<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:5853</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-01T10:49:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/3088</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:5853">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:5853</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-01T10:49:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:5853 Rechtbank Midden-Nederland , 17-10-2024 / UTR 24/3088</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:5853:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten bewindvoerder afgewezen vanwege een te hoge draagkracht. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:5853:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 24/3088 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [bewindvoerder], gevestigd te [vestigingsplaats]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>in de hoedanigheid van bewindvoerder van</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, uit [woonplaats], eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B. Hopman).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft op 10 juli 2023 bijzondere bijstand gevraagd voor de kosten van bewindvoering, een intake en griffierecht.<footnote-ref linkend="_646667e9-ca38-4c11-bb2d-151f29af5eb7" /></para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen met het besluit van 25 september 2023 (het primaire besluit). Volgens verweerder is de draagkracht van eiser, over de periode 1 juni 2023 tot en met 31 mei 2024, te hoog in verhouding tot de kosten.</para>
    <para />
    <para>3. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 8 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Voor de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie), dat verweerder integraal heeft overgenomen.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inhoud bestreden besluit en advies van de commissie (in essentie)</bridgehead>
    <para />
    <para>5. Verweerder stelt dat geen aanspraak gemaakt kan worden op bijzondere bijstand voor de gevraagde kosten van bewindvoering, intake en griffierecht, omdat het inkomen van eiser in de maanden juni, juli en augustus 2023 hoger was dan de totale kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd. </para>
    <para />
    <para>6. Volgens de beleidsregels van verweerder wordt bijzondere bijstand verstrekt onder aftrek van de draagkracht.<footnote-ref linkend="_2d64e4f4-33b8-4557-97ea-8f67f36b3004" /> Het kan gaan om draagkracht uit vermogen en uit inkomen. Van draagkracht uit inkomen kan worden uitgegaan indien een belanghebbende over inkomen beschikt dat hoger is dan 120% van de bijstandsnorm.<footnote-ref linkend="_de20825f-0bc1-4687-91bd-388594670c18" /> Dit laatste is het geval voor eiser. </para>
    <para />
    <para>7. De draagkracht is in dit geval berekend vanaf juni 2023, omdat de beschikking van de rechter over de onderbewindstelling dateert van 6 juni 2023. De inkomsten die in het primaire besluit zijn vermeld over de maanden maart, april en mei 2023 zijn niet relevant voor de berekening van de draagkracht. De kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd deden zich toen nog niet voor.</para>
    <para />
    <para>8. De bezwaargrond dat de afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand in strijd is met het evenredigheidsbeginsel volgt verweerder niet, omdat het inkomen van eiser over juni, juli en augustus 2023 ruim boven de bijstandsnorm lag. Ook is niet gebleken van ‘zeer dringende redenen’ om toch bijzondere bijstand te verstrekken. Er is niet gebleken van een acute noodsituatie.<footnote-ref linkend="_abf35839-4c52-4768-8a95-47221ebb2ad9" /></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beroepsgronden (in essentie)</title>
    <para />
    <para>9. Eiser vindt het onzorgvuldig dat de gokopbrengsten waar verweerder vanuit gaat zijn meegerekend als inkomen en vermogen. Dit is volgens hem een dubbeltelling. Daarnaast vindt eiser dat als het gaat om de (periodieke) kosten voor bewind van een verkeerde periode is uitgegaan voor het vaststellen van de draagkracht. Volgens vaste rechtspraak komen de aanvangskosten voor een bewindvoerder op, op de dag waarop de bewindvoerder door de kantonrechter wordt benoemd.<footnote-ref linkend="_a0fa6d5c-ba79-4caf-a19b-9971635c4d0e" /></para>
    <para />
