<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:5621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-29T14:51:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10210652 UV EXPL  22-273 aw/1370</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:5621">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:5621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T09:43:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:5621 Rechtbank Midden-Nederland , 29-12-2022 / 10210652 UV EXPL  22-273 aw/1370</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:5621:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geschil over de overname van een eetcafé in Veenendaal; verkoper en koper hebben onenigheid gekregen over de uitvoering van de overnameovereenkomst; koper, dat is eiser, heeft de exploitatie gestaakt en de sleutels ingeleverd; verkoper heeft het eetcafé inmiddels aan een derde ter beschikking gesteld; eiser wil de exploitatie op korte termijn hervatten en heeft de verkoper, de verhuurder van het horecapand en de nieuwe exploitant van het eetcafé in kort geding gedagvaard; onvoldoende aannemelijk is echter dat eiser in privé en niet zijn vennootschap partij is bij de overnameovereenkomst, de vorderingen worden daarom afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:5621:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10210652 UV EXPL  22-273 aw/1370</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Kort geding vonnis van 29 december 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>eisende partij in conventie,</para>
      <para>verwerende partij in reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: mrs. M.A.E. Lageweg en A.T. de Putter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de besloten vennootschap</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde sub 1] </emphasis> <emphasis role="bold"> B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen: [gedaagde sub 1] ,</para>
      <para>gedaagde partij in conventie,</para>
      <para>eisende partij in reconventie,</para>
      <para>gemachtigden: mrs. L.L. de Boef en M.C. Evertse,</para>
    </parablock>
    <para>2. de besloten vennootschap</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Heineken Nederland B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Leiden,</para>
      <para>verder ook te noemen: Heineken,</para>
      <para>gedaagde partij in conventie,</para>
      <para>gemachtigden: mrs. J. Verstoep en J. Bouman,</para>
    </parablock>
    <para>3. de besloten vennootschap</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde sub 3] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [woonplaats] ,</para>
      <para>verder ook te noemen: [gedaagde sub 3] ,</para>
      <para>gedaagde partij in conventie,</para>
      <para>vertegenwoordigd door haar directeur, de heer [A] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding met 24 producties is op 29 november 2022 bij gedaagden bezorgd,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [gedaagde sub 1] heeft een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie toegestuurd, met daarbij 29 producties,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Heineken heeft een akte met 6 producties toegestuurd,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 december 2022. Van wat er is besproken heeft de griffier aantekening gemaakt. [eiser] , [gedaagde sub 1] en Heineken hebben ieder pleitaantekeningen overgelegd. Aan het slot van de zitting heeft de kantonrechter meegedeeld dat op 29 december 2022 vonnis zal worden gewezen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De heer [B] en mevrouw [C] zijn (indirect) eigenaren en bestuurders van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft jarenlang een eetcafé geëxploiteerd in de horecabedrijfsruimte aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Zij huurt de horecabedrijfsruimte van Heineken, die het op haar beurt huurt van een derde. Op grond van de huurovereenkomst is [gedaagde sub 1] verplicht om van Heineken bier af te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 1] heeft op enig moment besloten haar horecaonderneming te verkopen. [eiser] heeft zich begin 2022 bij [gedaagde sub 1] gemeld als geïnteresseerde. Vervolgens is tussen [eiser] (of zijn vennootschap) en [gedaagde sub 1] afgesproken dat [eiser] (of zijn vennootschap) de exploitatie van het eetcafé op zich zou nemen met ingang van 1 februari 2022 en dat hij in verband daarmee ook de huur van de horecabedrijfsruimte door middel van indeplaatsstelling zou overnemen. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.</nr>
        <para>Met ingang van 1 februari 2022 is [eiser] (of zijn vennootschap) het eetcafé gaan exploiteren voor eigen rekening en risico. De voorgenomen indeplaatsstelling van [eiser] (of zijn vennootschap) als huurder van de horecabedrijfsruimte is niet tot stand gekomen. [gedaagde sub 1] en [eiser] (of zijn vennootschap) hebben onenigheid gekregen over de onderlinge financiële afwikkeling. Op 9 november 2022 heeft [eiser] (of zijn vennootschap) de exploitatie gestaakt. Hij heeft, nadat hij zijn investeringen uit het eetcafé had verwijderd, de sleutels van het eetcafé ingeleverd bij (de gemachtigde van) [gedaagde sub 1] . </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.</nr>
