<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:4737</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-23T10:19:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/1004</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4737">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4737</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-23T08:41:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:4737 Rechtbank Midden-Nederland , 16-07-2024 / UTR 24/1004</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4737:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>artikel 8:54, beroep niet-ontvankelijk, geen griffierecht, onbekende verweerder, geen besluit en gronden overgelegd, niet duidelijk waartegen het beroep is gericht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4737:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 24/1004 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onbekende verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser. Eiser heeft bij deze rechtbank op 15 februari 2024 een eerste beroepschrift ingediend. Vervolgens heeft eiser nog vele beroepschriften en verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend. Die beroepen heeft hij ook mede namens anderen ingediend. Eiser heeft de rechtbank op 27 maart 2024 telefonisch laten weten dat hij één uitspraak wenst. Na 27 maart 2024 heeft eiser nog vele beroepschriften ingediend. Ook bij andere rechtbanken heeft eiser beroepschriften ingediend. Deze rechtbank heeft de behandeling van die beroepen overgenomen en gevoegd in het beroep met zaaknummer UTR 24/1004. </para>
    <para />
    <para>2. Op 1 juli 2024 heeft de echtgenote van eiser beroepschriften ingediend met het verzoek om een uitspraak te doen op het ingediende beroep. De rechtbank vat deze beroepen op als een aanvulling op de reeds ingediende beroepschriften door eiser.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser schrijft in zijn stukken dat er een satelliet is aangesloten op zijn hersens en hart en dat hij door de straling daarvan is verzwakt. Hij vraagt de rechtbank om de satelliet uit te zetten. Deze uitspraak heeft betrekking op de beroep- en verzoekschriften die eiser en zijn echtgenote tot aan de datum van deze uitspraak over dat onderwerp hebben ingediend.</para>
    <para />
    <para>4. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. Ook heeft eiser geen besluit overgelegd waartegen het beroep is gericht. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hebben eisers het griffierecht tijdig betaald?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. De griffier heeft eiser bij brief van 5 april 2024 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 4 mei 2024 eisers nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 7 mei 2024 om 16.41uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend.</para>
    <para />
    <para>8. Eiser heeft het griffierecht niet op tijd betaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.</para>
    <para />
    <para>10. Daarnaast moet iemand die beroep instelt bij zijn beroepschrift zo mogelijk een kopie van het bestreden besluit bijvoegen.<footnote-ref linkend="_483a2a38-cecc-4fb7-b1fa-9209a2b8a582" /> Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank  na een herstelmogelijkheid  het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.<footnote-ref linkend="_31b87479-194b-4efb-8fab-82e1bd81eacc" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft eiser tijdig een kopie van het bestreden besluit aan de rechtbank gestuurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Eiser heeft geen kopie van het bestreden besluit bijgevoegd. Hij noemt telkens een beslissing met de datum 8 augustus 1986. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 19 februari 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Eiser heeft binnen die termijn geen kopie van het bestreden besluit aan de rechtbank gestuurd. Vervolgens is aan eiser bij aangetekende brief van 4 april 2024 nogmaals een termijn van vier weken geboden om een kopie van het besluit te sturen waar eiser het niet mee eens is, dan wel een stuk waaruit dit blijkt. Ook is aan eiser gevraagd om de gronden van het beroep in te dienen, dat wil zeggen dat eiser is gevraagd om aan te geven waarom hij het niet eens is met het besluit. De rechtbank weet niet waartegen het beroep is gericht en wie verweerder is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het niet tijdig insturen van een kopie van het bestreden besluit verontschuldigbaar?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd deze</para>
      <para>uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_483a2a38-cecc-4fb7-b1fa-9209a2b8a582" label="1">
    <para> Dit staat in artikel 6:5, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31b87479-194b-4efb-8fab-82e1bd81eacc" label="2">
    <para> Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>