    <para>10. De algemene bijstand voor eiser is per 1 september 2023 weer voortgezet. Verweerder erkent hiermee dat eiser per 1 september 2023 weer voldoet aan de voorwaarden voor een bijstandsuitkering en dat eventuele onduidelijkheden over een te hoog inkomen en of vermogen niet meer spelen. Om deze reden had verweerder ook de bijzondere bijstand voor de kosten van bewind in ieder geval moeten toekennen per 1 september 2023.</para>
    <para />
    <para>11. Van belang is dat eisers inkomen en vermogen sterk zijn gedaald. Bij een daling van het inkomen van 10% hoort de draagkracht aangepast te worden. Dat is voor eiser niet gedaan. Dit terwijl de kosten van bewind een periodiek karakter hebben en maandelijks blijven doorlopen. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>12. De rechtbank stelt vast dat ter zitting door de gemachtigde van eiser is meegedeeld dat het beroep zich alleen nog richt tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor zover het de kosten van de bewindvoerder betreft, dit omdat deze kosten een periodiek karakter hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Periode waarover de draagkracht is berekend</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. De rechtbank overweegt dat de dag waarop de bewindvoerder door de kantonrechter wordt benoemd geldt als het moment dat de aanvangskosten hiervoor opkomen.<footnote-ref linkend="_1971cefa-c54c-4e8f-84e2-d7c7782729b4" /></para>
    <para />
    <para>14. In het beleid van verweerder is opgenomen dat de draagkrachtperiode in gaat op de <emphasis role="italic">eerste dag van de maand</emphasis> waarin de oudste kosten zijn gemaakt.<footnote-ref linkend="_12e660c5-34a5-41d7-93da-c97f13e006b3" /> De beschikking van de kantonrechter, waarmee eiser onder bewind is gesteld, dateert van 6 juni 2023. Verweerder heeft om deze reden 1 juni 2023 als aanvangsdatum voor de draagkrachtperiode genomen. </para>
    <para />
    <para>15. De draagkracht wordt voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, op grond van het beleid van verweerder, in hoofdregel voor een periode van één jaar vastgesteld.<footnote-ref linkend="_dcc5e1bb-d13d-4ffa-ae55-513369a65faf" /> Verweerder heeft in lijn hiermee terecht als einddatum van de draagkrachtperiode 31 mei 2024 aangehouden. De beroepsgrond hiertegen slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoogte van de draagkracht en de kosten van bewindvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. De rechtbank overweegt dat recht op bijzondere bijstand kan bestaan indien sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, <emphasis role="italic">het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm</emphasis>.<footnote-ref linkend="_65cef34b-e3bc-466f-a3f5-4813a08d9a9b" /> De zinsnede ‘naar het oordeel van het college’ duidt erop dat verweerder een zekere beleidsvrijheid heeft. </para>
    <para />
    <para>17. In dit geval staat in beleidsregels van verweerder dat indien sprake is van ‘draagkracht’ een (eventueel) bedrag aan bijzondere bijstand eerst verminderd wordt met het bedrag aan draagkracht.<footnote-ref linkend="_a8cab066-06b6-48f3-834a-a6e8ff186326" /> Er kan draagkracht uit inkomen en vermogen zijn. Voor de kosten waar het hier om gaat geldt volgens de beleidsregels dat het inkomen voor zover het hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm volledig in aanmerking wordt genomen.<footnote-ref linkend="_f417763a-b8f1-4357-b7bd-b78f0b240c4d" /> In het geval van eiser gaat het om de norm van een alleenstaande (vanaf 21 jaar) met twee kostendelende medebewoners.</para>
    <para />
    <para>18. Verweerder is uitgegaan van in aanmerking te nemen draagkracht <emphasis role="italic">bestaande uit inkomen</emphasis> in de maanden juni, juli en augustus 2023 van € 8.538,30 (dit is dus het inkomen dat boven 120% van de bijstandsnorm uitkomt in de betreffende maanden). Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de berekening zelf en van een dubbeltelling is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, uitgaande van deze berekening, eiser de kosten van de bewindvoerder voor een jaar (12 x € 125,53 = € 1.506,36) volledig kan voldoen uit de vastgestelde draagkracht, alleen al berekend over de maanden juni, juli en augustus 2023. Het gegeven dat bijzondere bijstand op basis van het beleid van verweerder enkel wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht maakt dus al dat hierop geen recht bestond ten tijde van de aanvraag.<footnote-ref linkend="_79ff50ae-4eda-42f0-82ce-805be7eb24e5" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De gestelde daling van het inkomen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>19. Eiser heeft niet betwist dat hij (kortstondig) behoorlijke gokinkomsten heeft gehad. Hij benadrukt echter dat zijn inkomen daarna weer is gedaald en dat de periodieke kosten van de bewindvoerder daarentegen doorlopen. </para>
