<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:4968</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T09:50:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10906543</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4968">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4968</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T09:50:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:4968 Rechtbank Midden-Nederland , 14-08-2024 / 10906543</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4968:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procedure na uitspraken van de Huurcommissie; huur onzelfstandige woonruimte; uitspraken van de Huurcommissie staan vast, waardoor verhuurder de te veel betaalde servicekosten terug moet betalen aan huurder; vorderingen in reconventie worden afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4968:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 10906543 \ UC EXPL  24-728</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 14 augustus 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G. Gabrelian,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 23 januari 2024, met producties; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 26 februari 2024, met producties; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brieven aan partijen, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aanvullende productie van [eiser] , verzonden bij brief van 8 april 2024; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 22 mei 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] mondeling in reconventie geconcludeerd.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen en uitgesproken.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Waar gaat de zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021 een kamer (onzelfstandige woonruimte) van [gedaagde] gehuurd. [eiser] heeft op 7 november 2022 twee verzoeken ingediend bij de Huurcommissie met betrekking tot het vaststellen van de servicekosten over de periodes van 1) 1 augustus 2020 tot en met 31 december 2020 en 2) 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021. [eiser] betaalde over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 in totaal € 1.968,00 aan servicekosten aan [gedaagde] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De voorzitter van de Huurcommissie heeft op 27 maart 2023 respectievelijk 15 mei 2023 uitspraken (met zaaknummers 2200166 respectievelijk 2200165) gedaan en naar partijen verzonden, waarin is beslist dat de servicekosten over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 in totaal (€ 296,19 + € 178,30 =) € 474,49 bedragen. Geen van partijen heeft binnen de daarvoor geldende termijnen verzet aangetekend bij de Huurcommissie of de kantonrechter om een beslissing gevraagd zoals bedoeld in artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 6 juni 2023 is [gedaagde] namens [eiser] gesommeerd om binnen een termijn van vier weken tot betaling over te gaan van een bedrag van (€ 1.968,00 - € 474,49 =) € 1.493,51 ten titel van onverschuldigde betaling. In deze sommatie zijn ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 271,07 inclusief btw aangezegd. [gedaagde] heeft het bedrag van € 1.493,51 niet aan [eiser] betaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De vorderingen en standpunten van partijen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In conventie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie met zich brengen dat hij in totaal € 1.493,51 (= € 1.968,00 - € 474,49) te veel aan servicekosten heeft betaald aan [gedaagde] . Omdat zowel hij als [gedaagde] niet binnen acht weken na de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie een oordeel van de kantonrechter heeft verzocht, worden partijen op grond van artikel 7:262 lid 1 BW geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraken is vastgesteld. Wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is [eiser] van mening dat de vereisten uit artikel 6:96 lid 6 BW niet van toepassing zijn omdat [gedaagde] een professionele verhuurder is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft in de eerste plaats, samengevat, aangevoerd dat de regelgeving omtrent particuliere verhuur van woningen en het hieraan gekoppelde overheidsbeleid, zoals het puntensysteem, buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Die wet- en regelgeving is in strijd met artikel 22 lid 2 van de Grondwet (hierna: GW). Daarnaast is [gedaagde] van mening dat hij niet gehouden kan worden aan de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie over de servicekosten, omdat de procedure bij de Huurcommissie niet is verlopen volgens de beginselen van een behoorlijke procesorde. [gedaagde] betwist verder dat hij een professionele verhuurder is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In reconventie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op zijn beurt stelt [gedaagde] tegenvorderingen in (eisen in reconventie). Ten eerste vraagt hij de kantonrechter om uitspraak te doen over de ongrondwettelijke regelgeving omtrent particuliere verhuur en het hieraan gekoppelde overheidsbeleid, zoals het puntensysteem. Ten tweede vraagt hij de kantonrechter om de uitspraken van de Huurcommissie terzijde te leggen. Tot slot vraagt hij de kantonrechter een redelijke kale huur, servicekosten, belastingen en heffingen vast te stellen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [eiser] voert verweer tegen deze tegeneisen. Hij voert, samengevat, aan dat [gedaagde] onvoldoende belang heeft bij de eerste eis in reconventie. Wat betreft de tweede eis voert [eiser] aan dat [gedaagde] te laat is met het instellen van deze tegenvordering en er geen redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding door [gedaagde] gerechtvaardigd is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De beoordeling van de kantonrechter </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In conventie en reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De kantonrechter beoordeelt het geschil in conventie en in reconventie tezamen vanwege de samenhang tussen de vorderingen en stellingen van partijen in conventie en reconventie.