<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:4239</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T13:15:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/1870</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4239">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:4239</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T08:55:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:4239 Rechtbank Midden-Nederland , 17-07-2024 / UTR 24/1870</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4239:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van de eigen bijdrage van kraamzorg in het ziekenhuis en voor kosten van een kraamhotel mogen afwijzen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:4239:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 24/1870 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P. van Baaren),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.C. Hoogendoorn).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft bijzondere bijstand gevraagd voor de kosten van de eigen bijdrage van kraamzorg in het ziekenhuis en voor kosten van het kraamhotel in Rotterdam.<footnote-ref linkend="_6b7e330c-836f-446d-b5e1-4a31d706973e" /></para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 november 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Het bezwaar van eiseres is vervolgens met de beslissing op bezwaar van 16 februari 2024<footnote-ref linkend="_7d707682-7004-452e-9723-7df91191481e" /> (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres heeft zich middels haar gemachtigde afgemeld voor de zitting en de rechtbank verzocht om uitspraak te doen. </para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Bestreden besluit (in essentie weergeven)</bridgehead>
    <para />
    <para>4. Verweerder stelt dat de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand terecht is afgewezen. Voor zowel de eigen bijdrage van de kraamzorg als de kosten van het kraamhotel geldt dat er door decentralisatie, binnen bepaalde marges, verschillen zijn in wat gemeenten vergoeden. Verweerder voert geen buitenwettelijk beleid op grond waarvan deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Ook is niet gebleken van zeer dringende redenen waardoor bijstandverlening noodzakelijk zou zijn.<footnote-ref linkend="_ea67d36e-79d7-4106-81e0-733a5ab6e7ed" /></para>
    <para />
    <para>5. Voor de kosten van kraamzorg is een voorliggende voorziening aanwezig, namelijk de basisverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). De eigen bijdrage die geldt op grond van de Zvw is een kostenpost waarvoor vergoeding uit de Zvw niet noodzakelijk wordt geacht. Dit laatste is een belemmering om bijzondere bijstand te kunnen verlenen.<footnote-ref linkend="_111ade22-2f97-413c-9063-972130c0fa85" /></para>
    <para />
    <para>6. Bij de heroverweging in bezwaar merkt verweerder de Zvw ook aan als voorliggende voorziening voor de kosten van het kraamhotel. Dat de kosten niet volledig worden vergoed uit de Zvw maakt niet dat er geen voorliggende voorziening is, hoogstens dat (volledige) vergoeding op basis van de Zvw niet noodzakelijk wordt geacht. Dit staat aan verlening van bijzondere bijstand in de weg (zie noot 4). </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beroepsgronden (in essentie weergegeven)</title>
    <para />
    <para>7. Eiseres stelt dat zij wel recht heeft op bijzondere bijstand. Er is namelijk sprake van een bijzondere omstandigheid die samenhangt met de geboorte van haar kind. </para>
    <para />
    <para>8. Het is onjuist dat het enkele gegeven dat er voor bepaalde kosten een voorliggende voorziening is al maakt dat de eigen bijdrage voor deze kosten niet voor vergoeding uit bijzondere bijstand in aanmerking komt. Zo is er bijvoorbeeld voor bepaalde inkomensgroepen ook een voorliggende voorziening voor de kosten van rechtsbijstand. Eiseres wijst op gesubsidieerde rechtsbijstand. De eigen bijdrage voor deze gesubsidieerde rechtsbijstand wordt door gemeenten ook gewoon vergoed.  </para>
    <para />
