.2, onder d, van de tussen IIU en Facevalue gesloten overeenkomst van geldlening de onder 2.5 genoemde betalingen te verrichten en dat [gedaagde c.s.] van dit tekortschieten wist. Deze feiten hebben echter, anders dan Aransil kennelijk meent, nog niet tot gevolg dat [gedaagde c.s.] <emphasis role="italic">tegenover Facevalue </emphasis>is tekortgeschoten in de verplichting om zijn bestuurstaak behoorlijk te vervullen, dat Facevalue door dat tekortschieten de door Aransil gestelde schade heeft geleden en dat [gedaagde c.s.] ter zake van dat tekortschieten een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvoor is meer nodig. Dat meerdere heeft Aransil niet gesteld. De eerste grondslag kan dan ook al hierom niet slagen. De stelling van Aransil dat niet IIU maar Bottin de lening van twee miljoen euro aan Facevalue heeft verstrekt, kan gelet hierop in het midden blijven. Deze stelling maakt het bovenstaande niet anders. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 6:162 BW - wanprestatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Aransil heeft ter zitting nog als grondslag aangevoerd dat [gedaagde c.s.] bewust heeft geprofiteerd van het tekortschieten van Facevalue tegenover IIU en gelet daarop onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW heeft gehandeld. Ook deze grondslag gaat niet op. Als [gedaagde c.s.] al onrechtmatig zou hebben gehandeld in de hiervoor bedoelde zin, dan is dat <emphasis role="italic">tegenover IIU</emphasis> en niet tegenover Facevalue. Overigens is het handelen van een partij (in dit geval [gedaagde c.s.] ) met een andere partij (in dit geval Facevalue) in de wetenschap dat die andere partij een met een derde (in dit geval IIU) gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf genomen nog niet onrechtmatig tegenover die derde. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig<footnote-ref linkend="_78627944-1183-43eb-9656-7252e33209e1" />. Die bijkomende omstandigheden zijn niet gesteld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De derde grondslag en de vierde grondslag - artikel 2:10 BW en artikel 2:394 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Causaal verband</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De derde en vierde grondslag kunnen ook niet slagen. Aransil stelt dat de administratieverplichting in de zin van artikel 2:10 BW en de jaarrekeningverplichting in de zin van artikel 2:394 BW niet zijn nagekomen. Ook al zou die stelling juist zijn en [gedaagde c.s.] dus zijn tekortgeschoten in de verplichting om zijn bestuurstaak behoorlijk te vervullen en ook al zou [gedaagde c.s.] van dat tekortschieten een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt, dan heeft dat tekortschieten nog niet tot gevolg dat Facevalue de door Aransil gestelde schade heeft geleden. Aransil heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit dat causale verband kan worden afgeleid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Administratie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt over de stelling van Aransil dat na het vertrek van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] op 16 mei 2022 is gebleken dat geen winst- en verliesrekening, geen balans en geen verslagen van het bestuur voorhanden waren, ten overvloede nog het volgende. Volgens [gedaagde c.s.] heeft accountantskantoor PKF de financiële administratie van Facevalue steeds verzorgd en heeft het bestuur maandelijks de tussentijdse cijfers van Facevalue bijgehouden en met IIU gedeeld. Daarnaast is, aldus [gedaagde c.s.] , op 8 maart 2022 nog een financieel overzicht met een winst- en verliesrekening, een balans, een kasstroomoverzicht en een uitsplitsing van opbrengsten en kosten op detailniveau met IIU gedeeld. Aransil heeft tegenover deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde c.s.] onvoldoende (nader) gesteld. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de financiële administratie van Facevalue op orde was. Van een aan [gedaagde c.s.] te maken ernstig verwijt kan dus geen sprake zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Deponering jaarrekeningen 2018 en 2020</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt verder over de stelling van Aransil dat de jaarrekeningen van 2018 en 2020 niet tijdig zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel ten overvloede nog het volgende. Volgens [gedaagde c.s.] zijn die jaarrekeningen niet tijdig (in goedgekeurde vorm) gedeponeerd omdat IIU de voor goedkeuring benodigde “letter of comfort’ niet kon of wilde afgeven. Aransil heeft dit niet betwist. De rechtbank gaat er gelet daarop van uit dat [gedaagde c.s.] in dit opzicht niets valt te verwijten. Van een aan [gedaagde c.s.] te maken ernstig verwijt kan dus geen sprake zijn.