<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2024:2364</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T09:54:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 23/3027</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:1961" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:1961, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:2364">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:2364</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-16T09:06:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2024:2364 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2024 / UTR 23/3027</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2024:2364:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WHT</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2024:2364:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 23/3027</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Zwiers)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek van eiseres om compensatie kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 augustus 2021 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 mei 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2024. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn  gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft als pleegouder de zorg van de drie kinderen ( [kind 1] , [1995] ; [kind 2] , [1995] ; [kind 3] , [1997] ) van haar broer op zich genomen. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd voor de periode van 2006 tot en met 2008 voor de kinderen met geboortedatum [1995] ; en voor de periode van 2006 tot en met 2009 voor het kind met geboortedatum [1997] . In beroep is nog enkel kinderopvangtoeslagjaar 2008 aan de orde.</para>
    <para />
    <para>2. Bij voorschotbeschikking van 26 november 2007 is de kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2008 vastgesteld op € 21.350,-. Op 31 oktober 2008 heeft eiseres een wijzigingsformulier kinderopvangtoeslag verstuurd. Bij beschikking van 25 november 2008 is het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 gewijzigd naar € 16.418,-. Bij definitieve beschikking van 21 januari 2011 is de kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2008 vastgesteld op € 7.694,-. Eiseres moest daarop een bedrag van € 11.876,- terugbetalen.</para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft op 6 december 2019 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2009. Zij moet in totaal € 11.876,- terugbetalen aan teveel ontvangen kinderopvangtoeslag. </para>
    <para />
    <para>4. Op 21 november 2020 heeft verweerder aan eiseres een eenmalige tegemoetkoming van € 750,- toegekend in verband met het lang moeten wachten op een herbeoordeling van haar situatie.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft op basis van de lichte toets (de Catshuisregeling) bij besluit van 1 mei 2021 voorlopig geoordeeld dat in de desbetreffende toeslagjaren geen sprake is geweest van een situatie waarin eiseres ten onrechte toeslag heeft terug moeten betalen, dan wel toeslag ten onrechte is stopgezet. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor de toekenning van het bedrag van € 30.000,-.</para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft vervolgens het verzoek van eiseres om herbeoordeling integraal beoordeeld. Verweerder heeft daartoe advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen. </para>
    <para />
    <para>7. De Commissie van Wijzen heeft in het advies van 2 augustus 2021 geconcludeerd dat geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Uit het dossier blijkt dat een vermindering van het voorschot 2008 heeft plaatsgevonden, omdat eiseres voor twee van de drie kinderen de aanvraag voor kinderopvangtoeslag met ingang van 1 september 2008 heeft stopgezet. De definitieve vaststelling is berekend aan de hand van de door eiseres ingestuurde jaaropgave waaruit bleek dat in 2008 maar voor één kind kinderopvang is geweest.</para>
    <para />
    <para>8. Het verzoek om compensatie is bij het primaire besluit afgewezen, onder verwijzing naar het advies van de Commissie van Wijzen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij is op 28 september 2022 gehoord door de Bezwaaradviescommissie. Op 14 oktober 2022 heeft de Bezwaaradviescommissie advies uitgebracht. </para>
    <para />
