<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2023:521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-22T15:45:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22/3924</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:521">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-16T12:28:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2023:521 Rechtbank Midden-Nederland , 03-02-2023 / UTR 22/3924</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2023:521:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Persoonlijke betalingsregeling. Hoorplicht geschonden, beroep gegrond met instandlating rechtsgevolgen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2023:521:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 22/3924 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. T. Khidous),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Belastingdienst/Toeslagen, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. [A] en [B] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van een persoonlijke betalingsregeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft met het besluit van 10 december 2021 een persoonlijke betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 198,-. Met het bestreden besluit van 28 juli 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dit besluit gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Eiseres is niet op zitting verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Eiseres heeft gevraagd om een persoonlijke betalingsregeling in verband met teruggevorderde huurtoeslag over 2019 en 2020 en zorgtoeslag over 2020. Het totale bedrag dat eiseres moet terugbetalen bedraagt € 4.735,- Bij het besluit van 28 juli 2022 heeft verweerder op basis van de financiële situatie van eiseres ten tijde van dat besluit de betalingscapaciteit (opnieuw) berekend op € 881,- en de opeisbare betalingscapaciteit op € 705,-. Die betalingscapaciteit is volgens verweerder voldoende om de totale schuld binnen de standaardbetalingsregeling van 24 maanden te voldoen. <?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Eiseres voert aan dat verweerder bij de berekening van de betalingscapaciteit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de terugvorderingen huur- en zorgtoeslag over 2021. Verder voert zij aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten haar te horen in de bezwaarfase. <?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Verweerder stelt zich op het standpunt dat op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar de laatste vervaldag nog niet was verlopen. Eiseres had nog tot 26 augustus 2022 te tijd om deze terugvorderingen te betalen. Daarnaast doet het feit dat deze terugvorderingen niet zijn meegenomen in de betalingsregeling niets af aan de berekening van de betalingscapaciteit en het uiteindelijk te betalen bedrag. Over het horen stelt verweerder zich op het standpunt dat er in de bezwaarfase op 31 januari 2022, 7 april 2022 en 12 juli 2022 telefonisch contact is geweest, waarbij eiseres en haar gemachtigde voldoende gelegenheid hebben gekregen om het bezwaarschrift toe te lichten. Eiseres is dus niet benadeeld door het feit dat er geen formeel hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Verweerder verwijst naar de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020<footnote-ref linkend="_cae0db2f-4d12-4e33-89b9-1915ee68dfde" /> en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2015<footnote-ref linkend="_1d181124-2f99-46b7-b75f-c4455d1f8d6c" />, waarin de schending van de hoorplicht is gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). <?linebreak?></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>4. De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Het horen van een bezwaarmaker vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarfase. Partijen zijn het erover eens dat er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb. Er is tussen de gemachtigde van eiseres en verweerder enkele malen telefonisch contact geweest in de bezwaarfase, maar eiseres heeft onbestreden gesteld dat dit contact zich beperkte tot de (uitkomst van een) procedure over een inkomstenbelastingschuld, die relevant was voor de berekening van de betalingscapaciteit. Uit de stukken blijkt dit ook. Verder heeft eiseres expliciet aangegeven te willen worden gehoord. Daar komt nog bij dat in de bezwaarfase terugvorderingen van huur- en zorgtoeslag over 2021 bekend werden. Deze terugvorderingen zijn mogelijk relevant voor de berekening van de betalingscapaciteit en op zitting heeft verweerder gezegd dat deze terugvorderingen ook mee hadden kunnen worden genomen in deze procedure als eiseres daarom had gevraagd. Verweerder had eiseres daarom in de gelegenheid moeten stellen om daarover te worden gehoord.<?linebreak?></para>
    <para>5. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek in het bestreden besluit te passeren onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Alleen als aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld, is toepassing van artikel 6:22 van de Awb mogelijk. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk. Eiseres is door de schending van de hoorplicht benadeeld. De beroepsgronden van eiseres slagen. <?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen<?linebreak?></title>
    <para>6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat gebleken is dat ook als verweerder eiseres wel had gehoord en de terugvorderingen huur- en zorgtoeslag over 2021 had betrokken bij de beoordeling in het bestreden besluit dit niet tot een ander resultaat had geleid. Ook in dat geval was haar betalingscapaciteit voldoende om de totale schuld binnen de standaardbetalingsregeling van 24 maanden te voldoen. Dat betekent dat de betalingsregeling voor eiseres door deze uitspraak niet verandert.<?linebreak?></para>
    <para>7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit van 28 juli 2022;</para>
    <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiseres.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_cae0db2f-4d12-4e33-89b9-1915ee68dfde" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHSHE:2020:3849</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d181124-2f99-46b7-b75f-c4455d1f8d6c" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2015:2244</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>