<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2023:151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-16T10:55:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR - 22 _ 1240</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:151">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-27T16:23:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2023:151 Rechtbank Midden-Nederland , 13-01-2023 / UTR - 22 _ 1240</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2023:151:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>pkv, bnt, ingebrekestelling, opschorting beslistermijn, avg, recht van bezwaar, veroordeling pkv</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2023:151:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 22/1240 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. W. de Klein),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de korpschef van politie, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 3 september 2020 aan verweerder verzocht om bepaalde gegevens te verwijderen op grond van de artikelen 17 en 21 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij besluit van 7 januari 2021 het verzoek op grond van de AVG afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze rechtbank heeft op 26 mei 2021 uitspraak<footnote-ref linkend="_8d2b42f8-977e-42db-9b6f-abf727c2372b" /> gedaan in het beroep van verzoeker tegen het besluit van 7 januari 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 23 november 2021 opnieuw aan verweerder verzocht om bepaalde gegevens te verwijderen op grond van de artikelen 17 en 21 van de AVG.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 16 december 2021 besloten om de aanvraag op grond van de artikelen 4:5 en 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet te behandelen, omdat het gaat om een gelijkluidende aanvraag waarop reeds is beslist. Verweerder heeft onder toepassing van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort met een termijn van drie weken om verzoeker in de gelegenheid te stellen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 24 december 2021 gereageerd en aangegeven dat de beslistermijn niet kan worden opgeschort en heeft verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 18 februari 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.</para>
      <para>Verweerder heeft bij besluit van 2 maart 2022 (met dagtekening 29 december 2021) het verzoek op grond van de AVG afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij beschikking van 25 april 2022 vastgesteld dat verzoeker geen recht heeft op een dwangsom. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft bij brief van 23 juni 2022 het beroep ingetrokken en aan de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 14 juli 2022 gereageerd op het verzoek van verzoeker om een proceskostenvergoeding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank stelt vast dat uitsluitend ter beoordeling voorligt, het verzoek van verzoeker om verweerder te veroordelen in de proceskosten die hij heeft gemaakt in het kader van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 23 november 2021. Voor vergoeding van de proceskosten is de vraag van belang of hij dat beroep niet-tijdig terecht heeft ingesteld. </para>
    <para />
    <para>2. Voor de beantwoording van deze vraag is relevant of verweerder toepassing heeft mogen geven aan artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb in combinatie met artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb en dus of de termijn voor het nemen van een besluit terecht is opgeschort met in dit geval drie weken. Als verweerder de termijn niet heeft mogen opschorten dan heeft verzoeker verweerder terecht in gebreke gesteld en bestaat er recht op vergoeding van de proceskosten. Niet in geschil is namelijk dat een beslistermijn van één maand gold en dat de beslistermijn dus tot 23 december 2021 liep (dit volgt uit artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG)). Als de opschorting terecht is dan heeft verzoeker verweerder te vroeg in gebreke gesteld. De beslistermijn liep dan namelijk tot 6 januari 2022. Het beroep dient in dat geval niet-ontvankelijk te worden verklaard en verzoeker heeft geen recht op vergoeding van de proceskosten. </para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker betoogt dat verweerder de beslistermijn niet heeft mogen opschorten op grond van de artikelen 4:5 en 4:15 van de Awb, omdat deze artikelen toepassing missen. Primair brengt verzoeker naar voren dat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb, omdat artikel 21 van de AVG het recht op <emphasis role="italic">bezwaar</emphasis> regelt. Dit betekent dat niet hoofdstuk 4, maar hoofdstuk 6 van de Awb van toepassing is. Subsidiair brengt verzoeker naar voren dat de artikelen 4:5 en 4:15 van de Awb niet van toepassing zijn gelet op de strekking van deze artikelen. Er kan geen sprake zijn van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. In artikel 21, eerste lid, van de AVG is namelijk bepaald dat de betrokkene <emphasis role="italic">te allen tijde</emphasis> het recht heeft om bezwaar te maken tegen de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens. De AVG geldt onverkort in iedere lidstaat van de Europese Unie en moet op gelijke wijze worden toegepast. Het opwerpen van formele beletselen als bedoeld in artikel 4:5 en 4:15 van de Awb verdraagt zich hier niet mee.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beslistermijn op goede gronden is opgeschort. Ingevolge artikel 34 van de UAVG is een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat hoofdstuk 4 van de Awb van toepassing is. Hij mocht daarom opschorten. De beslistermijn eindigde op 6 januari 2022. De ingebrekestelling van 24 december 2021 is daarmee prematuur. Voor zover de e-mail van 21 februari 2022 als ingebrekestelling kan worden aangemerkt, is het besluit binnen twee weken na ontvangst bekend gemaakt en daarom is er geen dwangsom verschuldigd. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komt, omdat het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht is ingesteld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt eerst dat het betoog van eiser dat verweerder de artikelen 4:5 en 4:6 van de Awb niet heeft kunnen toepassen omdat er geen sprake is van een aanvraag maar van het maken van bezwaar, niet slaagt. In artikel 34 van de UAVG is bepaald dat een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de verordening geldt als een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dus dat het verzoek op grond van artikel 21 van de AVG als een aanvraag in de zin van hoofdstuk 4 van de Awb kan worden aangemerkt.  </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder de beslistermijn niet heeft mogen opschorten. Verweerder heeft dat gedaan op grond van de artikelen 4:5 in combinatie met artikel 4:15 van de Awb, waarbij in het kader van de toepassing van 4:6 van de Awb om informatie is gevraagd . Verweerder stelt dat er sprake was een gelijkluidende aanvraag waarop eerder al negatief was beslist en verzoeker geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag had gelegd. De rechtbank is het eens met eiser dat het bepaalde in de artikelen 4:5, 4:6 en 4:15 van de Awb niet goed verenigbaar is met het in de AVG neergelegde uitgangspunt dat betrokkene te allen tijde het recht heeft om bezwaar te maken tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens, tenzij sprake is van misbruik van recht<footnote-ref linkend="_c01462cc-ac76-4a3e-98a8-6f853c7f4450" />. Ook kent de AVG een eigen opschortingsregel<footnote-ref linkend="_9e976c88-9960-4dea-bfc5-aedc8c76341b" />. Hieraan heeft verweerder geen toepassing gegeven. Dit betekent dat de ingebrekestelling van 24 december 2021 niet prematuur is. Dit betekent dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van verzoeker terecht is ingesteld en dat verzoeker voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komt. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op €837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.</para>
    <para />
    <para>9. Verweerder moet ook het griffierecht van € 184,- aan verzoeker betalen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb). </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 837,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8d2b42f8-977e-42db-9b6f-abf727c2372b" label="1">
    <para> Zie ECLI:NL:RBMNE:2021:2249. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c01462cc-ac76-4a3e-98a8-6f853c7f4450" label="2">
    <para> Artikel 21, eerste lid en artikel 12, vijfde lid, van de AVG.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9e976c88-9960-4dea-bfc5-aedc8c76341b" label="3">
    <para> Artikel 12, derde lid, van de AVG.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>