<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:3900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-09T11:04:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 24/570</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:3900">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:3900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-09T11:04:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:3900 Rechtbank Midden-Nederland , 19-06-2024 / UTR 24/570</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:3900:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 44 Wao. Inkomen als zelfstandige. Eenmalige verkoop onroerend goed. Verlagen Wao-uitkering. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:3900:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Lelystad</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 24/5 70</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2024 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser] , eiser,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,</title>
    <parablock>
      <para>(het Uwv), verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: M. van Mourik).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de</para>
    <parablock>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO-uitkering). De mate van arbeidsongeschiktheid is</para>
      <para>vastgesteld op 80-100%. Sinds 1 januari 2013 ontvangt eiser, naast zijn WAO-uitkering,</para>
      <para>inkomsten uit zijn eigen onderneming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het Uwv betaalt de WAO-uitkering aan eiser als voorschot. Het Uwv beoordeelt</para>
    <parablock>
      <para>achteraf of de inkomsten die eiser uit zijn eigen onderneming ontving over een kalenderjaar</para>
      <para>moeten leiden tot het wijzigen van de uitbetaling van de WAO-uitkering.<footnote-ref linkend="_a1c2c60d-3eac-4fde-a50a-fb259c83c967" /> Het Uwv heeft</para>
      <para>beslist dat de WAO-uitkering van eiser over het kalenderjaar 2021 achteraf bezien uitbetaald</para>
      <para>had moeten worden naar een fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse van 45-55%. Omdat de</para>
      <para>uitkering is uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-1 00%, is volgens het Uwv</para>
      <para>een bedrag van € 13.376,22 bruto teveel WAO-uitkering aan eiser betaald. Met het besluit</para>
      <para>van 11 oktober 2023 heeft het Uwv besloten dat eiser dit bedrag moet terugbetalen. Eiser</para>
      <para>heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>Met het bestreden besluit van 15 december 2023 heeft het Uwv beslist op het</para>
        <para>bezwaar van eiser en is het besluit in stand gebleven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een</para>
        <para>verweerschrift ingediend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep op 23 mei 2024 op zitting behandeld. Hier zijn</para>
        <para>verschenen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Tussen partijen is de hoogte van het bedrag dat eiser teveel aan WAO-uitkering</para>
    <parablock>
      <para>heeft ontvangen niet in geschil. Het Uwv heeft het bedrag op de juiste wijze berekend</para>
      <para>volgens de wettelijke regels.<footnote-ref linkend="_2d1a0be1-b403-445f-a54f-089c12ebe966" /> In geschil is of het Uwv daadwerkelijk mocht terugvorderen.</para>
      <para>De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of het Uwv terecht is</para>
      <para>overgegaan tot het terugvorderen van het bedrag dat eiser teveel aan WAO-uitkering heeft</para>
      <para>ontvangen. Volgens de rechtbank is dit het geval. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beoordelingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Als uitgangspunt geldt dat uit artikel 44, eerste lid, van de WAC volgt dat</para>
    <parablock>
      <para>inkomsten uit arbeid, volgens de in dat artikel weergegeven systematiek. moeten worden</para>
      <para>verrekend niet de WAO-uitkering. In het achtste lid van artikel 44 van de WAO is bepaald</para>
      <para>dat bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit</para>
      <para>artikel wordt verstaan. Deze ministeriële regeling is de Regeling samenloop</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (Regeling samenloop).</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling samenloop is bepaald</para>
        <para>dat onder inkomen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO wordt verstaan de</para>
        <para>belastbare winst uit onderneming. Volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_e2bc1040-6deb-420e-a089-6eadd9be160e" /> komt bij het beantwoorden</para>
        <para>van de vraag of de inkomsten van een verzekerde als inkomsten uit arbeid van een</para>
        <para>zelfstandige op grond van artikel 44 van de WAO moeten worden aangemerkt, in beginsel</para>
        <para>doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte en</para>
        <para>door de fiscus gehonoreerde keuze. Van deze hoofdregel kan alleen worden afgeweken als</para>
        <para>aantoonbaar sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de aan de fiscus gedane</para>
        <para>opgave niet tot uitgangspunt kan worden genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling van de beroepsgrond van eiser</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. 	Eiser voert aan dat hij in het kalenderjaar 2021 niet meer uren in zijn onderneming</para>
