<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2023:1207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-31T14:14:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 22/2567</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1207">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-31T14:13:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2023:1207 Rechtbank Midden-Nederland , 09-03-2023 / UTR 22/2567</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2023:1207:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WW; niet-ontvankelijk; verschoonbaarheid overschrijding beroepstermijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2023:1207:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 22/2567</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis> (het Uwv)</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Witte).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 4 mei 2022 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 11 februari 2022 (het bestreden besluit), waarin is beslist over een WW-uitkering van eiser. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit.</para>
      <para>De rechtbank heeft eiser per brief op 17 juni 2022 expliciet gevraagd om het besluit toe te sturen waar eiser het niet mee eens is. Eiser heeft toen de beslissing op bezwaar van 11 februari 2022 naar de rechtbank gestuurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft in reactie op het beroep van eiser een verweerschrift en een nader verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is op 26 januari 2023 op een zitting behandeld. Daarbij waren eiser en de gemachtigde van het Uwv aanwezig. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting heeft eiser aangegeven dat hij bedoeld heeft om in beroep te gaan tegen een beslissing op bezwaar van het Uwv van 4 mei 2022. Gelet op de tekst van zijn beroepschrift en op het feit dat eiser, nadat hem daarom expliciet was gevraagd, het besluit van 11 februari 2022 heeft overgelegd als  het besluit waartegen hij beroep in wilde stellen, ziet de rechtbank het beroep als gericht tegen dat besluit van 11 februari 2022. Dat is het besluit waar de rechtbank in deze zaak over kan oordelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling van de zaak</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank zal, voordat zij inhoudelijk naar de zaak kan kijken, eerst uit zichzelf (ambtshalve) een formeel punt moeten beoordelen. Dat is de vraag of eiser niet te laat beroep heeft ingesteld. Als dit zo is dan is dan kan de rechtbank niet inhoudelijk naar de zaak kijken en is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij eiser voor het te laat indienen een reden had die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.  </para>
    <para />
    <para>2. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken. Deze termijn begint een dag nadat het bestreden besluit door middel van de toezending aan eiser is bekendgemaakt. Het bestreden besluit is gedagtekend op 11 februari 2022. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat deze beslissing pas na die datum is verzonden. Eiser had daarom tot en met 28 maart 2022 om het beroepschrift in te dienen, terwijl hij bijna zestien weken later, op 1 juni 2022, het beroepschrift heeft ingediend. Omdat dit te laat is, zal de rechtbank hierna beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De wet zegt dat daarvan sprake is ‘als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest’<footnote-ref linkend="_3e1a7e9c-6970-4afb-b737-d5f2a22e0a6e" />.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft aangegeven dat het hem niet is gelukt het beroepschrift op tijd in te dienen vanwege zijn GGZ-problematiek. Eiser geeft aan dat hij is verwezen naar een GGZ-instelling voor onderzoek en heeft daarbij een patiëntbericht van PsyMens overgelegd. Ook geeft eiser aan dat hij momenteel ambulante begeleiding krijgt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning om zijn administratie op orde te krijgen. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Bij haar oordeel betrekt zij de rechtspraak hierover. Uit vaste rechtspraak volgt dat als een belanghebbende zich beroept op lichamelijke of psychische problemen waardoor hij niet in staat zou zijn tijdig bezwaar te maken, van hem wordt verwacht dat hij hulp inroept bij het behartigen van zijn belangen.<footnote-ref linkend="_25e1b138-f92f-41db-a701-39ba70795e00" /> De rechtbank vindt dat met wat eiser heeft aangevoerd en heeft overlegd, niet aannemelijk is dat bij eiser gedurende de gehele beroepstermijn sprake was van een dusdanige toestand dat hij buiten staat was om, eventueel met hulp van derden, tijdig beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Het niet tijdig instellen van beroep komt daarom voor rekening en risico van eiser. Dit betekent dat de rechtbank niet inhoudelijk naar de zaak kan kijken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3e1a7e9c-6970-4afb-b737-d5f2a22e0a6e" label="1">
    <para> Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_25e1b138-f92f-41db-a701-39ba70795e00" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2813. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>