    <para />
    <para>20. Artikel 2.3.7, zesde lid, van het Besluit luidt:</para>
    <para>- <emphasis role="italic">“Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht, de vastgestelde (resterende) draagkracht blijft dus gelden.”</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 2.3.7, achtste lid, van het Besluit luidt:</para>
    </parablock>
    <para>- <emphasis role="italic">“In afwijking van het zesde lid wordt de draagkracht in het vastgestelde draagkrachtjaar gewijzigd als het inkomen met meer dan 10% daalt of stijgt.”</emphasis></para>
    <para />
    <para>21. Zoals hiervoor is vastgesteld kon  eiser alleen al op basis van de vastgestelde draagkracht over de maanden juni, juli en augustus 2023 de totale kosten van de bewindvoerder voor een heel jaar voldoen. Dit geldt overigens ook nog als de kosten van het griffierecht en de intake daarbij opgeteld worden. Het gaat hierbij niet om geprognosticeerd inkomen, maar om inkomen dat al is ontvangen binnen het draagkrachtjaar (in zoverre is dit dus niet gedaald). Er is verder ook niet gebleken van andere bijzonder noodzakelijke kosten binnen het draagkrachtjaar. Gezien de bewoordingen van het beleid van verweerder gaat het bij een wijziging van de draagkracht, vanwege een gedaald inkomen om een <emphasis role="italic">volgende </emphasis>aanvraag. De onderhavige procedure is echter nog steeds terug te voeren tot de oorspronkelijke aanvraag van 10 juli 2023. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>22. Op de zitting heeft verweerder tenslotte meegedeeld dat men coulant is geweest bij de toekenning van de algemene bijstand. De rechtbank overweegt dat de algemene bijstand  een ander toetsingskader kent en dat de toekenning hiervan in deze procedure niet voorligt. De toekenning van algemene bijstand aan eiser betekent dan ook niet dat ook de gevraagde bijzondere bijstand had moeten worden toegekend. Het beroep slaagt niet.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>23. 	Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.  Bij deze uitkomst is geen plaats voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser of een vergoeding van het griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_646667e9-ca38-4c11-bb2d-151f29af5eb7" label="1">
    <para> Op grond van artikel 35 van de Participatiewet (de Pw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d64e4f4-33b8-4557-97ea-8f67f36b3004" label="2">
    <para> Artikel 2.3.4, tweede lid, van het Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen houdende regels omtrent de richtlijnen van Bijzondere Bijstand (het Besluit).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de20825f-0bc1-4687-91bd-388594670c18" label="3">
    <para> Artikel 2.3.5, eerste lid, van het Besluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_abf35839-4c52-4768-8a95-47221ebb2ad9" label="4">
    <para> Als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0fa6d5c-ba79-4caf-a19b-9971635c4d0e" label="5">
    <para> Eiser verwijst naar een uitspraak van 2 augustus 2016 van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) ECLI:NL:CRVB:2016:3026.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1971cefa-c54c-4e8f-84e2-d7c7782729b4" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:127 r.o. 4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12e660c5-34a5-41d7-93da-c97f13e006b3" label="7">
    <para> Artikel 2.3.7, eerste lid, van het Besluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dcc5e1bb-d13d-4ffa-ae55-513369a65faf" label="8">
    <para> Artikel 2.3.7, derde lid, van het Besluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65cef34b-e3bc-466f-a3f5-4813a08d9a9b" label="9">
    <para> Artikel 35, eerste lid, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8cab066-06b6-48f3-834a-a6e8ff186326" label="10">
    <para> Artikel 2.3.4, tweede lid, van het Besluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f417763a-b8f1-4357-b7bd-b78f0b240c4d" label="11">
    <para> Artikel 2.3.5, derde lid, onder a, van het Besluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79ff50ae-4eda-42f0-82ce-805be7eb24e5" label="12">
    <para> Artikel 2.3.4, tweede lid, van het Besluit.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>