<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:6639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-01T13:56:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 20/3976 RECTIFICATIE</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:6639">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:6639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-01T13:56:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:6639 Rechtbank Midden-Nederland , 13-10-2022 / UTR 20/3976 RECTIFICATIE</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:6639:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rectificatie pagina 2 en 3</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:6639:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND </bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">zaaknummer: UTR 20/3976- V Rectificatie pagina 2 en 3</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2022 op het verzet van </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [opposant] , woonplaats onbekend, opposant,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong). </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht van 18 september 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 2 november 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para>Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 november 2021 het beroep ongegrond verklaard, omdat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
    <para />
    <para>2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. </para>
    <para>De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 2 november 2021 niet juist was. </para>
    <para />
    <para>3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 2 november 2021 niet juist. Opposant betwist dat de gemeente de verzending van het besluit aannemelijk zou hebben gemaakt. Op beide door de gemeente overgelegde stukken ontbreekt immers een expliciete melding van verzending van het primaire besluit. Het oordeel van zowel de gemeente als de rechtbank kan dan ook uitsluitend op dit primaire besluit zelf zijn gebaseerd. Het feit dat hierop een datum van verzending staat opgenomen garandeert echter allerminst dat dit besluit hem ook daadwerkelijk heeft bereikt. Daarmee is de veronderstelde plicht van opposant om het vermoeden van een juiste verzending van dit besluit te ontzenuwen komen te vervallen. Voor zover in rechte zou komen te staan dat de gemeente de verzending van het besluit wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt, meent hij zowel in bezwaar als in beroep te hebben aangetoond dat niet kan worden uitgesloten dat hij dit besluit niet heeft mogen ontvangen. De gemeente kan immers niet uitsluiten dat dit besluit om wat voor reden dan ook in het ongerede is geraakt en daarmee niet in het postvakje van hem terecht is gekomen nu de handtekening slechts betrekking heeft op het setje post dat hij op een specifieke datum in ontvangst heeft genomen. Bij het aftekenen van het aftekenformulier zal noch de gemeente noch hijzelf immers kunnen vermoeden dat er op dat moment een stuk in het postvakje ontbreekt. Aldus blijft opposant van mening dat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt opposant in zijn standpunt dat op beide door verweerder overgelegde stukken een expliciete melding van verzending van het primaire besluit ontbreekt. Aan de hand van de aftekenformulier is niet te zien <emphasis role="italic">welke</emphasis> stukken opposant in ontvangst heeft genomen. Daarmee staat vast dat niet met zekerheid is te zeggen dat opposant het besluit heeft afgehaald. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder hiermee de verzending van het besluit niet aannemelijk heeft gemaakt.</para>
    <para />
    <para>5. Dit betekent dat opposant hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 2 november 2021 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">6. De verzetrechter oordeelt dat er geen nader onderzoek nodig is en dat, gelet op artikel 8:55, tiende lid, van de Awb, direct uitspraak kan worden gedaan in het beroep.</bridgehead>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">7.</emphasis>Verweerder heeft geen andere reden gegeven waarom het bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Zo'n andere reden is ook niet op andere wijze gebleken. Verweerder heeft dus ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">8. Omdat eiser gelijk krijgt met zijn verzet en zijn beroep moet het bestuursorgaan zijn proceskosten in de verzetzaak en het beroep betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzetschrift en een beroepschrift in te dienen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 1.138,50,- (1 punt voor het indienen van het beroep met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1, 0.5 punt voor het indienen van een verzetschrift met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1). </bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">verklaart het beroep gegrond;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 48,- dat eiser heeft betaald moet vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.138,50,- aan proceskosten in de verzetszaak en de bodemzaak. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>O. Asafiati, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen de uitspraak over het verzet kunt u niet in hoger beroep. Tegen de uitspraak over het beroep kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U kunt daar ook om een voorlopige voorziening vragen. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>