        <para>heeft gewerkt dan de voorgaande jaren. De hoge jaaromzet in 2021 is voor een belangrijk</para>
        <para>deel veroorzaakt door de eenmalige verkoop van garageboxen. Tijdens de zitting heeft eiser</para>
        <para>toegelicht dat hij de garageboxen eerder in zijn onderneming heeft ingebracht op advies van</para>
        <para>zijn vorige boekhouder. Hij wist niet dat de verkoop van deze garageboxen van invloed kon</para>
        <para>zijn op de hoogte van zijn WAO-uitkering. De winst behaald met de verkoop van de</para>
        <para>garageboxen heeft niets van doen met de normale bedrijfsvoering of de wijze waarop hij</para>
        <para>zijn inkomen als zelfstandig ondernemer verwerft. Vanwege deze omstandigheden vindt</para>
        <para>eiser dat zijn WAO-uitkering over 2021 niet herzien en teruggevorderd had mogen worden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het Uwv voert aan dat de garageboxen tot de activa van de onderneming van eiser</para>
        <para>behoorden en dat de verkoop van de garageboxen is opgenomen in de fiscale winst. Volgens</para>
        <para>het Uwv zijn er geen bijzondere omstandigheden waarom er kan worden afgeweken van de</para>
        <para>belastingaangifte of waarom kan worden afgezien van terugvordering.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging</para>
        <para>die de wetgever heeft verricht. De rechtbank mag artikel 44 WAO niet toetsen aan algemene</para>
        <para>rechtsbeginselen.<footnote-ref linkend="_855bf2d9-30fd-47e6-a102-bd8507dba49d" /> Er kan reden zijn om in een individueel geval toch van de regels af te</para>
        <para>wijken als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die de wetgever niet had kunnen</para>
        <para>voorzien. Deze bijzondere omstandigheden kunnen alleen bij hoge uitzondering worden</para>
        <para>aangenomen. Er is dan sprake van onevenredige gevolgen die het besluit met zich mee</para>
        <para>brengen. De rechtbank begrijpt dat eiser met zijn beroepsgrond bedoelt dat het besluit van</para>
        <para>het Uwv onevenredige gevolgen voor hem meebrengt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank oordeelt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden, zowel</para>
        <para>afzonderlijk als in samenhang bezien, niet zo bijzonder zijn dat er van het wettelijk systeem</para>
        <para>afgeweken moet worden. De omstandigheid dat sprake is van een voor het bedrijf van eiser</para>
        <para>ongebruikelijke, incidentele winst is daartoe onvoldoende. De door eiser verkochte</para>
        <para>garageboxen maakten deel uit van zijn bedrijfsvermogen en hij heeft er fiscaal voor gekozen</para>
        <para>de inkomsten hieruit bij de winst uit onderneming onder te brengen. De rechtbank is van</para>
        <para>oordeel dat er geen grond is om eiser niet aan zijn - door de belastingdienst gehonoreerde - keuze te houden. Dat eiser is afgegaan op het advies van zijn voormalige boekhouder en niet</para>
        <para>wist dat de verkoop van de garageboxen van invloed kon zijn op de hoogte van zijn WAO</para>
        <para>uitkering, maakt dit niet anders. Eiser blijft zelf verantwoordelijk voor zijn (fiscale) keuzes.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat</para>
      <para>eiser in het kalenderjaar 202 l teveel aan voorschot WAO-uitkering heeft ontvangen en</para>
      <para>daarom het bedrag van € 13.376,22 moet terugbetalen. Eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt</para>
      <para>daarom het griffierecht niet terug.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. LA. Kjellevold, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Informatie over hoger beroep</title>
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met</para>
      <para>deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag</para>
      <para>waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep</para>
      <para>niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van</para>
      <para>de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke</para>
      <para>maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a1c2c60d-3eac-4fde-a50a-fb259c83c967" label="1">
    <para> Met toepassing van artikel 44, eerste lid, onder b, van de Wet op de </para>
    <para>Arbeidsongeschiktheidsuitkering.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d1a0be1-b403-445f-a54f-089c12ebe966" label="2">
    <para> Met toepassing van artikel 41 van de WAO.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2bc1040-6deb-420e-a089-6eadd9be160e" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2020,</para>
    <para>ECLI:NL:CRVB:2020:3 140.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_855bf2d9-30fd-47e6-a102-bd8507dba49d" label="4">
    <para> Dit volgt uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet en - in navolging van het arrest</para>
    <para>van de Hoge Raad van 14april1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het 1-larmonisatiewet-arrest)- de</para>
    <para>uitspraak van de Raad van 30mei2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1675.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>