<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:718</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-26T13:50:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/2282</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:718">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:718</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-26T13:49:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:718 Rechtbank Midden-Nederland , 10-02-2022 / UTR 21/2282</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:718:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wmo, procesbelang, verhuizing, periode in verleden, gestelde schade onvoldoende aannemelijk, beroep n-o</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:718:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 21/2282</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: M. de Graaf).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Inleiding en procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 10 september 2020 een aanvraag ingediend voor begeleiding en dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In het besluit van 24 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Het is namelijk noodzakelijk dat eiser behandeld wordt, maar niet is gebleken dat sprake is van een behandeling of betrokken behandelaar. Ook dient eiser eerst te onderzoeken of hij in aanmerking komt voor beschermd wonen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Met ingang van 4 oktober 2020 heeft eiser zich in de Basisregistratie Personen (BRP) uitgeschreven uit de gemeente Utrechtse Heuvelrug en ingeschreven in de gemeente Utrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>In het besluit van 20 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder, met verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 16 april 2021, het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder heeft eiser geen belang bij een beoordeling van zijn bezwaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021, via een skypeverbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>2. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat iemand enkel een formeel of principieel belang heeft, is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een verstreken periode, tenzij aannemelijk is dat schade is geleden of dat een beoordeling door de rechtbank van het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Als gesteld wordt dat schade is geleden kan geoordeeld worden dat procesbelang aanwezig is als de stelling dat schade is geleden niet op voorhand onaannemelijk is.<footnote-ref linkend="_b09b01c3-5845-45db-8ea9-1e8ee814bc3f" /></para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. Dit besluit gaat namelijk over de aanvraag die eiser op 10 september 2020 heeft ingediend bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug om een voorziening op grond van de Wmo. Eiser is op 4 oktober 2020 verhuisd naar de gemeente Utrecht. Dat betekent dat hij vanaf deze datum geen recht meer heeft op een voorziening van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.<footnote-ref linkend="_476ee757-ec05-4b17-8fab-082609fad8f7" /> Er is dus sprake van een periode die al voorbij is. Het is niet gebleken dat een oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor eiser belangrijk kan zijn voor een periode in de toekomst.</para>
    <para>Eiser heeft gesteld dat hij schade heeft geleden omdat zijn zussen voor hem hebben gezorgd. Hij moet hen dan ook loon betalen. De rechtbank oordeelt dat eiser deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Niet gebleken is dat eiser zijn zussen heeft betaald voor de door hen verleende zorg. Ook is niet gebleken dat hij een verplichting heeft om zijn zussen te betalen. Eiser heeft namelijk geen overzicht ingediend van de uren waarin zijn zussen zorg aan hem hebben verleend. Hij heeft ook geen facturen van de werkzaamheden van zijn zussen ingediend.</para>
    <para />
    <para>4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
  </section>
  <footnote id="_b09b01c3-5845-45db-8ea9-1e8ee814bc3f" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:409.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_476ee757-ec05-4b17-8fab-082609fad8f7" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 1.2.1, onder a, van de Wmo.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>