<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:6300</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T10:08:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/577680 / HA ZA 24-339</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:6300">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:6300</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T10:08:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:6300 Rechtbank Midden-Nederland , 08-11-2024 / C/16/577680 / HA ZA 24-339</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:6300:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geschil over betaling van facturen. Het staat vast dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en op grond van die overeenkomst moeten de facturen grotendeels worden betaald. De verweren ontbinding van de overeenkomst, opschorting van de betalingsverplichting en verrekening slagen niet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:6300:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Midden-Nederland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/16/577680 / HA ZA 24-339</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 8 november 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">MR. FOUAD EL HOUZI Q.Q. </emphasis>
      </para>
      <para>in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van <emphasis role="bold">[onderneming 1] B.V. </emphasis></para>
      <para>te [.] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: de curator,</para>
      <para>advocaat: mr. W.H.B.K. Nieuwesteeg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.E. Polet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenwoordig zijn mr. N.A.J. Purcell, rechter en mr. M.W. Medema, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van 27 juni 2024 met producties, </para>
      <para>- de conclusie van antwoord met producties, </para>
      <para>- de akte van de curator met aanvullende producties. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft vandaag plaatsgevonden. De advocaat van de curator heeft spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die mondelinge uitspraak is hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 1 en 2 zijn toegevoegd voor de duidelijkheid. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft voor verschillende opdrachten uitzendkrachten ingehuurd waarvoor [onderneming 1] haar facturen stuurde. [onderneming 1] heeft in deze procedure betaling van verschillende facturen, in totaal € 29.915,01 gevorderd, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incasso- en proceskosten. [gedaagde] meent dat zij geen overeenkomst met [onderneming 1] heeft. Als er wel sprake is van een overeenkomst tussen [gedaagde] en [onderneming 1] , stelt [gedaagde] dat zij niets aan [onderneming 1] hoeft te betalen omdat zij de overeenkomst ontbindt, haar betalingsverplichting opschort of de vordering verrekent met haar vordering op [onderneming 1] . Omdat [onderneming 1] op 28 augustus 2024 failliet is verklaard, is de procedure overgenomen door de curator. De verweren van [gedaagde] slagen niet en de vordering van inmiddels de curator wordt grotendeels toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van de vorderingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [gedaagde] heeft wel degelijk contractuele relatie met [onderneming 1]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is van mening dat zij geen overeenkomst heeft met [onderneming 1] , maar met [A] (hierna: [A] ). [gedaagde] had alleen met [A] contact over de levering van uitzendkrachten. Omdat [gedaagde] geen overeenkomst zou hebben met [onderneming 1] , is zij van mening dat zij niets aan de curator hoeft te betalen. Dat verweer slaagt niet. Uit het dossier blijkt duidelijk dat de inleenovereenkomsten formeel werden gesloten tussen [onderneming 1] en [gedaagde] . Ook als [gedaagde] de overgelegde inleenovereenkomsten nooit zou hebben ontvangen, was haar duidelijk dat hoewel de contacten liepen via [A] of [onderneming 2] B.V., een vennootschap van [A] , de facturen werden gestuurd door [onderneming 1] . Ze moest [onderneming 1] betalen voor de ingeleende werknemers. Uit het betaaloverzicht dat door de curator is overgelegd volgt dat [gedaagde] eerdere facturen van [onderneming 1] wel heeft betaald. Daar al blijkt uit dat haar duidelijk was hoe het zat. Ook volgt uit het whatsappgesprek van 16 maart 2023 tussen [gedaagde] en [A] dat [gedaagde] bekend was met het feit dat de facturen aan [onderneming 1] moeten worden betaald, omdat [A] daarin zegt dat hij niets factureert en dat alles via [onderneming 1] loopt. De stelling dat [gedaagde] ook wel eens via [A] uitzendkrachten inhuurde en dan facturen kreeg van andere bedrijven dan [onderneming 1] doet niet ter zake. In deze procedure gaat het om de facturen van [onderneming 1] en gesteld noch gebleken is dat een ander bedrijf facturen heeft gestuurd voor dezelfde uitzendkrachten. Er kan geen