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Huurrecht woonruimte &amp; Regelgeving/beleid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] met zijn eerste tegeneis de kantonrechter vraagt om te oordelen dat het huurrecht inzake woonruimte, meer in het bijzonder artikel 7:262 lid 1 BW, en het daaraan gekoppeld overheidsbeleid in strijd zijn met artikel 22 lid 2 GW (te weten: de zorgplicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen). De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] betoogt dat vanwege deze strijdigheid met artikel 22 lid 2 GW in ieder geval artikel 7:262 lid 1 BW buiten toepassing moet blijven, met als gevolg dat hij niet aan de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie is gebonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De (kanton)rechter mag een wet in formele zin, wat het BW is, niet aan de GW toetsen (artikel 120 GW). Alleen al hierom kan de kantonrechter [gedaagde] niet volgen in zijn betoog dat artikel 7:262 lid 1 BW buiten toepassing gelaten moet worden <emphasis role="italic">vanwege</emphasis> de gestelde strijdigheid met artikel 22 lid 2 GW. <?linebreak?>De algemene stelling van [gedaagde] dat het huurrecht inzake woonruimte, anders dan wetten in formele zin, en het daaraan gekoppeld overheidsbeleid in strijd is met artikel 22 lid 2 GW, verwerpt de kantonrechter als niet voldoende gemotiveerd. De enkele stelling van <?linebreak?>[gedaagde] , dat de overheid haar taak om als neergelegd in artikel 22 lid 2 GW niet (goed) vervult en particuliere verhuurders middels beleid en andere overheidsmaatregelen met die taak en de daarmee gepaard gaande financiële lasten opzadelt, is onvoldoende om wet- en regelgeving buiten toepassing te laten zoals [gedaagde] betoogt.<?linebreak?>De kantonrechter verwerpt daarom ook de stelling van [gedaagde] dat hij vanwege vorenbedoelde gestelde strijdigheid niet aan de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie is gebonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Op grond van al het voorgaande wijst de kantonrechter de eerste tegeneis van<?linebreak?>[gedaagde] af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Procedure bij de Huurcommissie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>De uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie over de servicekosten zijn op 27 maart 2023 respectievelijk 15 mei 2023 aan [eiser] en [gedaagde] verstuurd. Zij hebben hiertegen niet binnen drie weken nadien verzet aangetekend of binnen acht weken nadien de kantonrechter om een beslissing verzocht zoals bedoeld in artikel 7:262 lid 1 BW. Dat brengt met zich dat [eiser] en [gedaagde] worden geacht te hebben afgesproken dat [eiser] over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 een bedrag van € 474,49 aan servicekosten aan [gedaagde] verschuldigd is.<footnote-ref linkend="_94fee181-58d4-4f6a-9ed8-d8935aa424c8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>De tweede tegeneis van [gedaagde] , namelijk het terzijde leggen van de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie, had [gedaagde] kunnen bewerkstelligen door slechts <emphasis role="italic">tijdig</emphasis> een beslissing van de kantonrechter te vorderen over de servicekosten.<footnote-ref linkend="_091edfae-035d-470c-a964-af5a65ee5ba1" /> [gedaagde] heeft op 26 februari 2024 door middel van zijn conclusie van antwoord tevens eis in reconventie een vordering zoals bedoeld in artikel 7:262 lid 1 BW ingediend. Dat is te laat. Dat [gedaagde] niet tijdig deze vordering heeft ingediend komt en blijft voor zijn rekening en risico. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Omdat de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie in rechte vaststaan doordat geen van partijen tijdig daartegen een rechtsmiddel heeft aangewend, <?linebreak?>i) zijn [gedaagde] en [eiser] aan die uitspraken gebonden en ii) zijn die uitspraken voor de kantonrechter een gegeven. De kantonrechter komt geen bevoegdheid toe om i) de inhoud van die in rechte vaststaande uitspraken te toetsen of ii) te beoordelen of de procedure bij de Huurcommissie die tot de uitspraken van de voorzitter heeft geleid conform de beginselen van een behoorlijke procesorde is verlopen. De stelling van [gedaagde] dat hij niet aan de uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie is gebonden omdat de procedure bij de Huurcommissie niet is verlopen volgens de beginselen van een behoorlijke procesorde, treffen dan ook geen doel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande wijst de kantonrechter de tweede tegeneis van <?linebreak?>[gedaagde] af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Servicekosten, redelijke kale huur &amp; belastingen &amp; heffingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Met de derde tegeneis vordert [gedaagde] dat de kantonrechter de servicekosten, de redelijke kale huur, belastingen en heffingen vaststelt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Met verwijzing naar wat onder 2.12. tot en met 2.14. staat, wijst de kantonrechter de vordering van [gedaagde] met betrekking tot de servicekosten af. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>De vordering van [gedaagde] met betrekking tot het vaststellen van de redelijke kale huur, belastingen en heffingen wijst de kantontonrechter af, omdat [gedaagde] deze vordering geenszins heeft gemotiveerd. Overigens valt niet in te zien welk voldoende belang<footnote-ref linkend="_874842f9-f490-4f3d-a79a-f16df2bbb9d8" /> [gedaagde] bij deze vordering heeft. Tussen partijen is immers niet in geschil dat op grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst [eiser] aan [gedaagde] per maand diende te betalen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 276,07 ten titel van een kale huurprijs; en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 30,83 voor belastingen en heffingen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande wijst de kantonrechter de derde tegeneis van <?linebreak?