        <para>Kort daarna heeft [gedaagde sub 1] de horecabedrijfsruimte ter beschikking gesteld aan [gedaagde sub 3] . Deze heeft het eetcafé weer geopend op  19 november 2022.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <para> </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen van [eiser] in conventie</title>
    <bridgehead role="underline">Ten aanzien van [gedaagde sub 1]</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] vordert dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening (samengevat):</para>
        <para>a) [gedaagde sub 1] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan indeplaatsstelling van [eiser] in de huurovereenkomst, aan de levering van de exploitatie, de vaste activa, de vlottende activa, de goodwill van het eetcafé overeenkomstig de koopovereenkomst (voor zover niet reeds blijvend onmogelijk), op straffe van een dwangsom;</para>
        <para>b) [gedaagde sub 1] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] toegang te verschaffen tot het eetcafé en het gebruik door [eiser] te dulden tot er een onherroepelijke uitspraak zal zijn in een bodemprocedure, op straffe van een dwangsom;</para>
        <para>c) [gedaagde sub 1] zal verbieden om nog langer inbreuk te maken op het eigendomsrecht van [eiser] door de exploitatie per direct te staken en gestaakt te houden, in afwachting van de onherroepelijk geworden uitspraak in de bodemprocedure, op straffe van een dwangsom;</para>
        <para>d) [gedaagde sub 1] zal verbieden om de exploitatie, de vaste activa, de vlottende activa, de goodwill van het eetcafé te leveren aan een derde partij, in afwachting van een onherroepelijke uitspraak in de bodemprocedure, op straffe van een dwangsom.</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – ten grondslag dat hij met [gedaagde sub 1] een overeenkomst heeft gesloten met als doel de overdracht van de exploitatie van het eetcafé, de vaste activa, de vlottende activa en de goodwill en de indeplaatsstelling van [eiser] als huurder van het horecapand, tegen betaling door [eiser] van de koopsom van € 75.000,00 exclusief BTW. [eiser] heeft aan zijn verplichtingen voldaan, maar [gedaagde sub 1] weigert om haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen, met name de medewerking aan zijn indeplaatsstelling als huurder. [eiser] vordert daarom uitvoering van de overeenkomst door [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] maakt daarnaast inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] door hem te dwingen de sleutels van het horecapand in te leveren en daarna het eetcafé opnieuw in te richten en ter beschikking te stellen aan een derde partij, [gedaagde sub 3] . Voor zover [gedaagde sub 1] een koopovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde sub 3] dan is dat geweest op het moment dat [eiser] al eigenaar was van de horecaonderneming. [gedaagde sub 1] was daarom niet beschikkingsbevoegd en het staat haar niet vrij om de horecaonderneming aan een derde partij te leveren. [eiser] heeft er verder belang bij dat [gedaagde sub 1] zal dulden dat hij het eetcafé weer exploiteert, zodat zijn schade niet nog verder oploopt. </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van Heineken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening (samengevat):</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>Heineken zal verbieden om een derde partij in de plaats te stellen van de huurovereenkomst met betrekking tot het horecapand en haar te verbieden een derde partij het horecapand te laten gebruiken dan wel exploiteren, op straffe van een dwangsom;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Heineken zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis te gedogen dat [eiser] per direct feitelijk de plaats zal innemen van [gedaagde sub 1] , als ware hij huurder van het horecapand, en aldaar het eetcafé exploiteert in afwachting van een onherroepelijke uitspraak in de bodemprocedure, op straffe van een dwangsom.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – ten grondslag dat Heineken vanaf het begin op de hoogte is geweest van de overname van het eetcafé door [eiser] en dat zij hem als klant heeft aangemerkt door leveringen te verzorgen en zij aldus bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewerkt dat Heineken hem als (toekomstig) contractspartij beschouwde. Bovendien heeft [eiser] aan alle door Heineken gestelde voorwaarden voor indeplaatsstelling voldaan. De reden dat Heineken [eiser] nog niet in de plaats heeft gesteld ligt in de huurachterstand van [gedaagde sub 1] , maar dat is een zaak tussen [gedaagde sub 1] en Heineken. Heineken heeft geen legitieme reden om aan hem indeplaatsstelling als huurder te weigeren. [eiser] vordert dan ook nakoming door Heineken van de afspraken omtrent indeplaatsstelling. Het is in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar dat Heineken een derde partij in de plaats zou stellen als huurder van het horecapand en als Heineken dat zou doen is die situatie mogelijk onomkeerbaar. [eiser] vordert daarom dat de kantonrechter Heineken zal verbieden om een derde partij in de plaats te stellen als huurder en dat zij zal gedogen dat [eiser] de exploitatie van het eetcafé weer op zich neemt, totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist. </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van [gedaagde sub 3]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening (samengevat): [gedaagde sub 3] zal verbieden om inbreuk te maken op het eigendomsrecht van [eiser] door hem de toegang tot en het gebruik van het horecapand te ontzeggen, op straffe van een dwangsom.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title />
