<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:479</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-01T12:15:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16.071869.22 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:479">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:479</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-01T12:00:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:479 Rechtbank Midden-Nederland , 24-01-2024 / 16.071869.22 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:479:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde uit de gepleegde oplichting wederrechtelijk voordeel heeft genoten van € 1.185,-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:479:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 16.071869.22 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van 24 januari 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [1889] te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>hierna te noemen: veroordeelde.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ONDERZOEK TER TERECHTZITTING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is aan de orde geweest op de terechtzittingen van 20 september 2023 en </para>
      <para>10 januari 2024<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 januari 2024, gelijktijdig met de strafzaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen mr. J.M.E. van den Heuvel, advocaat te Landgraaf, namens veroordeelde, naar voren heeft gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De vordering van de officier van justitie van 15 augustus 2023 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 3.281,95.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter terechtzitting van 10 januari 2024 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verlaagd en kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.185,-,. Verdachte heeft bekend het bedrag van € 1.185,- door middel van oplichting van het slachtoffer te hebben ontvangen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging	</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft ter zitting, anders dan in haar pleitnota staat, kenbaar gemaakt dat zij zich kan vinden in het standpunt van de officier van justitie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>BEOORDELING VAN DE VORDERING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De grondslag van de vordering</emphasis>
        </para>
        <para>De veroordeelde is bij vonnis van 24 januari 2024 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het strafbare feit:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">oplichting, op 27 december 2021.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Sr.)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank tot uitgangspunt wat is opgenomen in het vonnis van de rechtbank van 24 januari 2024 in de strafzaak tegen veroordeelde.<footnote-ref linkend="_e5c8b342-d64a-4b49-bb8f-b2e33bfe571c" /></para>
        <para>De rechtbank overweegt dat uit het veroordelend vonnis blijkt dat veroordeelde een bedrag van € 1.185,- door middel van oplichting van het slachtoffer heeft ontvangen.</para>
        <para>Dit is onder feit 3 bewezen verklaard. Veroordeelde heeft tegenover de politie verklaard dat hij het wederrechtelijk weggenomen geldbedrag voor zichzelf heeft gehouden. Dit maakt dat veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank heeft geprofiteerd van het wederrechtelijk verkregen bedrag.</para>
        <para>Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.185,-.</para>
        <para>Uit de stukken in het procesdossier is niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt die van voormeld bedrag moeten worden afgetrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Toerekening van het voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>De veroordeelde is de enige persoon die van de oplichting heeft geprofiteerd. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan veroordeelde toerekenen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Betalingsverplichting</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal verdachte dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 1.185,- aan de staat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor wat betreft de in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij verwijst de rechtbank naar het in artikel 36e Sr. lid 9 bepaalde. Volgens deze bepaling kan de rechtbank aan een benadeelde partij in rechte toegekende vordering in mindering brengen voor zover deze is voldaan. Omdat dit ontnemingsvonnis gelijktijdig met het vonnis in de onderliggende strafzaak is gewezen, is nog geen sprake van een vordering die is voldaan. De rechtbank hoeft hier voor het bepalen van de omvang van het te ontnemen bedrag daarom op dit moment geen rekening mee te houden. In de executiefase kan rekening worden gehouden met een eventueel voldane vordering.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>TOEGEPAST WETSARTIKEL</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- 	<emphasis role="bold">stelt</emphasis> het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat <emphasis role="bold">vast op € 1.185,-,.</emphasis></para>
    <para />
    <para>- 	<emphasis role="bold">legt</emphasis> de veroordeelde de verplichting <emphasis role="bold">op</emphasis> tot betaling van <emphasis role="bold">€ 1.185,-,. </emphasis> aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">21</emphasis> dagen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. M.J. Terstegge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 januari 2024.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. M.J. Terstegge is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e5c8b342-d64a-4b49-bb8f-b2e33bfe571c" label="1">
    <para> Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 16.071869.22.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>