verwarring zijn en het kan niet anders dan duidelijk zijn dat voor deze uitzendkrachten formeel sprake is van inlening bij [onderneming 1] . Dit betekent dat de facturen van [onderneming 1] , als ze kloppen, door [gedaagde] moeten worden betaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De facturen moeten grotendeels worden betaald</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De facturen die [onderneming 1] aan [gedaagde] heeft gestuurd zijn allemaal gespecificeerd. Dat wil zeggen: er is een vast uurtarief en dat wordt dan in rekening gebracht voor <emphasis role="italic">bepaalde </emphasis>uitzendkrachten, over <emphasis role="italic">bepaalde</emphasis> weken, met een <emphasis role="italic">bepaald </emphasis>aantal uur dat in die week is gewerkt op een <emphasis role="italic">bepaald</emphasis> project van [gedaagde] . [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord geen van de facturen, afgezien van de facturen 62217793 en 62217794 na, inhoudelijk betwist. Dat zijn immers de enige facturen waarover zij stelt dat bepaalde mensen bepaalde uren niet hebben gewerkt. Daarom moet [gedaagde] de facturen op facturen 62217793 en 62217794 na, volledig betalen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de zitting heeft de heer [B] namens [gedaagde] bij herhaling gezegd dat alle facturen niet kloppen omdat er mensen meerdere mensen zijn weggelopen, niet geschikt waren, of niet konden werken omdat ze geen vca hadden, maar met die herhaalde algemene opmerkingen kan de rechter niets. Als op facturen specifiek wordt vermeld welke uitzendkrachten in welke weken welke uren op welke projecten hebben gewerkt, is het aan [gedaagde] om te stelen <emphasis role="bold">wie </emphasis>er <emphasis role="bold">welke week</emphasis> en <emphasis role="bold">welke uren</emphasis> niet zou hebben gewerkt - en dus ten onrechte in rekening zou zijn gebracht. Dat heeft zij alleen gedaan voor wat betreft de facturen met de nummers 62217793 en 62217794. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Hoewel het algemene, niet-specifieke verweer daar geen aanleiding toe geeft, heeft de rechter nog naast elkaar gelegd </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>a) wat er in het door [gedaagde] overgelegde whatsappgesprek tussen [gedaagde] en [A] te lezen is aan klachten over niet weggelopen of niet verschenen uitzendkrachten en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>b) wat er in de weken waarin die klachten speelden is gefactureerd. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Uit die vergelijking valt juist op dat [onderneming 1] in de weken dat [gedaagde] heeft geklaagd minder heeft gefactureerd dan in andere weken. Zo is bijvoorbeeld in week 8 te lezen dat de heer [B] op dinsdag (terecht) boos is dat “die jongens” geen geld hebben gekregen en niet meer willen werken; en in die week zijn [C (voornaam)] en [D (voornaam)] ook maar voor één dag in rekening gebracht, terwijl zij in de eerdere weken voor 40 uur per week in rekening werden gebracht. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Op de betwisting van bepaalde uren in facturen 62217793 en 62217794 heeft de curator verder niet gereageerd, dus hoeft [gedaagde] deze facturen niet volledig te betalen. Van factuur 62217793 is 7,25 uur ten onrechte in rekening gebracht en van factuur 62217794 2 uur. Dit betekent dat er in totaal € 254,38 van de openstaande facturen wordt afgetrokken. Dit bedrag bestaat uit: </para>
        <para>€ 199,38  	Factuur 62217793  (-7,25 uur voor medewerker [E] ). </para>
        <para>€   55,-	 	Factuur 62217794  (- 2 uur, voor vier medewerkers -0,5 uur). <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De juridische verweren van [gedaagde] slagen niet</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>
        [gedaagde] stelt dat zij niets aan [onderneming 1] hoeft te betalen en heeft daar drie juridische verweren voor aangevoerd:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Ontbinding van de overeenkomst vanwege een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Opschorting van haar betalingsverplichting vanwege de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Verrekening met haar vordering tot schadevergoeding.