<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:5627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T15:59:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBMNE:2022:1570</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 3027 rectificatie</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBMNE:2022:5627" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/Inachtneminghersteluitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Herstelde uitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2022:5627</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBMNE:2022:5627" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/Inachtneminghersteluitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2022:5627</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:5627">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:5627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T14:35:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:5627 Rechtbank Midden-Nederland , 20-04-2022 / AWB - 21 _ 3027 rectificatie</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:5627:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>WIA. Afwijzing IVA-uitkering. UWV heeft het motiveringsgebrek over de niet duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid hersteld in de beroepsprocedure. Beroep ongegrond, proceskosten voor UWV.</para>
        <para>Rectificatie uitspraak.ECLI:NL:RBMNE:2022:1570</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:5627:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">zaaknummer: UTR 21/3027 RECTIFICATIE PAGINA 3</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiseres] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D. C. Depeli),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: M. Wardenburg).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij (de werknemer) heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , uit [woonplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de WGA-loonaanvullingsuitkering die de werknemer op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangt, ongewijzigd voortgezet naar een mate van volledige arbeidsongeschiktheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2022 via een online verbinding. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Derde-partij is verschenen. Verweerder heeft tijdens de zitting erkend dat de onderbouwing over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid onvoldoende is. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven dit nader te motiveren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 februari 2022 heeft verweerder een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord en de rechtbank heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 5 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geheimhouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De werknemer heeft geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan eiseres te verstrekken. De rechtbank zal daarom de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat deze gegevens via deze uitspraak alsnog openbaar worden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Werknemer werkte als caissière bij de rechtsvoorganger van eiseres en is wegens medische klachten in 2016 uitgevallen. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd heeft zij een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Na een bezwaarprocedure heeft zij een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen. Per 14 juli 2019 heeft verweerder deze uitkering omgezet naar een loonaanvullingsuitkering. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling. Dat heeft geleid tot de onder ‘procesverloop’ vermelde besluiten, waaraan verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag liggen. Uit die rapporten blijkt dat de werknemer volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kern van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De zaak gaat over de vraag of de beperkingen van de werknemer duurzaam zijn, en daarmee of zij in aanmerking komt voor een WIA-uitkering voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (IVA). Zo’n IVA-uitkering komt niet voor risico van eiseres als rechtsopvolger van de werkgever. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beroepsgrond</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts niet deugdelijk en concreet onderbouwd heeft welke behandeloptie openstaat voor de werknemer, welk resultaat de behandeloptie zal kunnen hebben en waarom de beperkingen gelet daarop niet als duurzaam worden beoordeeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Volgens vaste rechtspraak moet de verzekeringsarts op de volgende manier de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid beoordelen.<footnote-ref linkend="_3736c84f-e171-40bf-b30a-10febf78be20" /> Hij moet inschatten wat de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen zijn. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Als die inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.</para>
    <para />
    <para>6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de aanvullende motivering na de zitting alsnog voldoende onderbouwd dat de werknemer <emphasis role="bold">niet</emphasis> duurzaam arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij de ziektebeelden van de werknemer concreet aangegeven welke behandelmogelijkheden er zijn. De werknemer heeft de geadviseerde behandeling van de behandelaren niet gevolgd en haar beperkingen kunnen alsnog verminderen door het inzetten van deze behandeling. Op de functionelemogelijkhedenlijst (FML) wordt vooral een afname van de beperkingen in de rubrieken 3,4 en 5 verwacht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eindconclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Omdat verweerder pas in beroep een volledige onderbouwing heeft gegeven voor de duurzaamheid, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank passeert dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en laat het besluit in stand. Eiseres is namelijk niet benadeeld door de aanpassing van de motivering. Ook wanneer het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde strekking zijn genomen. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van</para>
    <para>€ 1.518,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. drs. N.L.K.J. Li, griffier. De beslissing is uitgesproken op <?linebreak?>20 april 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3736c84f-e171-40bf-b30a-10febf78be20" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 januari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:137)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>