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De tweede grondslag - grote bedragen onttrokken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Aransil stelt dat [gedaagde c.s.] , terwijl Facevalue steeds verlieslatend is geweest, onrechtmatig grote bedragen aan Facevalue heeft onttrokken en bovendien Bottin/IIU hierover niet heeft geïnformeerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Informeren Bottin/IIU</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt over het laatste deel van deze grondslag, het niet informeren van Bottin/IIU door [gedaagde c.s.] , het volgende. Voor zover Aransil hierbij het oog heeft op de verplichting op grond van artikel 7.2, onder d, van de tussen IIU en Facevalue gesloten overeenkomst van geldlening om toestemming te vragen, geldt hetgeen de rechtbank onder 4.4 heeft overwogen. Voor zover Aransil hierbij het oog heeft op een verplichting van [gedaagde c.s.] in het kader van een behoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW, geldt dat zij niet heeft toegelicht waarom [gedaagde c.s.] verplicht was aandeelhouder/financier Bottin/IIU - anders dan desgevraagd op algemene vergaderingen van aandeelhouders - over het onttrekken van grote bedragen te informeren. De rechtbank laat het tweede deel van deze grondslag daarom buiten beschouwing. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onttrekken grote bedragen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Indien en voor zover [gedaagde c.s.] onrechtmatig grote bedragen aan Facevalue heeft onttrokken, dan is hij tegenover Facevalue tekortgeschoten in de verplichting om zijn bestuurstaak behoorlijk te vervullen, heeft Facevalue door dat tekortschieten schade geleden (ter hoogte van de onttrokken bedragen) en valt hem ter zake van dat tekortschieten een ernstig verwijt te maken. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of [gedaagde c.s.] de onder 2.5 genoemde bedragen, die op zichzelf genomen tussen partijen vaststaan, onrechtmatig heeft onttrokken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I. <emphasis role="bold"> Betalingen 2018 en 2019</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Het totaalbedrag van € 290.000,- dat in 2018 en 2019 aan [gedaagde sub 1] is overgemaakt, is samengesteld uit de volgende zes bedragen: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 50.000,-, overgemaakt op 13 februari 2018, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 5.000,-, overgemaakt op 8 november 2018, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 2.500,-, overgemaakt op 30 november 2018, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 2.500,-, overgemaakt op 17 december 2018,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 10.000,- , overgemaakt op 28 februari 2019 en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 220.000,-, overgemaakt op 27 maart 2019. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Aan [gedaagde sub 2] is op 30 april 2018 een bedrag van € 15.000,- overgemaakt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bedrag van € 50.000,- </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Over het bedrag van € 50.000,- dat aan [gedaagde sub 1] is overgemaakt stelt [gedaagde c.s.] het volgende. [gedaagde sub 1] woonde in het buitenland en is in verband met zijn werkzaamheden voor Facevalue in 2018 verhuisd naar Nederland. Facevalue heeft voor reallocatiekosten een bedrag van € 50.000,- aan [gedaagde sub 1] vergoed. De vergoeding aan [gedaagde sub 1] is verder verrekend met een lening die [gedaagde sub 1] ten tijde van de oprichting van Facevalue aan Facevalue had verstrekt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>De rechtbank zal eerst ingaan op het verrekeningsverweer. De rechtbank gaat, anders dan Aransil, uit van het bestaan van de door [gedaagde sub 1] gestelde lening. Die lening blijkt uit diverse stukken. Zo staat in de <emphasis role="italic">“Nomination and conversion agreement”</emphasis> van 16 