    <para>9. Volgens de Bezwaaradviescommissie is sprake geweest van het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door eiseres verstrekte bewijsstukken. Dit is volgens de Bezwaaradviescommissie een kenmerk van institutioneel vooringenomen handelswijze. Verder concludeert de Bezwaaradviescommissie dat de Belastingdienst/Toeslagen een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden door het bezwaar van eiseres tegen de definitieve berekening kinderopvangtoeslag 2008 niet te behandelen als bezwaar maar bij brief van 2 maart 2011 af te doen als verzoek om opheldering en duidelijkheid. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het advies van de Bezwaaradviescommissie niet overgenomen. Volgens verweerder is er geen sprake geweest van niet nader uitvragen bij gebleken tekortkoming. Eiseres heeft zelf een wijzigingsformulier ingediend waarin zij heeft aangegeven dat de kinderopvangtoeslag voor een van de kinderen moet worden stopgezet. Daarnaast heeft eiseres informatie verstrekt met betrekking tot drie kinderen waaruit blijkt dat geen opvang is genoten voor de kinderen met geboortedatum [1995] (de tweeling). Er was dus geen reden voor nadere uitvraag. Verder heeft eiseres in het bezwaarschrift dat eiseres destijds heeft ingediend tegen de terugvordering over het toeslagjaar 2008, niet aangevoerd dat de terugvordering niet correct zou zijn, omdat er wel kinderopvang zou zijn afgenomen. Zij heeft zelfs aangegeven zich ervan bewust te zijn dat ze teveel kinderopvangtoeslag had ontvangen. Ten slotte meent verweerder dat het aanmerken van het bezwaarschrift als verzoek om opheldering en duidelijkheid een schending van een fundamenteel recht is, maar dat deze het in het geval van eiseres niet zodanig is dat dit leidt tot vooringenomen handelen. Eiseres heeft gelet op de inhoud van het bezwaarschrift expliciet verzocht om opheldering. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beroepsgronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Eiseres voert aan dat jegens haar wel degelijk sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen. Eiseres heeft doorgegeven dat ten aanzien van de tweeling de kinderopvangtoeslag per 1 september 2008 stopgezet moest worden in verband met het feit dat zij naar de middelbare school gingen. Eiseres heeft advies ingewonnen bij de Belastingdienst/Toeslagen en daarbij is aan haar meegedeeld dat de tweeling tot hun twaalfde jaar recht hadden op kinderopvangtoeslag. Zij heeft gehandeld conform het advies van de Belastingdienst/Toeslagen om de kinderopvangtoeslag voor alle drie de kinderen stop te zetten en alleen voor het jongste kind opnieuw aan te vragen. Eiseres heeft in 2008 wel voor alle drie de kinderen opvang afgenomen en de kosten daarvan zelf betaald. Uit het door eiseres ingediende wijzigingsformulier van 31 oktober 2008 kan worden afgeleid dat de kinderen tot september 2008 opvang hebben genoten. Deze omstandigheden hadden voor verweerder minstens aanleiding moeten zijn om nader uitvraag te doen naar het achterwege blijven van jaaropgaven. Ook had van verweerder verwacht mogen worden dat eiseres om opheldering was gevraagd over haar wijzigingsformulier van 31 oktober 2008. Met name in combinatie met de door eiseres in juli 2009 verstrekte informatie. Verder voert eiseres aan dat zij zich niet kan verenigen met het oordeel van verweerder dat het niet beslissen op het bezwaarschrift van 4 februari 2011 een schending oplevert van een fundamenteel rechtsbeginsel, maar dat deze schending niet leidt tot het aannemen van vooringenomen handelen. Subsidiair handhaaft eiseres haar beroep op de hardheidsregeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. De herstelregelingen zijn met ingang van 5 november 2022 opgenomen in de Wet herstel toeslagen (hierna: Wht). Aan de voor de beoordeling van belang zijnde bepalingen van de Wht is terugwerkende kracht verleend tot 26 januari 2021<footnote-ref linkend="_7ddacbac-89b5-46f9-a062-2d180fc58991" />. Daarom beoordeelt de rechtbank het beroep met toepassing van deze bepalingen uit de Wht. De rechtbank stelt daarbij voorop dat enkel nog in geschil is compensatie voor het toeslagjaar 2008.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Institutioneel vooringenomen handelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. De rechtbank stelt vast dat de vraag of sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door verweerder is beoordeeld aan de hand van de kenmerken genoemd in onderdeel 2.2 van de Compensatieregeling<footnote-ref linkend="_d76b9d7f-0cfa-4c3a-8313-dbe786f2fc13" />. Zoals vermeld is deze regeling nu opgenomen in de Wht, hoofdstuk 2. De van toepassing zijnde kenmerken zijn gelijk gebleven, te weten (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (zachte stop); (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) het zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken, en (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. In deze zaak gaat het om (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.</para>
    <para />
    <para>14. Op 31 oktober 2008 heeft eiseres een wijzigingsformulier kinderopvangtoeslag verstuurd naar Belastingdienst/Toeslagen waarin zij de kinderopvangtoeslag per 1 september 2008 voor de kinderen [kind 1] en [kind 2] met geboortedatum [1995] stopzet. Daarop heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij beschikking van 25 november 2008 het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 gewijzigd naar een bedrag van € 16.418,-. Daarin is de stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor de tweeling verwerkt. Op 17 juli 2009 heeft eiseres gegevens ingeleverd bij Belastingdienst/Toeslagen met betrekking tot het toeslagjaar 2008. In dit antwoordformulier heeft eiseres de gegevens van de daadwerkelijk afgenomen opvanguren over het jaar 2008 voor het kind met geboortejaar [1997] ingevuld. Voor de tweeling heeft zij 0 uren opvang ingevuld. Daarnaast heeft eiseres het jaaroverzicht 2008 van [naam] Gastouderbureau meegestuurd, waarop ook alleen het jongste kind staat vermeld. Uit deze stukken blijkt dat in toeslagjaar 2008 voor één kind 1.404 uur aan kinderopvang is afgenomen.</para>
