<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2023:4004</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-24T11:59:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22/2370</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:4004">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:4004</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-24T11:58:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2023:4004 Rechtbank Midden-Nederland , 02-05-2023 / UTR 22/2370</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2023:4004:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT Niet-ontvankelijk, alsnog besluit genomen, beroep tegen alsnog genomen besluit niet-ontvankelijk, geen procesbelang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2023:4004:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 22/2370 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [plaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Lagas)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente IJsselstein, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 8 juni 2022 alsnog een uitspraak op het bezwaarschrift gedaan. Eiseres heeft haar beroep niet ingetrokken. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen door verweerder is mede gericht tegen de alsnog gedane uitspraak op bezwaar (artikel 6:20, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep tegen het niet op tijd doen van een uitspraak op bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. </para>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank is van oordeel dat er geen geldige ingebrekestelling is gestuurd. De brief van 2 januari 2022, die volgens eiseres een ingebrekestelling bevat, omvat ongeveer 140 zaken, waaronder deze zaak (dossiernummer APPJ21NL0055706) en wordt afgesloten met een opsomming aan redenen waarom de dossiers nog open kunnen staan in het systeem van (gemachtigde van) eiseres. Hierin staat  onder andere de mogelijkheid dat er door verweerder nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan, maar ook bijvoorbeeld dat er niet gereageerd is door (gemachtigde van) eiseres op een verzoek een verzuim te herstellen. Het is niet de taak van verweerder om de administratie van (gemachtigde van) eiseres bij te houden. Naar oordeel van de rechtbank dienen er op een ingebrekestelling alleen zaken vermeld te staan waarvan (gemachtigde van) eiseres overtuigd is dat er geen uitspraak op bezwaar is gedaan. Dus geen zaken waarbij om tal van overige redenen het dossier nog openstaat in het systeem van (gemachtigde van) eiseres. Daarnaast heeft (gemachtigde van) eiseres op 15 februari 2022 een e-mail gestuurd naar verweerder, waarin dit dossier ook wordt benoemd. In deze brief wordt verzocht om deze zaken ambtshalve in behandeling te nemen. Dit duidt erop dat ook (gemachtigde van) eiseres ervan uitgaat dat er geen termijn loopt voor het doen van een uitspraak op bezwaar.</para>
    <para />
    <para>4. Omdat er geen (geldige) ingebrekestelling is gestuurd, kon eiseres geen beroep instellen tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit is daarom kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep tegen de alsnog gedane uitspraak op bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Op 8 juni 2022 heeft verweerder alsnog een uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin is het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank heeft deze uitspraak op bezwaar op 5 augustus 2022 doorgestuurd naar eiseres met de vraag of eiseres het beroep wenst in te trekken of, indien zij het niet eens is met de uitspraak op bezwaar, dit te motiveren. Eiseres heeft hierop niet gereageerd, waaruit de conclusie getrokken dient te worden dat eiseres het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. </para>
    <para />
    <para>7. Omdat verweerder de naheffingsaanslag inmiddels heeft vernietigd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiseres nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. In vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:392) is neergelegd dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de eiseres met het indienen van het beroep wil behalen, daadwerkelijk kan worden bereikt en als het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. Het alleen hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij een beroep tegen de beslissing op bezwaar. Verweerder heeft de naheffingsaanslag vernietigd. Eiseres heeft ook geen gronden aangevoerd tegen dit besluit. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2022 is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep tegen het niet op tijd doen van een uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">-	</emphasis>verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2022 niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>P.W. Hogenbirk, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier	de rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>