januari 2019<footnote-ref linkend="_36a46d08-a08c-4d97-83ba-cb8aa3426bc3" />, gesloten tussen Facevalue en [gedaagde sub 1] , dat [gedaagde sub 1] een lening aan Facevalue heeft verstrekt met een stand van € 606.750,- per 13 december 2016. Zo blijkt uit de jaarrekening van 2017 van Facevalue van een lening van [gedaagde sub 1] aan Facevalue met een stand van € 602.871,- per 31 december 2017<footnote-ref linkend="_4d769d47-1593-482e-8b0e-c28e48c8b0ca" />. In de Nomination and conversion agreement staat ook dat <emphasis role="italic">“On 13 December 2017, [gedaagde sub 1] agreed to convert the loan of € 606.750,- to 5.000 […] shares in Facevalue”</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Aransil stelt dat [gedaagde sub 1] zijn recht om bedragen met de lening te verrekenen vanaf 13 december 2017 heeft verwerkt, omdat hij, zo blijkt uit de onder 4.15 geciteerde zinsnede, zich op 13 december 2017 heeft verplicht de lening te converteren in aandelen van Facevalue en Facevalue daarna, zo blijkt uit de bij de tussen IIU en Facevalue gesloten overeenkomst van geldlening van 2 februari 2018 gevoegde balans<footnote-ref linkend="_906a7571-82fe-4c70-ae71-345d58f9a51b" />, van die conversie is uitgegaan. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de door Aransil gestelde feiten kan niet zonder meer worden afgeleid dat [gedaagde sub 1] zich heeft verplicht om de door hem aan Facevalue verstrekte lening op 13 december 2017 te converteren. Daarvoor is meer nodig. Dat meerdere is niet gesteld. Dit betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 1] , door tot het moment waarop de conversie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, namelijk op 8 oktober 2020, van Facevalue ontvangen bedragen met de lening te verrekenen, zich tegenover Facevalue niet heeft gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Het bedrag van € 50.000,- is ook daadwerkelijk verrekend. [gedaagde sub 1] heeft een betaaloverzicht uit de administratie van Facevalue overgelegd waaruit blijkt dat dit bedrag in de administratie is geboekt als verrekend met het <emphasis role="italic">“loan account”</emphasis> van [gedaagde sub 1]<footnote-ref linkend="_f2516c56-d2e5-4a07-b4fd-7223ecb88d26" />. Het bedrag van € 50.000,- is dus niet aan Facevalue onttrokken, maar met een schuld van Facevalue aan [gedaagde sub 1] verrekend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bedrag van € 15.000,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Over het bedrag van € 15.000,- dat aan [gedaagde sub 2] is overgemaakt stelt [gedaagde c.s.] het volgende. [gedaagde sub 2] is in verband met zijn werkzaamheden voor Facevalue in 2018 met zijn gezin van Zuid-Afrika naar Nederland verhuisd. Facevalue heeft hem toen een lening van € 15.000,- verstrekt. Daarbij is afgesproken dat de lening zou worden kwijtgescholden onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 2] minimaal twee jaar in dienst van Facevalue zou blijven. Die voorwaarde is vervuld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Aransil heeft hiertegenover geen (nadere) stellingen ingenomen. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de stellingen van [gedaagde c.s.] Dit leidt tot de conclusie dat het bedrag van € 15.000,- niet onrechtmatig aan Facevalue is onttrokken. Er kan dan ook geen sprake zijn van een aan [gedaagde c.s.] te maken ernstig verwijt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bedrag van € 5.000,-, van € 2.500,-, van € 2.500,-, van € 10.000,- en van € 220.000,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>Deze bedragen zijn aan [gedaagde sub 1] overgemaakt. [gedaagde c.s.] stelt dat de bedragen van € 5.000,-, € 2.500,-, € 2.500,-, € 10.000,- en het bedrag van € 220.000,- tot een hoogte van € 20.000,- destijds door Facevalue zijn verrekend met de door [gedaagde sub 1] verstrekte lening. Hiervoor geldt hetzelfde als eerder is overwogen. Verrekening was toen mogelijk. Aransil heeft niet gesteld dat verrekening niet heeft plaatsgevonden. Voor deze bedragen geldt dan ook dat zij niet aan Facevalue zijn onttrokken, maar met een schuld van Facevalue aan [gedaagde sub 1] zijn verrekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>Over het resterende deel van € 220.000,-, een bedrag van € 200.000,-, stelt [gedaagde c.s.] dat dit deel betrekking heeft op uitgesteld salaris van [gedaagde sub 1] over 2018 