    <para />
    <para>15. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gang van zaken niet dat verweerder ten aanzien van het toeslagjaar 2008 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. De bijstelling van het voorschot heeft plaatsgevonden, omdat eiseres voor twee van de drie kinderen de aanvraag voor kinderopvangtoeslag met ingang van 1 september 2008 heeft stopgezet. Vervolgens is de definitieve vaststelling voor 2008 berekend aan de hand van het door eiseres ingestuurde gegevens zoals het antwoordformulier KOT 2008 en het jaaroverzicht van het gastouderbureau [naam] . Op het antwoordformulier heeft eiseres alleen  voor het kind met geboortedatum [1997] de daadwerkelijk afgenomen opvanguren voor het jaar 2008 ingevuld. Ook uit het jaaroverzicht van het gastouderbureau blijkt dat in 2008 maar voor één kind kinderopvang is geweest. Eiseres heeft geen andere gegevens ingestuurd op basis waarvan geconcludeerd moet worden dat verweerder nader had moeten uitvragen. In de gedingstukken en het persoonlijke dossier ziet de rechtbank gezien het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen op basis van individuele omstandigheden van eiseres. De overige argumenten van eiseres geven geen aanleiding voor een ander oordeel. </para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank overweegt verder dat de omstandigheid dat verweerder destijds het bezwaarschrift van eiseres niet als zodanig heeft behandeld, maakt niet dat dat sprake is van vooringenomen handelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht erop gewezen dat eiseres in haar bezwaarschrift zich alleen richt tegen de hoogte van de terugvordering, niet de terugvordering zelf en dat zij daarin niet ingaat op het feit of de tweeling wel of geen opvang heeft gehad. Verweerder heeft daarmee voldoende gemotiveerd toegelicht waarom het is opgevat als verzoek om opheldering. Hiermee heeft verweerder voldoende gemotiveerd aangegeven waarom wordt afgeweken van het advies van de BAC. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hardheidsregeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>17. In artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht, staat dat verweerder op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing het wettelijke systeem voor 23 oktober 2019.</para>
    <para />
    <para>18. Uit de Memorie van toelichting<footnote-ref linkend="_b76c4e2f-006b-485a-9eef-28726e8f7527" /> bij dit artikel van de Wht blijkt dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b, sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.</para>
    <para />
    <para>19. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:</para>
    <para>- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar - geheel of gedeeltelijk - niet ten goede komt aan de belanghebbende;</para>
    <para>- een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of</para>
    <para>- een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:</para>
    </parablock>
    <para>- de belanghebbende te kwader trouw is;</para>
    <para>- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;</para>
    <para>- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.</para>
    <para />
    <para>20. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden zoals door eiseres zijn aangevoerd niet raken aan de bijzondere omstandigheden zoals hiervoor genoemd. De kinderopvangtoeslag is niet op nihil vastgesteld en er is geen sprake is geweest van een terugvordering van de gehele aanspraak of van een onevenredige terugvordering. De terugvordering is ingegeven door een gewijzigde omstandigheid die door eiseres aan Belastingdienst/Toeslagen heeft doorgegeven. Deze omstandigheden zijn niet als een bijzondere omstandigheid aangemerkt op basis waarvan hardheid kan worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>21. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen compensatie kinderopvangtoeslag krijgt.</para>
    <para />
    <para>22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M. Landwaart-Ekkelenkamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7ddacbac-89b5-46f9-a062-2d180fc58991" label="1">
    <para> Zie artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d76b9d7f-0cfa-4c3a-8313-dbe786f2fc13" label="2">
    <para> Artikel 49b Awir en het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare zaken van 28 augustus 2020, nr 2020-157030, Staatscourant 2020, 45904.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b76c4e2f-006b-485a-9eef-28726e8f7527" label="3">
    <para> Tweede kamer. Vergaderjaar 2021-2022, 36151, nr. 3, p. 71</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>