    <paragroup>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] legt aan zijn vordering, samengevat, ten grondslag dat [gedaagde sub 3] inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht door hem toegang tot en gebruik van het eetcafé te ontzeggen. </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van alle gedaagden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat de kantonrechter gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <para />
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling in conventie</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In deze kort geding procedure wordt aan de kantonrechter gevraagd om een aantal spoedmaatregelen (voorlopige voorzieningen) te nemen. De kantonrechter moet beoordelen of het waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure een beslissing zal worden genomen die in het voordeel zal zijn van de eisende partij, dat is [eiser] . Als dat voldoende waarschijnlijk is en [eiser] een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde maatregelen heeft, kunnen de door hem gevorderde maatregelen, die vooruitlopen op de beslissing in de bodemprocedure, worden toegewezen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan al zijn vorderingen ten grondslag dat hij met [gedaagde sub 1] een overeenkomst heeft gesloten voor de overname van (kort gezegd) het eetcafé, waaronder zijn indeplaatsstelling als huurder van de horecabedrijfsruimte (hierna: de overnameovereenkomst). </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title />
    <paragroup>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Zowel [gedaagde sub 1] als Heineken hebben als meest verstrekkend verweer tegen de vorderingen van [eiser] aangevoerd dat hij geen partij is bij de door hem gestelde overnameovereenkomst en dat hij daarom niet ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vorderingen. Volgens [gedaagde sub 1] en Heineken is niet [eiser] in privé, maar zijn vennootschap partij bij die overnameovereenkomst. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title />
    <paragroup>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Dit verweer van [gedaagde sub 1] en Heineken slaagt. Het volgende is daartoe redengevend. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.4.1.</nr>
        <para>
          [eiser] heeft als productie 6 bij dagvaarding een overeenkomst in het geding gebracht, gedateerd 5 februari 2022. De aanhef van de overeenkomst luidt: “Overname Handelsnaam”. Partijen bij de overeenkomst zijn: [holding 1] B.V., [holding 2] B.V. en [holding 3] B.V. De bestuurders van die drie vennootschappen, namelijk [B] , [C] en [eiser] , hebben op 7 februari 2022 ieder namens hun vennootschap getekend. De overeenkomst houdt in dat [holding 3] B.V. per 1 februari 2022 gebruik zal mogen maken van de handelsnaam [gedaagde sub 1] B.V. en dat de handelsnaam en de daaraan gelieerde social media accounts per die datum worden overgedragen aan [holding 3] B.V.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.2.</nr>
        <para>
          [eiser] heeft op vragen van de kantonrechter ter zitting verklaard dat het van aanvang af zijn bedoeling is geweest om de exploitatie van het eetcafé onder te brengen in een nieuw op te richten besloten vennootschap met de naam “ [gedaagde sub 1] ”. Omdat het oprichten van die nieuwe vennootschap enige tijd zou vergen heeft hij bij het sluiten van de onder 4.4.1. bedoelde overeenkomst over de handelsnaam zijn al bestaande vennootschap [holding 3] B.V. gebruikt. Die overeenkomst over de handelsnaam is  volgens hem slechts een onderdeel van de overnameovereenkomst. Hij heeft de onderhandelingen over de overnameovereenkomst in privé gevoerd en hij is daarom ook zelf partij bij de overnameovereenkomst, zo heeft [eiser] ter zitting toegelicht. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.3.</nr>
        <para>
          [eiser] heeft echter niet weersproken dat hij al voor het sluiten van de overnameovereenkomst, tijdens de onderhandelingen met [gedaagde sub 1] , ter sprake heeft gebracht dat hij de exploitatie van het eetcafé onder zou brengen in een op te richten besloten vennootschap -  als dochteronderneming van zijn Holding – en dat die nieuwe vennootschap dezelfde naam zou krijgen als [gedaagde sub 1] , te weten “ [gedaagde sub 1] ”. Dit blijkt ook uit het document “overname handelsnaam en inboedel” dat door [eiser] zelf is opgesteld op 24 januari 2022 en door hem op naam is gezet van [holding 3] B.V. en dat hij diezelfde dag aan [A] (gemachtigde van [gedaagde sub 1] ) heeft toegestuurd per e-mail. [A] heeft dat document direct per e-mail doorgestuurd aan [gedaagde sub 1] (productie 7 conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ). De kantonrechter constateert dat de besloten vennootschap “ [gedaagde sub 1] ” vervolgens door [eiser] is opgericht op 14 februari 2022 en in het Handelsregister is ingeschreven op 15 februari 2022 (productie 7 bij dagvaarding). Dat is dus kort na het sluiten van de overeenkomst over de handelsnaam als bedoeld in 4.4.1., die door partijen is ondertekend op 7 februari 2022. [eiser] heeft daarnaast niet gesteld waaruit [gedaagde sub 1] voor of bij het sluiten van de overnameovereenkomst heeft moeten begrijpen dat hij de overnameovereenkomst <emphasis role="italic">in privé</emphasis> wilde aangaan. Alle voor [gedaagde sub 1] kenbare feiten en omstandigheden als hiervoor onder 4.4.1. tot en met 4.4.3. geschetst, duiden op het tegendeel. Welke vennootschap(pen) van [eiser] precies partij is/zijn bij de overnameovereenkomst, de besloten vennootschap [holding 3] B.V. en/of de nieuwe besloten vennootschap [gedaagde sub 1] B.V., kan hier in het midden blijven.