<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-19T14:13:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 23/4618</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Bestuursrecht 2024/35</rdf:li>
          <rdf:li>JOM 2024/142</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:698">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-14T10:29:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:698 Rechtbank Midden-Nederland , 14-02-2024 / UTR 23/4618</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:698:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 6:11 Awb, verschoonbaarheid van termijnoverschrijding bezwaar. Toepassing nieuwe lijn van op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. Leidt het niet in de publicatie vermelden van de datum van de bekendmaking van het besluit tot verschoonbaarheid?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:698:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 23/4618 </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2024 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 2]
        </emphasis> en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 3]
        </emphasis>, allen uit [woonplaats] , eisers</para>
      <para>hierna samen: de omwonenden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren</emphasis>, verweerder</para>
      <para>hierna: het college.</para>
      <para>(gemachtigden: mr. J.R. van Angeren en mr. F.E. ten Hove).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Deze zaak gaat over drie beslissingen op bezwaar van 4 juli 2023, waarmee het college de bezwaren van de omwonenden tegen een omgevingsvergunning voor de aanleg van een weg naar een nog te bouwen appartementencomplex aan de [straat] in [woonplaats] niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend. De omwonenden hebben daartegen beroep ingesteld. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaarschrift van de omwonenden terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 2] en [eiser 3] , waarbij [eiser 3] ook [eiser 1] vertegenwoordigde. Verder waren de gemachtigden van het college aanwezig.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het bezwaarschrift was te laat</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.<footnote-ref linkend="_16968355-98ac-41b6-9ff8-a8bfa17b24d2" />Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.<footnote-ref linkend="_af730862-3cd6-4736-a64e-5d2d49d9c79c" /> Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden.<footnote-ref linkend="_430001d7-a0ce-4ea8-aaed-482d4affc01c" /> Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.</para>
    <para />
    <para>4. De omgevingsvergunning is op 24 oktober 2022 verleend en op diezelfde dag bekend gemaakt door verzending van het besluit per post aan de vergunninghouder. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 5 december 2022. </para>
    <para />
    <para>5. Het bezwaarschrift van de omwonenden dateert van 12 december 2022 en is volgens het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie ook op die datum door het college ontvangen. Daarmee is het bezwaarschrift te laat ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De rechtbank kijkt naar de context</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, dan moet het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als voor het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift een geldige reden is. Het gaat dan om omstandigheden waar de omwonenden redelijkerwijs niets aan konden doen. In zo’n geval laat het college niet-ontvankelijkverklaring achterwege omdat de te late indiening van het bezwaar ‘verschoonbaar’ is. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    <para />
    <para>7. De beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, vergt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. De rechtbank verwijst naar de recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechters.<footnote-ref linkend="_53b5dc44-d266-4f87-9c65-658a73c99cb7" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De publicatie is geen geldige reden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. De omwonenden zijn uitgegaan van een termijn van zes weken na de publicatie van de verleende omgevingsvergunning in het gemeenteblad van 1 november 2022 – 8 dagen na de datum van bekendmaking. Zij vinden dat de termijnoverschrijding hun niet valt te verwijten, omdat in deze publicatie niet staat vermeld wanneer de omgevingsvergunning aan de aanvrager is verzonden. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank ziet hierin geen geldige reden voor de termijnoverschrijding. In de publicatie van 1 november 2022 staat dat de gemeente op 24 oktober 2022 een besluit heeft genomen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een weg. Verder vermeldt de publicatie het volgende: <?linebreak?>“<emphasis role="italic">Een belanghebbende kan binnen 6 weken na de bekendmaking (dat is de datum van verzending aan de aanvrager) van een besluit bezwaar maken bij burgemeester en wethouders […].</emphasis>” <?linebreak?>Hoewel de verzenddatum zelf in de publicatie niet wordt genoemd, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbenden door de formulering van de publicatie niet op het verkeerde been zijn gezet. De termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaar van de omwonenden is daarom niet veroorzaakt door de publicatie. Het had op hun weg gelegen om te informeren naar de datum van de bekendmaking, om zo zekerheid te krijgen over het einde van de bezwaartermijn. De omwonenden hebben verder ook geen bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De andere vergunning is ook geen geldige reden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. De omwonenden menen verder dat zij het overzicht zijn kwijt geraakt door de keuze van de vergunninghouder om de omgevingsvergunningen voor het aanleggen van de weg en het bouwen van het appartementencomplex niet samen aan te vragen, terwijl volgens hen sprake is van onlosmakelijke samenhang. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank ziet ook hierin geen reden om te oordelen dat de omwonenden niet in staat waren om tijdig een bezwaarschrift in te dienen tegen de omgevingsvergunning voor het aanleggen van de weg. De twee omgevingsvergunningen zijn op een andere datum verleend en gepubliceerd. Het bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het appartementencomplex is tijdig ingediend, maar dat betekent niet dat daarmee het bezwaar tegen de aanlegvergunning ook tijdig is. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>12. De rechtbank is van oordeel dat bij eisers geen sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid of van geringe verwijtbaarheid. De overschrijding van de termijn voor het indienen van hun bezwaar is niet verschoonbaar.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de drie beslissingen op bezwaar van 4 juli 2023 met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijven en dat de bezwaren van de omwonenden niet inhoudelijk worden beoordeeld. <?linebreak?></para>
      <para>14. De omwonenden krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn en mr. C.H. Verweij, griffiers. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14  februari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier Van der Hoorn</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter De Meulder</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_16968355-98ac-41b6-9ff8-a8bfa17b24d2" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_af730862-3cd6-4736-a64e-5d2d49d9c79c" label="2">
    <para>Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_430001d7-a0ce-4ea8-aaed-482d4affc01c" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53b5dc44-d266-4f87-9c65-658a73c99cb7" label="4">
    <para> Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>