<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:4357</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-24T08:52:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10994271 MC EXPL 24-1826</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almere</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4357">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4357</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-24T08:52:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:4357 Rechtbank Midden-Nederland , 10-07-2024 / 10994271 MC EXPL 24-1826</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4357:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geldlening</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4357:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almere</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 10994271 \ MC EXPL  24-1826</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 10 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiseres] ,</para>
      <para>gemachtigde: [gemachtigde] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.A.S. van Spanje.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft op 22 november 2023 [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op de dagvaarding geantwoord. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij [eiseres] op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (repliek) en [gedaagde] daar weer op heeft gereageerd (dupliek). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Deze zaak gaat over geldleningen. [eiseres] heeft twee geldleningen van in totaal € 9.500,00 aan [gedaagde] verstrekt. [eiseres] wil dat [gedaagde] de geldleningen aan haar terugbetaald. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde] de geldleningen aan [eiseres] moet terugbetalen. De kantonrechter geeft [eiseres] gelijk. [gedaagde] moet het bedrag van € 9.500,00 aan geldleningen en de bijkomende kosten en rente aan [eiseres] betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit zo is.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert terugbetaling van het bedrag van € 9.500,00. Dit vordert [eiseres] primair op basis van de tussen partijen overeengekomen geldleningen. [gedaagde] heeft dit betwist. Volgens [gedaagde] is er sprake van giften en niet van geldleningen. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake van geldleningen en wel om het volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Vaststaat dat [eiseres] op 20 september 2020 een bedrag van € 6.000,00 en op <?linebreak?>27 januari 2021 een bedrag van € 3.500,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt. Ook staat vast dat bij de overboeking van 20 september 2020 ‘<emphasis role="italic">lening</emphasis>’ is vermeld en bij de overboeking van 27 januari 2021 ‘<emphasis role="italic">lening volgens overeenkomst</emphasis>’ is vermeld. Verder volgt uit de Whatsappberichten van 14 maart 2023 in productie 2 bij dagvaarding en productie 1 bij conclusie van repliek dat [gedaagde] erkent dat hij tegenover [eiseres] een betalingsverplichting heeft. In die berichten zegt [eiseres] tegen [gedaagde] , met daarbij een schermprint van de overboeking van € 3.500,00 – die kennelijk bedoeld was voor de reparatie van de lekkage aan het zwembad van [gedaagde] –, ‘<emphasis role="italic">Ik ga er vanuit dat je dit aan mij overmaakt</emphasis>’ en ‘<emphasis role="italic">Dan heb ik het nog niet over de Mercedes die ik heb betaald</emphasis>’ – dat kennelijk ziet op de overboeking van € 6.000,00. Daarop heeft [gedaagde] geantwoord ‘<emphasis role="italic">Dat krijg je terug als ik iets zeg dan doe ik dat ook dat weet je binnen kort verkoop ik het huis dan krijg je alles in één keer</emphasis>’ en ‘<emphasis role="italic">Ik ben altijd mijn betalingsverplichtingen na gekomen</emphasis>’. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen deze woorden van [gedaagde] niet anders opgevat worden dan dat [gedaagde] de door [eiseres] overgemaakte bedragen ook heeft opgevat als leningen en dat hij die aan [eiseres] terug moet betalen. Dat er sprake zou zijn van giften, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, is de kantonrechter niet gebleken en is verder door [gedaagde] ook niet onderbouwd. Het enkel bloot stellen dat de overboekingen van [eiseres] giften zijn, is gelet op de onderbouwing van [eiseres] dan ook onvoldoende. De kantonrechter passeert dit verweer van [gedaagde] . De kantonrechter stelt vast dat de bedragen van € 6.000,00 en € 3.500,00 als geldleningen aan [gedaagde] zijn verstrekt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft nog gesteld dat hij op dit moment niet de financiële middelen heeft om [eiseres] te betalen. Hoe vervelend de gestelde (financiële) omstandigheden van [gedaagde] ook zijn, die ontslaan [gedaagde] echter niet van zijn betalingsverplichting tegenover [eiseres] en leidt ook niet tot afwijzing van de vordering van [eiseres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De vordering van [eiseres] wordt toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 9.500,00 aan [eiseres] moet betalen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De wettelijke rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Vaststaat dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over het moment van terugbetalen van de geleende bedragen. Artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat als geen tijd voor de nakoming is bepaald, de verbintenis terstond kan worden nagekomen en terstond nakoming kan worden gevorderd. Feitelijk heeft [eiseres] de geldleningen op 20 juli 2023 voor het eerst opgeëist en [gedaagde] in gebreke gesteld: op die dag heeft de gemachtigde van [eiseres] laten weten dat [eiseres] de geldleningen van in totaal € 9.500,00 terug wenste te ontvangen van [gedaagde] . Daardoor is de vordering van [eiseres] opeisbaar geworden. [gedaagde] heeft vervolgens twee weken de tijd gekregen om de vordering te betalen. [gedaagde] heeft niet binnen deze termijn betaald, zodat het verzuim van [gedaagde] op 4 augustus 2023 is ingetreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het gevorderde bedrag aan wettelijke rente van € 1.023,25 komt de kantonrechter, gelet op het voorgaande en de hoogte van de wettelijke rentepercentage, onjuist berekend voor. De kantonrechter zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf 4 augustus 2023 tot de voldoening. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [eiseres] heeft aan [gedaagde] op 20 juli 2023 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 850,00 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en is toewijsbaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met BTW. De gevorderde BTW van € 178,50 is toewijsbaar, omdat [eiseres] heeft gesteld geen ondernemer te zijn in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot het volgende. De vordering van [eiseres] bedroeg oorspronkelijk in totaal € 11.551,75 (bestaande uit € 9.500,00 aan hoofdsom, € 850,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 178,50 aan 21% BTW over de buitengerechtelijke incassokosten en € 1.023,25 aan rente tot 28 februari 2024). [gedaagde] heeft op de vordering van [eiseres] in totaal € 400,00 afgelost, zodat de vordering van [eiseres] het bedrag van € 11.151,75 is. [eiseres] heeft echter niet vermeld op welke posten/gevorderde bedragen die betalingen in mindering zijn gebracht. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekken deze betalingen eerst in mindering op de door [eiseres] gemaakte kosten, daarna op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom. De gevorderde wettelijke rente van € 1.023,25 is, zoals hiervoor is overwogen, afgewezen. Dit betekent dat nog een bedrag van € 9.500,00 aan hoofdsom, een bedrag van € 450,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 178,50 aan 21% over de buitengerechtelijke incassokosten resteren. Deze bedragen worden toegewezen, waarbij de hoofdsom van € 9.500,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 augustus 2023 tot de voldoening.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:</para>
      <para />
      <para>- dagvaarding	€	137,39</para>
      <para>- griffierecht	€	248,00	</para>
      <para>- salaris gemachtigde	€ 	812,00	(2 punten x tarief € 406,00)</para>
      <para>- nakosten	<emphasis role="underline">€ 	135,00</emphasis></para>
      <para>Totaal	€	1.332,39	</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 10.128,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 9.500,00 vanaf 4 augustus 2023 tot de voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.332,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>10 juli 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>HHT/37278</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>