<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2023:1834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-24T14:51:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22/4976</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1834">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-20T10:55:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2023:1834 Rechtbank Midden-Nederland , 31-03-2023 / UTR 22/4976</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2023:1834:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PGB. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2023:1834:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 22/4976</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: H.G. van de Weerd),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Baharifar).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het persoonsgebonden budget (pgb) voor de dochter van eiser vastgesteld over het jaar 2020. Bij brief van </para>
      <para>18 mei 2022, bij verweerder ingekomen op 24 mei 2022, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2023. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser erkent dat het bezwaar te laat is ingediend. Als verschoning hiervoor voert hij aan dat vanaf april 2020 sprake was van een samenloop van diverse omstandigheden. Zijn dochter is wekenlang opgenomen geweest in het ziekenhuis, hetgeen veel zorg en aandacht vergde. Ook eiser zelf kampte met medische klachten. Verder speelde de covid-pandemie een rol en had eiser ook nog te maken met een bedrijfsbeëindiging. Voorts verkeerde eiser op basis van telefonische informatie in de veronderstelling dat het budget op 2020 wel weer “geopend” kon worden. Om die reden zag hij de noodzaak niet om snel te reageren op het primaire besluit.</para>
    <para />
    <para>2. Een bezwaar moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. Dit staat in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is niet in geschil dat het bezwaar van eiser te laat is ingediend. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaar niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waaraan eiser niets kan doen.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar heeft geacht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn omstandigheden van dien aard waren, dat hij in het geheel niet in staat is geweest om het bezwaarschrift tijdig in te dienen. Eiser had ook pro forma een bezwaarschrift kunnen indienen of hij had de hulp van een derde kunnen inschakelen om namens hem bezwaar te maken. De rechtbank is niet gebleken dat het van een onredelijke hardheid getuigt dat verweerder de bezwaartermijn van zes weken strak heeft gehanteerd.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat eiser ook in de bezwaarfase heeft aangevoerd dat hij uit telefonische informatie had opgemaakt dat het pgb-budget over 2020 weer ‘opengezet’ kon worden. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het bestreden besluit niet op deze bezwaargrond is ingegaan. Dat maakt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft. In het verweerschrift is verweerder alsnog op deze grond ingegaan. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat het pgb-budget weer kon worden ‘opengezet, ín die zin dat eiser zijn declaraties over 2020 in een later stadium alsnog zou kunnen indienen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser dit inderdaad niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit al omdat eiser niet heeft kunnen aangeven wanneer dit bewuste telefoongesprek heeft plaatsgevonden en welke informatie hem toen concreet zou zijn verstrekt. De rechtbank ziet aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Niet is gebleken dat eiser hierdoor is benadeeld.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank concludeert dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiser is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. </para>
    <para />
    <para>6. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht in deze zaak moet vergoeden. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>31 maart 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>