<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:7353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-30T10:35:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/6966</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7353">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-30T10:34:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:7353 Rechtbank Midden-Nederland , 12-12-2024 / 24/6966</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:7353:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitspraak BNT BZ. Handhavingsverzoek uitvoeren van helicoptervluchten. Beroep gegrond en zelf voorzien door verzoek alsnog af te wijzen. Vluchten zijn al uitgevoerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:7353:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 24/6966 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Stichting Behoud de Eemvallei, gevestigd in Baarn, eiseres</title>
    <para>(gemachtigden: mr. G.M.J. Storm en mr. D.C. van Kekem),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, verweerder </title>
    <para>(gemachtigden: R. Vermeeren en A.E.M. Polfliet).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij neemt aan de zaak deel: <emphasis role="bold">[derde belanghebbende] B.V.</emphasis>, gevestigd in [vestigingsplaats]</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, </para>
    <parablock>
      <para>omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar handhavingsverzoek van </para>
      <para>22 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. </para>
    <para>Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht heeft aan derde-partij een </para>
    <para>ontheffing verleend voor het maken van maximaal vijftig helikoptervluchten vanaf een perceel aan het [adres] in [plaats] op 2 november 2024.</para>
    <para />
    <para>4. Op 22 oktober 2024 heeft eiseres het college (van burgemeester en wethouders) </para>
    <para>verzocht om binnen vijf werkdagen preventief handhavend op te treden tegen de dreigende overtreding van het verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, die bestaat uit het gebruiken van gronden in strijd met het omgevingsplan. </para>
    <para />
    <para>5. Op 30 oktober 2024 heeft eiseres bij het college bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig </para>
    <para>nemen van een beslissing op haar handhavingsverzoek. Diezelfde dag heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen met het oog op de geplande helikoptervluchten op 2 november 2024. Het bezwaarschrift was bij het verzoek om voorlopige voorziening gevoegd en de rechtbank heeft dit als beroepschrift in behandeling genomen.<footnote-ref linkend="_59481bbc-8e20-40a4-96e7-3ad77dce17cf" /></para>
    <para>6. Een handhavingsverzoek is een beschikking op aanvraag waarvoor de wet geen </para>
    <para>beslistermijn bepaalt. Een besluit op een handhavingsverzoek moet daarom binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag worden gegeven.<footnote-ref linkend="_50008ded-7053-49bf-8a8d-2eec0512879e" /> Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan.<footnote-ref linkend="_392a5437-5a0e-4c5d-b77b-1faf4d54503b" /> Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). In gevallen waarin het niet redelijk is om te vragen dat het bestuursorgaan eerst in gebreke wordt gesteld, kan een beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om tijdig een besluit te nemen.<footnote-ref linkend="_704aa937-95d8-4c0d-8cdb-d82e90ac2239" /></para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank vindt in dit geval een beslistermijn van vijf werkdagen niet onredelijk. De </para>
    <para>activiteit zou plaatsvinden op 2 november 2024. Langer wachten betekende dan dat het te nemen besluit weinig of geen betekenis meer zou hebben. Daarbij geldt dat het voor het college ook niet onmogelijk was om binnen die termijn een besluit op het verzoek te nemen. Gezien de spoedeisendheid van de situatie is de rechtbank verder van oordeel dat een ingebrekestelling redelijkerwijs niet nodig was. </para>
    <para />
    <para>8. Vast staat dat het college (nog) geen besluit op het verzoek heeft genomen. Het beroep is gegrond. Het met een beslissing gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing moet worden vernietigd.</para>
    <para />
    <para>9. Eiseres heeft niet gevraagd om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vanwege niet tijdig beslissen vast te stellen.</para>
    <para />
    <para>10. Het verzoek om preventieve handhaving is gericht tegen de helikoptervluchten die op 2 november 2024 hebben plaatsgevonden, nadat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening had afgewezen.<footnote-ref linkend="_a05dd28f-f559-44ff-a20c-dcf9a12be1a0" /> Er is daarom nu hoe dan ook geen sprake meer van een dreigende overtreding. Daarom moet worden vastgesteld dat het college het handhavingsverzoek zou afwijzen als het alsnog zou beslissen. Een andersluidend besluit is niet denkbaar. De rechtbank ziet hierin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, door het handhavingsverzoek af te wijzen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Het college hoeft nu dus geen besluit meer te nemen. De rechtbank onderkent dat de Awb geen grondslag geeft voor een dergelijke inhoudelijke beslissing bij een beroep vanwege niet tijdig beslissen, maar ziet in de rechtspraak wel de ruimte hiervoor.<footnote-ref linkend="_1e5a4b0c-34bc-4b34-b41a-eb21d45324e3" /><?linebreak?></para>
    <para>11. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en </para>
    <para>krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- wijst het handhavingsverzoek af;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_59481bbc-8e20-40a4-96e7-3ad77dce17cf" label="1">
    <para> Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb in samenhang met de artikelen 8:1 en 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_50008ded-7053-49bf-8a8d-2eec0512879e" label="2">
    <para> Artikel 4:13, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_392a5437-5a0e-4c5d-b77b-1faf4d54503b" label="3">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_704aa937-95d8-4c0d-8cdb-d82e90ac2239" label="4">
    <para> Artikel 6:12, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a05dd28f-f559-44ff-a20c-dcf9a12be1a0" label="5">
    <para> Uitspraak van 1 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6313.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e5a4b0c-34bc-4b34-b41a-eb21d45324e3" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:1102, overweging 8.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>