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>Deze verweren slagen niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Het eerste verweer, het beroep op ontbinding, slaagt niet omdat het niet is gespecificeerd. Het is onduidelijke welke overeenkomst wordt ontbonden en waarom. Er is hier geen sprake van één overeenkomst, maar van een serie van inleenovereenkomsten. Voor elke uitzendkracht is kennelijk een aparte overeenkomst gesloten voor een bepaald project, vanaf een bepaalde datum. [gedaagde] maakt niet duidelijk welke overeenkomsten zij wil ontbinden. [gedaagde] maakt in de conclusie van antwoord ook niet duidelijk op welke tekortkoming of tekortkomingen zij het beroep op ontbinding baseert; het blijft bij algemene verwijten. Uit het whatsappgesprek tussen [B] en [A] kan de rechter, als hij zelf op zoek gaat naar een concrete tekortkoming, wel afleiden dat sprake is geweest van ten minste één duidelijke tekortkoming: op 21 februari 2023 zijn werknemers weggelopen omdat ze niet werden betaald. [gedaagde] heeft echter op geen enkele manier duidelijk gemaakt hoe die tekortkoming kan rechtvaardigen dat zij bijvoorbeeld facturen van meer dan een half jaar eerder voor andere werknemers op een ander project niet zou hoeven te betalen, of juridisch gezegd: welke inleenovereenkomsten zij dan zou kunnen en willen ontbinden. Het beroep op ontbinding is dan ook te algemeen en ongespecificeerd en kan daarom niet slagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Ten overvloede: als het beroep op ontbinding wel zou slagen, betekent dat niet dat [gedaagde] niets hoeft te betalen aan de curator. Het gevolg van ontbinding is dat er een ongedaanmakingsverplichting ontstaat en omdat de verbintenis van [onderneming 1] in dit geval niet ongedaan kan worden gemaakt moet [gedaagde] de waarde van de geleverde prestatie vergoeden. Dit betekent dat [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de uitzendkrachten die [onderneming 1] ter beschikking heeft gesteld, oftewel de facturen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Ook het beroep op opschorting en verrekening slaagt niet, omdat niet blijkt dat sprake is van een tegenvordering. [gedaagde] stelt dat zij een vordering heeft op [onderneming 1] voor vergoeding van haar schade als gevolg van de tekortkomingen van [onderneming 1] . [gedaagde] is, dat kwam al aan de orde, erg weinig specifiek over die tekortkomingen, en heeft daarbij helemaal niets gesteld over wat voor schade zij daardoor heeft geleden. Het is mogelijk dat het weglopen van uitzendkrachten leidt tot schade, omdat [gedaagde] die uitzendkrachten nodig heeft om een bepaalde klus te doen, en als ze weglopen in de knel kan komen met termijnen en dergelijke. Maar dat dat is gebeurd en hoe dat vervolgens tot schade leidt wordt allemaal niet gesteld. [gedaagde] heeft niet gesteld welke schade zij heeft geleden en hoe hoog die is. Voor het doen slagen van een beroep op opschorting (of verrekening) is dit wel nodig, want dan moet op zijn minst duidelijk zijn dat er een tegenvordering is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie: [gedaagde] moet de openstaande facturen betalen, plus wettelijke handelsrente </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>De conclusie is dat [gedaagde] de facturen ter hoogte van € 29.660,63 (€ 29.915,01 - € 254,38) aan de curator moet betalen. Dit bedrag is inclusief de drie oudste facturen van 17 juni 2022. Ook deze facturen moeten worden betaald omdat [gedaagde] er geen enkel verweer tegen heeft gevoerd, hoewel opvallend is dat [onderneming 1] deze facturen in haar sommaties aan [gedaagde] nooit heeft genoemd en ze pas is gaan opeisen bij dagvaarding, terwijl ze aanzienlijk ouder zijn dan de facturen die ook in de sommaties langskwamen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Over de € 29.660,63 moet [gedaagde] de wettelijke handelsrente betalen vanaf de vervaldatum van de verschillende facturen tot het moment dat de facturen volledig zijn betaald. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>De curator vordert betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 4.487,25, te weten 15 % van de gevorderde hoofdsom. De rechter acht dat bedrag onredelijk hoog en wijst toe het bedrag dat volgens het Besluit Buitengerechtelijke Incassokosten verschuldigd zou zijn. Dat betekent dat [gedaagde] € 1.071,61 aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op: </para>
      <para>- Dagvaarding 		€    118,49</para>
      <para>- Griffierecht		€ 2.889,-</para>
      <para>- Salaris advocaat	€ 1.572,-  	(2 punten x tarief III)</para>
      <para>- Nakosten		<emphasis role="underline">€    178,-</emphasis>   	(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
      <para>Totaal			€ 4.757,49</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen uitvoerbaarheid bij voorraad </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De curator heeft gezegd daar geen bezwaar tegen te hebben en daarom zal de rechter het vonnis niet uitvoerbaar bij voorbaat verklaren.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan de curator een bedrag van € 29.660,63 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW) over dit bedrag, met ingang van de vervaldatum van de facturen tot de dag van volledige betaling; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan de curator een bedrag van € 1.071,61 te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van de curator tot op vandaag begroot op € 4.757,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. N.A.J. Purcell, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Medema, griffier, op 8 november 2024. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>