<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:7692</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T08:38:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/6496</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7692">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7692</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T08:38:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:7692 Rechtbank Midden-Nederland , 20-12-2024 / 24/6496</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:7692:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk omdat niet wordt voldaan aan de eis van formele connexiteit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:7692:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 24/6496 </para>
    </parablock>
  </section>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht</emphasis>, verweerder.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Verzoeker is eigenaar van het pand aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker heeft het college op 9 oktober 2024 verzocht handhavend op te treden tegen de gemeente vanwege het storten van een betonnen funderingsstrook met daarop een gemetselde muur in het desbetreffende pand, omdat daarvoor volgens verzoeker een omgevingsvergunning vereist is. </para>
    <para />
    <para>2.  Op 18 oktober 2024 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend tegen de fictieve weigering om handhavend op te treden naar aanleiding van voormeld verzoek. Tevens heeft verzoeker op 18 oktober 2024 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op 7 november 2024 een reactie ingediend. Op 22 november 2024 heeft verzoeker een nadere reactie ingediend over de formele connexiteit van het verzoek om een voorlopige voorziening. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft met het primaire besluit van 29 november 2024 het handhavingsverzoek afgewezen. </para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen als het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.<footnote-ref linkend="_6d995cac-492c-4c01-9777-9eaf410ad4f6" /> De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>6. Volgens artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningen-rechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <para>7. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, maar bezwaar daartegen is uitgesloten in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit staat alleen rechtstreeks beroep open bij de bestuursrechter, op grond van artikel 8:1 van de Awb in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Het bezwaarschrift is bij het verzoek om een voorlopige voorziening gevoegd. De gemachtigde van verzoeker heeft naar aanleiding van een telefoongesprek met de griffier in een e-mailbericht van 22 november 2024 toegelicht waarom volgens hem tegen het niet tijdig nemen van een besluit bezwaar open staat en dat het verzoek daarom voldoet aan de vereisten van formele connexiteit. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat verzoeker niet wenst dat zijn bezwaar wordt behandeld als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Hierdoor wordt niet voldaan aan de uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb volgende eis van formele connexiteit met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure. </para>
    <para />
    <para>8. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat zij van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft. Volgens de informatie van het college zijn de werkzaamheden zodanig gevorderd dat de betonnen funderingsstrook is gestort en de daarop te metselen muur is opgetrokken tot en met de vierde etage. De werkzaamheden zijn dus grotendeels voltooid en zijn voorts niet onomkeerbaar. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>20 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. </title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6d995cac-492c-4c01-9777-9eaf410ad4f6" label="1">
    <para> Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>