    <para>9. Wellicht kunnen diverse gemeenten bij een afweging tot verschillende oordelen komen, maar het lijkt erop dat verweerder het standpunt inneemt dat helemaal geen afweging gemaakt kan worden. Dit laatste is volgens eiseres onjuist.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>10. De rechtbank overweegt dat de Participatiewet een laatste vangnet is. Om deze reden moet eerst aanspraak gemaakt worden op een andere toereikende voorziening (een voorliggende voorziening) voor vergoeding van de betreffende kosten.<footnote-ref linkend="_31858a28-8e1f-45d2-9434-9dea1ea2c729" /> Pas als deze er niet is kan in bepaalde gevallen aanspraak op bijzondere bijstand worden gemaakt.<footnote-ref linkend="_2259ce17-06f4-4e6c-9fd4-2d5209ff3cac" /></para>
    <para />
    <para>11. In dit geval heeft verweerder met juistheid de Zvw aangemerkt als voorliggende voorziening. In artikel 10, aanhef en onder f en g, van de Zvw is namelijk opgenomen dat verzorging, waaronder kraamzorg en verblijf in verband met geneeskundige zorg vallen onder het te verzekeren risico. Zowel de eigen bijdrage als de kosten van het kraamhotel zijn gemaakt vanwege verleende kraamzorg. Het klopt dat niet de volledige kosten worden vergoed, maar dat een eigen bijdrage moet worden betaald voor kraamzorg aan huis en voor kraamzorg verleend in een instelling zonder dat verblijf in de instelling medisch noodzakelijk is.<footnote-ref linkend="_a5caf2ea-9529-441e-8fda-3d7950191e32" /></para>
    <para />
    <para>12. Deze eigen bijdrage is dus een bedrag dat de verzekerde zelf moet betalen. Dit geldt ook voor zover de kosten van het kraamhotel niet (volledig) worden vergoed. Het gaat met andere woorden om kosten die in de Zvw als niet noodzakelijk worden aangemerkt om te vergoeden.<footnote-ref linkend="_f1ee0ade-e453-4071-bcd5-eb89343133bd" /> Dit laatste maakt dat hiervoor in hoofdregel ook geen aanspraak op (bijzondere) bijstand mogelijk is.<footnote-ref linkend="_c2311519-920b-438a-aa35-29d2ca7030a6" /> Dat er gemeenten zijn die op grond van eigen beleid in gunstige zin hiervan afwijken, maakt dit niet anders. Verweerder heeft immers verduidelijkt op dit punt geen begunstigend beleid te voeren.</para>
    <para />
    <para>13. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is van zeer dringende redenen om wel bijstand te verlenen.<footnote-ref linkend="_4c404734-44bb-4710-8caa-fdc2f8c05bf8" /></para>
    <para>Van een acute noodsituatie is in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.<footnote-ref linkend="_74996c0d-3c2a-40ab-8d13-9962975d93cc" /> Eiseres heeft weliswaar eerder in de procedure naar voren gebracht dat zij weinig geld heeft en kampt met medische klachten, maar er is niet gebleken van een extreme situatie of schrijnende persoonlijke situatie die de weigering zonder meer onaanvaardbaar maken. De beroepsgronden slagen niet.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. </para>
    <para />
    <para>15. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6b7e330c-836f-446d-b5e1-4a31d706973e" label="1">
    <para> Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (de Pw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d707682-7004-452e-9723-7df91191481e" label="2">
    <para> Verzonden op 19 februari 2024.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea67d36e-79d7-4106-81e0-733a5ab6e7ed" label="3">
    <para> Artikel 16, eerste lid, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_111ade22-2f97-413c-9063-972130c0fa85" label="4">
    <para> Artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31858a28-8e1f-45d2-9434-9dea1ea2c729" label="5">
    <para> Artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2259ce17-06f4-4e6c-9fd4-2d5209ff3cac" label="6">
    <para> Artikel 35 van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5caf2ea-9529-441e-8fda-3d7950191e32" label="7">
    <para> Artikel 2.36, eerste en tweede lid, van de Regeling zorgverzekering.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1ee0ade-e453-4071-bcd5-eb89343133bd" label="8">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 25 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1641 r.o. 4.3 en van 9 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1849.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c2311519-920b-438a-aa35-29d2ca7030a6" label="9">
    <para> Artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c404734-44bb-4710-8caa-fdc2f8c05bf8" label="10">
    <para> Als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74996c0d-3c2a-40ab-8d13-9962975d93cc" label="11">
    <para> Uitspraak van de Raad van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985 r.o. 4.5.6.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>