<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-28T16:06:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR - 21_1914</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:720">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-28T16:02:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:720 Rechtbank Midden-Nederland , 10-02-2022 / UTR - 21_1914</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:720:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ziekengeldsanctie. Mondelinge uitspraak. Het Uwv is er tot op de zitting niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het besluit waarmee hij aan eiseres een ziekengeldsanctie heeft opgelegd binnen de daarvoor geldende termijn is verzonden. Beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:720:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/1914</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">10 februari 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres</para>
      <para>(gemachtigde: mr. B. Polman),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: L. Ritsma).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres de verplichting opgelegd om de uitkering ingevolge de Ziektewet van haar (ex-)werkneemster [A] tot 5 oktober 2021 te betalen (een ziekengeldsanctie).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit op bezwaar van 11 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 3 november 2020 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit op bezwaar op de digitale zitting via Teams van 10 februari 2022 op zitting behandeld. Namens eiseres heeft [B] aan deze zitting deelgenomen. Zij werd bijgestaan door de gemachtigde van eiseres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van het beroep op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- herroept het besluit van 5 oktober 2020 waarmee aan eiseres een ziekengeldsanctie is    opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft het primaire besluit voorzien van de datum 5 oktober 2020 als verzenddatum. Dit is de laatste dag dit besluit rechtmatig kon worden genomen. Bij de bespreking van het beroep op zitting is vast komen te staan dat verweerder niet kan bewijzen dat het besluit ook daadwerkelijk op deze dag is verzonden.</para>
    <para />
    <para>3. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder de beslissing waarmee hij aan eiseres een ziekengeldsanctie heeft opgelegd uiterlijk op 5 oktober 2020 heeft verzonden. Eiseres stelt in dit verband dat zij de brief van verweerder, gelet op het door haar bij ontvangst geplaatste datumstempel, op 13 oktober 2020 heeft ontvangen. Daarom betwist eiseres dat verweerder het besluit tot het opleggen van een ziekengeldsanctie tijdig heeft verstuurd.</para>
    <para />
    <para>4. Volgens verweerder kan eiseres niet aantonen dat zij de brief met het primaire besluit pas op 13 oktober 2020 heeft ontvangen. Uit zijn datering van het primaire besluit blijkt volgens verweerder dat het binnen de fatale termijn is verzonden.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat het vaste rechtspraak is dat het risico van het niet kunnen aantonen dat een besluit daadwerkelijk op de gestelde datum is verzonden bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder een bevestiging van ontvangst bij de  afzender ligt. Dit sluit echter niet uit dat langs andere weg kan worden aangetoond dat het betreffende besluit op de gestelde datum is verzonden. </para>
    <para />
    <para>6. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er tot op de zitting niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het besluit waarmee hij aan eiseres een ziekengeldsanctie heeft opgelegd binnen de hiervoor geldende termijn is verzonden. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de ontvangststempel van eiseres geen waarde zou hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met deze stempel en de door haar gegeven toelichting op de zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het bestreden besluit pas op <?linebreak?>13 oktober 2020 heeft ontvangen.</para>
    <para />
    <para>7. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep gegrond is. Het door eiseres betaalde griffierecht dient te daarom te worden vergoed. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2022 door <?linebreak?>mr. drs. R. in 't Veld, voorzitter, en mr. J. Wolbrink en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de voorzitter is verhinderd</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">		deze uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>