>[gedaagde] af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onverschuldigde betaling &amp; wettelijke rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>Omdat [eiser] en [gedaagde] , gezien de in rechte vaststaande uitspraken van de voorzitter van de Huurcommissie, worden geacht te hebben afgesproken dat [eiser] over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 maart 2021 een bedrag van € 474,49 aan servicekosten aan [gedaagde] verschuldigd is en niet in geschil is dat [eiser] ten titel van servicekosten € 1.986,00 aan [gedaagde] heeft betaald, heeft [eiser] € 1.493,51 te veel aan servicekosten aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] moet dit bedrag aan hem terugbetalen. De vordering van [eiser] om [gedaagde] daartoe te veroordelen wijst de kantonrechter toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>Na de schriftelijke sommatie van 6 juni 2023 heeft [gedaagde] het bedrag van € 1.493,51 niet binnen vier weken betaald. Daardoor is [gedaagde] in verzuim met de terugbetaling en moet hij met ingang van 6 juli 2023 de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de toewijsbare hoofdsom van € 1.493,51 betalen. De vordering om<?linebreak?>[gedaagde] daartoe te veroordelen wijst de kantonrechter toe. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] is een professionele verhuurder </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22.</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals [eiser] heeft betoogd, wordt [gedaagde] aangemerkt als een natuurlijke persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit blijkt uit het door [eiser] overgelegde uittreksel uit het Kadaster, waaruit volgt dat [gedaagde] verscheidene panden bezit, in combinatie met de mededeling van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling dat hij in het verleden kamers verhuurde aan studenten en dat nog steeds doet. De stelling van [gedaagde] dat hij op dit moment bezig is met het verkopen van zijn panden en, waar mogelijk, het opzeggen van huurcontracten, maakt dit niet anders. </para>
        <para>De kantonrechter verwerpt dan ook de stelling van [gedaagde] , dat hij moet worden aangemerkt als een natuurlijke persoon die <emphasis role="italic">niet</emphasis> handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Artikel 6:96 lid 6 BW geldt dan ook niet voor [gedaagde] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">BIK</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 271,07, die is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter <emphasis role="italic">geen</emphasis> betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is; de vordering van [eiser] ziet immers op onverschuldigde betaling. De kantonrechter toetst of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat redelijke kosten in redelijkheid zijn gemaakt. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde] ongelijk heeft gekregen, wordt hij veroordeeld in de kosten van de procedure. [gedaagde] moet dus zijn eigen proceskosten dragen en de proceskosten van [eiser] in conventie en in reconventie aan hem betalen. Omdat [eiser] procedeert op basis van een toevoeging blijven de verschotten beperkt tot het verschuldigde griffierecht en komen de explootkosten voor betekening van de dagvaarding en het vonnis niet voor vergoeding in aanmerking. Immers, op grond van de Wet op de rechtsbijstand is [eiser] als rechtzoekende geen kosten hiervoor verschuldigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25.</nr>
      <para>De proceskosten, exclusief nakosten, van [eiser] in conventie worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>87,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris gemachtigde</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>408,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2,00 punten × € 204,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>495,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.26.</nr>
      <para>De proceskosten, exclusief nakosten, van [eiser] in reconventie worden begroot op € 41,00 (= 1 punt x factor 0,5 vanwege de samenhang tussen de zaak in conventie en in reconventie x tarief € 82,00). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.27.</nr>
      <para>De nakosten als onderdeel van de proceskosten in conventie en reconventie worden begroot op en toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitvoerbaar bij voorraad </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.28.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. Daartegen is [gedaagde] niet opgekomen. Evenmin zijn feiten en/of omstandigheden danwel belangen gebleken die aan toewijzing van die vordering in de weg staan. Het vonnis wordt daarom op grond van het bepaalde in artikel 233 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in conventie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van (€ 1.493,51 + € 271,07 =) € 1.764,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.493,51 met ingang van 6 juli 2023 en tot de dag van volledige betaling van het bedrag van € 1.493,51;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de kosten; hij moet de proceskosten van [eiser] van € 495,00 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de kosten; hij moet de proceskosten van [eiser] van € 41,00 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in conventie en reconventie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van € 102,00;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_94fee181-58d4-4f6a-9ed8-d8935aa424c8" label="1">
    <para> Zie artikel 7:262 lid 1 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_091edfae-035d-470c-a964-af5a65ee5ba1" label="2">
    <para> Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:657).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_874842f9-f490-4f3d-a79a-f16df2bbb9d8" label="3">
    <para> Zoals bedoeld in artikel 3:303 BW.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>