<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2023:2557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-10T16:05:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16.291074-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:2557">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:2557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-31T14:17:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2023:2557 Rechtbank Midden-Nederland , 17-05-2023 / 16.291074-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2023:2557:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaar ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2023:2557:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Strafrecht</para>
    <para>Zittingsplaats Lelystad</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 16.291074.21<?linebreak?>Raadkamernummer: 23.010611<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] (Turkije),</para>
      <para>wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesgang</title>
    <parablock>
      <para>Het bezwaarschrift is op 26 april 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 17 mei 2023 het bezwaarschrift in besloten raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord officier van justitie mr. M. Kamper, verdachte en zijn raadsman </para>
      <para>mr. K. Karakaya, advocaat te Apeldoorn.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bezwaar</title>
    <para>Het bezwaar is gericht tegen de door de officier van justitie uitgebrachte dagvaarding van 14 april 2023 voor zover die betrekking heeft op het daarbij onder feit 3 tenlastegelegde. Onder feit 3 wordt verdachte, zakelijk weergegeven, verweten dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 25 oktober 2021 in Hilversum handelingen heeft verricht ter voorbereiding en/of bevordering van de productie van middelen die op lijst I en lijst II van de Opiumwet zijn vermeld door daarvoor bestemde goederen en een bedrijfspand voorhanden te hebben.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van de verdediging</title>
    <para>Het bezwaarschrift houdt, kort en zakelijk weergegeven, in dat verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde lichtvaardig is gedagvaard en een veroordeling voor dit feit niet haalbaar is. Immers heeft de rechter-commissaris voor dit feit geen ernstige bezwaren aangenomen en zijn er nadien geen stukken aan het procesdossier toegevoegd die verdachte belasten, zodat de rechtbank op basis van de inhoud van het procesdossier niet tot wettig en overtuigend bewijs voor en daarmee tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van dit feit zal komen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van het Openbaar Ministerie</title>
    <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard, kort en zakelijk weergegeven omdat niet hoogst onaannemelijk is dat de later oordelende strafrechter tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde komt.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is op 14 april 2023 uitgebracht en op 18 april 2023 op de bij de wet voorgeschreven wijze betekend. Het bezwaarschrift is ingediend op 26 april 2023 en daarmee binnen de in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn. Verdachte is dan ook ontvankelijk in zijn bezwaar. </para>
      <para>Bij de beoordeling van het bezwaar tegen de dagvaarding stelt de rechtbank voorop dat de onderhavige raadkamerprocedure een summier karakter kent, waarin niet vooruit dient te worden gelopen op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting. De rechtbank overweegt voorts dat artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering beoogt een waarborg te bieden tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor de verdachte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat de rechter-commissaris een beslissing heeft genomen na summier onderzoek en dat hetgeen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde over de bedoeling van de wetgever is opgeworpen een discussie is die ter openbare terechtzitting dient te worden gevoerd. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet op voorhand tot de conclusie kan leiden dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder 3 tenlastegelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. De rechtbank zal het bezwaar daarom ongegrond verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. H.B.W. Beekman en </para>
      <para>E.G. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>