en 2019 ter hoogte van tweemaal een bedrag van € 100.000,-. De rechtbank volgt deze stelling. Facevalue en [gedaagde sub 1] zijn, zo blijkt uit de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst<footnote-ref linkend="_3fba8b18-078a-46aa-a46a-f04c726bbc47" />, een salaris van € 150.000,- per jaar overeengekomen. In een aandeelhoudersbesluit van 15 december 2017<footnote-ref linkend="_5061f701-8e5d-467d-8424-98ba94e3e529" /> staat het volgende: <emphasis role="italic">“The Company will employ [gedaagde sub 1] at an annual gross salary of EUR 250,000 plus 8% […]. [gedaagde sub 1] agrees that EUR 100,000 of his annual salary will be deferred for 18 months from the effective date of his employment, whereafter the deferred component will be paid and from that point forward the entire gross salary will be paid in monthly instalments.”</emphasis>. De rechtbank gaat op grond van dat besluit ervan uit dat het salaris van [gedaagde sub 1] met ingang van zijn indiensttreding (1 januari 2018) naar € 250.000,- per jaar is verhoogd en dat betaling van een bedrag van € 100.000,- van dat salaris eerst na 18 maanden zou plaatsvinden. In dat licht vindt de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag van € 200.000,-, overgemaakt op 27 maart 2019, betrekking heeft op uitgesteld salaris van [gedaagde sub 1] over 2018 en 2019 ter hoogte van tweemaal een bedrag van € 100.000,-. De rechtbank overweegt hierbij dat Aransil haar stelling dat [gedaagde c.s.] het aandeelhoudersbesluit van 15 december 2017 vermoedelijk heeft geantedateerd, niet heeft onderbouwd. De rechtbank merkt bij deze stelling nog op dat [gedaagde sub 1] met een e-mail van 9 november 2017, dus voordat het aandeelhoudersbesluit werd genomen, Excelsheets met salarissen van medewerkers van Facevalue naar IIU (Murphy) heeft gestuurd en dat bij de naam [gedaagde sub 1] een salaris van € 250.000,- is vermeld<footnote-ref linkend="_5bf36b8b-f473-4652-931b-687f487683e4" />. De stelling van Aransil dat is afgesproken dat een salaris van € 250.000,- per jaar eerst aan de orde zou zijn als Facevalue breakeven zou draaien, is niet onderbouwd. De juistheid van die stelling blijkt in ieder geval, anders dan Aransil meent, niet uit de Excelsheets.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>Ook het bedrag van € 200.000,- is dus niet onrechtmatig aan Facevalue onttrokken. De stelling van [gedaagde c.s.] dat de algemene vergadering van aandeelhouders aan de bestuurders van Facevalue décharge heeft verleend voor de betaling van € 200.000,- aan [gedaagde sub 1] , behoeft dan ook geen bespreking meer. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>II. <emphasis role="bold"> Betalingen 2020 en 2021</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>Het totaalbedrag van € 72.714,- dat in 2020 en 2021 aan of ten behoeve van [gedaagde sub 1] is overgemaakt, is samengesteld uit de volgende zeven bedragen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 2.500,-, aan [gedaagde sub 1] overgemaakt op 29 januari 2020,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 25.000,-, aan [gedaagde sub 1] overgemaakt op 29 december 2020,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 25.000,-, aan de advocaat van PB Invest GmbH overgemaakt op </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>30 maart 2021,</para>
      <para>- een totaalbedrag van € 11.256,-, aan de advocaat van [gedaagde sub 1] overgemaakt op diverse </para>
      <para>  data in 2021,</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>een totaalbedrag van € 23.354,-, aan [gedaagde sub 1] overgemaakt op diverse data in 2021,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 10.000,-, aan een advocaat overgemaakt op 25 april 2021 en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een in mindering te brengen bedrag van € 24.396,- aan salaris van [gedaagde sub 1] . </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bedrag van € 2.500,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] stelt dat het bedrag van € 2.500,- is verrekend met de lening van [gedaagde sub 1] op Facevalue. Hiervoor geldt hetzelfde als eerder is overwogen. Verrekening was toen mogelijk. Aransil heeft niet gesteld dat verrekening niet heeft plaatsgevonden. Het bedrag is dan ook niet aan Facevalue onttrokken, maar met een schuld van Facevalue aan [gedaagde sub 1] verrekend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De twee bedragen van elk € 25.000,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>De twee bedragen van elk € 25.000,- hebben volgens [gedaagde c.s.] betrekking op door [gedaagde sub 1] te betalen bedragen in het kader van een door hem met PB Invest GmbH overeengekomen privéschikking.