<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2023:3954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-21T16:04:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 23/1650</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:3954">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:3954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-21T16:01:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2023:3954 Rechtbank Midden-Nederland , 07-07-2023 / UTR 23/1650</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2023:3954:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT UHT</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2023:3954:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 23/1650</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. L. Meys),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,<?linebreak?>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 12 januari 2022 tegen de definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op 2 mei 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht.<footnote-ref linkend="_f7308c3e-cf6c-4975-bf0c-d0d191c35846" /> Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Amsterdam, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen.<footnote-ref linkend="_d65176a0-64d7-4f3e-b506-b142fd4fefbd" /><?linebreak?></para>
    <para>2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_9432263b-cbfe-4827-997c-ee417d72ceea" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_136d9cff-702c-413f-8759-0df61557931e" /><?linebreak?></para>
    <para>3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling, te weten bij brief van 27 maart 2023, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.<?linebreak?></para>
    <para>4. Het beroep is gegrond.<?linebreak?><emphasis role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</emphasis><?linebreak?></para>
    <para>5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_9760f291-eed6-4196-9cf6-c5780f7db592" /> In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_6885a61e-9ba4-4159-93de-2c572b42d038" /><?linebreak?></para>
    <para>6. Op 14 april 2023<footnote-ref linkend="_3c8467fe-cf8c-4ab0-b46b-e01edb442d9e" /> heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank uitspraak gedaan over de termijn waarop verweerder alsnog een besluit bekend moet maken in dit soort zaken. In deze uitspraak heeft de rechtbank uiteen gezet dat zij voortaan als uitgangspunt hanteert dat verweerder een nadere beslistermijn krijgt tot 1 juli 2024. In deze zaak ziet de rechtbank geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Zij verwijst naar de uitspraak van 14 april 2023 voor de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Dit is het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken.<?linebreak?><emphasis role="italic">Bestuurlijke dwangsom</emphasis><?linebreak?></para>
    <para>8. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.<footnote-ref linkend="_9a8ed0bd-6630-4f62-b505-8fc350ef8e03" /></para>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet formeel in een besluit vastgesteld, maar slechts in zijn verweerschrift de hoogte van de nog toe te kennen dwangsom berekend.<?linebreak?>De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.<?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>10. Eiseres heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Volgens haar is er sprake van bijzondere omstandigheden en zij heeft daarvoor aangevoerd dat er een speciale regeling is opgestart voor gedupeerde ouders waarbij de Eigen Bedrage op nihil is vastgesteld. Deze procedure valt hier echter niet onder, waardoor eiseres nu noodgedwongen kosten moet maken door deze procedure te starten.<?linebreak?></para>
      <para>10. Uitgangspunt van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bij vergoeding van door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. Alleen in bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding – zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten – kan verhogen of verlagen. Om te kunnen spreken van bijzondere omstandigheden zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken. Wat eiseres heeft aangevoerd is onvoldoende om in dit geval bijzondere omstandigheden aan te nemen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding.<?linebreak?></para>
      <para>10. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_71281065-e47a-413e-b38a-d6fdeab98bba" /> is een beroep tegen het niet tijdig beslissen van een bestuursorgaan een lichte zaak en kan dus worden volstaan met 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,-, bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 418,50. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.<?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk 1 juli 2024 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. D. van Grootel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f7308c3e-cf6c-4975-bf0c-d0d191c35846" label="1">
    <para> Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d65176a0-64d7-4f3e-b506-b142fd4fefbd" label="2">
    <para> Artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9432263b-cbfe-4827-997c-ee417d72ceea" label="3">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_136d9cff-702c-413f-8759-0df61557931e" label="4">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9760f291-eed6-4196-9cf6-c5780f7db592" label="5">
    <para> Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6885a61e-9ba4-4159-93de-2c572b42d038" label="6">
    <para> Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c8467fe-cf8c-4ab0-b46b-e01edb442d9e" label="7">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2023:1702.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a8ed0bd-6630-4f62-b505-8fc350ef8e03" label="8">
    <para> Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71281065-e47a-413e-b38a-d6fdeab98bba" label="9">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2148.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>