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>Uit de stellingen van partijen begrijpt de rechtbank dat [gedaagde sub 1] , toen de twee bedragen van elk € 25.000,- aan of ten behoeve van hem werden overgemaakt, recht had op betaling van € 100.000,- aan uitgesteld salaris over 2020 en dat dit salaris niet aan hem is betaald. Aransil heeft deze stelling niet betwist. Gelet hierop valt niet in te zien dat Facevalue, door de overmakingen tot een totaalbedrag van € 50.000,- aan of ten behoeve van [gedaagde sub 1] , schade heeft geleden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bedrag van € 11.256,-, van € 23.354,- en van € 24.396,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>Tussen partijen staat het volgende vast. Het salaris van [gedaagde sub 1] over de maanden augustus en september 2021, een totaalbedrag van € 24.396,-, is niet uitbetaald. Dit in verband met een toen door PB Invest GmbH gelegd conservatoir beslag op de bankrekening van [gedaagde sub 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] stelt dat in plaats van dat salaris in totaal een bedrag van € 23.354,- aan onkosten aan of ten behoeve van hem is overgemaakt, waaronder een bedrag van € 11.256,- aan de advocaat van [gedaagde sub 1] , en dat dit totaalbedrag met het aan hem toekomende salaris over de maanden augustus en september 2021 is verrekend. Aransil heeft deze stelling niet betwist. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van deze stelling. Voor de bedragen van € 11.256,- en € 23.354,- geldt dan ook dat deze niet onrechtmatig aan Facevalue zijn onttrokken. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bedrag van € 10.000,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] stelt dat het bedrag van € 10.000,-, betaald aan advocatenkantoor KienhuisHoving, betrekking heeft op door Facevalue ingewonnen juridisch advies over een mogelijk door IIU in 2022 te verstrekken lening. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze stelling. Uit de opdrachtbrief van de advocaat van KienhuisHoving<footnote-ref linkend="_db697c22-9b41-4284-bef2-24f63eae6d6c" /> blijkt immers van voor Facevalue te verrichten werkzaamheden. De enkele stelling van Aransil dat, zo begrijpt de rechtbank, het inschakelen van een advocaat in dit verband onzinnig is, maakt het voorgaande niet anders. Ook deze betaling is dus niet aan te merken als een onrechtmatige onttrekking aan Facevalue. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>III. <emphasis role="bold">Meer salaris</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat aan [gedaagde sub 1] in de jaren 2020, 2021 en 2022 in totaal een bedrag van € 37.927,- aan 5% salarisverhoging is overgemaakt en aan [gedaagde sub 2] in totaal een bedrag van € 21.594,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30.</nr>
      <para>Tussen partijen staat verder onbetwist vast dat het bestuur in 2020 aan <emphasis role="italic">alle</emphasis> medewerkers van Facevalue een salarisverhoging van 5% heeft toegekend en dat de reden hiervoor was dat jarenlang salarisverhogingen achterwege waren gelaten. De rechtbank gaat er gelet daarop van uit dat de salarisverhoging in het belang van Facevalue is geweest. Niet valt dan ook in te zien dat op dit punt sprake was van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 BW, laat staan van een aan het bestuur te maken ernstig verwijt op dit punt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>IV. <emphasis role="bold">Private expenses</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 1] heeft in de periode van februari 2018 tot mei 2022 met een creditcard van Facevalue betalingen verricht tot een totaalbedrag van € 14.851,15. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] heeft toegelicht dat en waarom alle betalingen, met uitzondering van een betaling van € 77,01, een zakelijk karakter hadden. De rechtbank gaat van dat zakelijke karakter uit. Aransil heeft daartegenover onvoldoende (nader) gesteld. Ook deze betalingen zijn dus niet aan te merken als onrechtmatige onttrekkingen aan Facevalue. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] stelt dat de betaling van € 77,01 een privébetaling was die [gedaagde sub 1] per ongeluk met de creditcard van Facevalue heeft gedaan. De rechtbank heeft geen grond om aan de juistheid van die stelling te twijfelen. Dit betekent, mede gelet op de zeer geringe omvang van het bedrag, dat van een aan [gedaagde c.s.] te maken ernstig verwijt geen sprake kan zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>V. <emphasis role="bold">Better Beans</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34.</nr>
      <para>Mevrouw [A] , echtgenote van [gedaagde sub 1] (hierna: [A] ), was in de periode van 1 maart 2018 tot 1 september 2020 in dienst van Facevalue als HRmanager. [A] heeft na 1 september 2020 tot een totaalbedrag van € 42.507,- facturen aan Facevalue gestuurd voor in opdracht van Facevalue verrichte werkzaamheden. Facevalue heeft deze facturen betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35.</nr>
      <para>Aransil stelt dat [A] na 1 september 2020 geen werkzaamheden meer voor Facevalue heeft verricht. De rechtbank vindt deze enkele stelling, die niet is onderbouwd, onvoldoende om aan te nemen dat het totaalbedrag van € 42.507,- onrechtmatig aan Facevalue is onttrokken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [gedaagde c.s.] tegenover deze stelling heeft toegelicht dat [A] na 1 september 2020 op zzp-basis parttime werkzaamheden voor Facevalue heeft verricht die zij maandelijks heeft gefactureerd. De rechtbank heeft, mede gelet op de facturen en urenspecificaties van [A] die zijn overgelegd, geen grond om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.36.</nr>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de vorderingen van Aransil moeten worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.37.</nr>
      <para>Aransil zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde c.s.] worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht	€ 	2.277,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	7.004,00</emphasis> (2,0 punten × tarief € 3.502,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	9.281,00</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt Aransil in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde c.s.] tot op heden begroot op € 9.281,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt Aransil in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Aransil niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, mr. C.P. Lunter en mr. F. Jorritsma en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.<footnote-ref linkend="_05b99d35-064b-4202-9c47-555fc0ffb976" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_b0cc1861-6222-45c2-afca-a2acc24df7e4" label="1">
    <para> Zie bijv. arrest Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:146.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78627944-1183-43eb-9656-7252e33209e1" label="2">
    <para> Zie bijv. arrest Hoge Raad 8 januari 2020, ECLI:NL:HR:2010:BJ9352. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_36a46d08-a08c-4d97-83ba-cb8aa3426bc3" label="3">
    <para> Prod. 21 van Aransil.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d769d47-1593-482e-8b0e-c28e48c8b0ca" label="4">
    <para> Prod. 29 van [gedaagde c.s.] , bladzijde 17.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_906a7571-82fe-4c70-ae71-345d58f9a51b" label="5">
    <para> Prod. 8 van Aransil, laatste bladzijde.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2516c56-d2e5-4a07-b4fd-7223ecb88d26" label="6">
    <para> Prod. 30 van [gedaagde c.s.]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3fba8b18-078a-46aa-a46a-f04c726bbc47" label="7">
    <para> Prod. 4 van [gedaagde c.s.]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5061f701-8e5d-467d-8424-98ba94e3e529" label="8">
    <para> Prod. 31 van [gedaagde c.s.]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5bf36b8b-f473-4652-931b-687f487683e4" label="9">
    <para> Prod. 32 van [gedaagde c.s.]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_db697c22-9b41-4284-bef2-24f63eae6d6c" label="10">
    <para> Prod. 38 van [gedaagde c.s.]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_05b99d35-064b-4202-9c47-555fc0ffb976" label="11">
    <para>type: HvS (4206)</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>