</para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.4.</nr>
        <para>Verder heeft [gedaagde sub 1] er nog op gewezen dat de uitvoering van de overnameovereenkomst en de exploitatie van het eetcafé feitelijk is verricht door een vennootschap van [eiser] : zowel de overnamesom als de exploitatiekosten, waaronder het loon aan werknemer [B] , zijn betaald door een vennootschap van [eiser] (namelijk [bedrijf] B.V. of [gedaagde sub 1] B.V., blijkens de producties 9 en 25 bij conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ). Ook de correspondentie over de exploitatie werd gericht aan de nieuwe vennootschap [gedaagde sub 1] B.V. (productie 13 dagvaarding). </para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.5.</nr>
        <para>
          [eiser] beroept zich daartegenover alleen op de factuur van 30 januari 2022 die [gedaagde sub 1] heeft opgesteld, waarbij de overnamesom van € 90.750,00 inclusief BTW aan [eiser] zelf in rekening is gebracht (productie 5 bij dagvaarding). Dat is echter onvoldoende om aannemelijk te achten dat [eiser] in privé partij is bij de overnameovereenkomst, mede in aanmerking genomen dat [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat de enige reden voor die tenaamstelling was dat de nieuwe besloten vennootschap van [eiser] nog niet was opgericht. De betaling van die factuur is bovendien, zoals onder 4.4.4. al is vermeld, niet door [eiser] in privé verricht maar door zijn vennootschap(pen).</para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.6.</nr>
        <para>Tot slot overweegt de kantonrechter dat niet is gesteld of gebleken dat de vennootschap van [eiser] die partij is bij de overnameovereenkomst haar vorderingen uit de overnameovereenkomst aan [eiser] heeft overgedragen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.7.</nr>
        <parablock>
          <para>De conclusie luidt dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat [eiser] partij is bij de overnameovereenkomst met [gedaagde sub 1] , waarop hij in deze kort geding procedure zijn vorderingen jegens [gedaagde sub 1] baseert. Daaruit volgt dat evenmin aannemelijk is dat zijn vorderingen jegens Heineken en [gedaagde sub 3] door de bodemrechter zullen worden toegewezen, omdat die vorderingen voortvloeien uit dezelfde overnameovereenkomst en Heineken en [gedaagde sub 3] tegen die vorderingen verweer hebben gevoerd. De door [eiser] gevorderde voorzieningen moeten reeds daarom worden afgewezen.</para>
          <para>
            <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft ongelijk gekregen. Hij wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat hij zijn eigen proceskosten draagt en de proceskosten van gedaagden moet betalen. Die proceskosten van [gedaagde sub 1] en Heineken worden tot vandaag per gedaagde begroot op € 747,00 aan salaris gemachtigde. De nakosten die [gedaagde sub 1] heeft gevorderd worden toegewezen als hierna in de beslissing te melden. [gedaagde sub 3] is zonder gemachtigde verschenen. Hij heeft geen aanspraak gemaakt op vergoeding van gemaakte proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 3] worden daarom begroot op nihil. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <para />
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De vordering van [gedaagde sub 1] in reconventie en de beoordeling daarvan</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.	’</nr>
      <para>t Gelag vordert dat de kantonrechter [eiser] zal veroordelen om aan haar een voorschot te betalen op de gemaakte kosten voor juridische bijstand, thans begroot op € 21.114,50 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente en de daadwerkelijke proces- en nakosten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.	’</nr>
      <para>t Gelag legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser] onrechtmatig procedeert althans misbruik maakt van procesrecht en dat hij de artikelen 21 en 111 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft overtreden. [eiser] heeft bewust meerdere onwaarheden gedebiteerd, de feiten selectief weergegeven en bovendien essentiële stukken niet overgelegd. De vordering van [eiser] is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. [gedaagde sub 1] heeft zich genoodzaakt gezien zich daartegen te verweren. Voor de daaraan verbonden werkelijke advocaatkosten is [eiser] aansprakelijk. Deze worden immers slechts zeer beperkt vergoed door een forfaitaire proceskostenvergoeding. [eiser] is volgens [gedaagde sub 1] daarom verplicht om aan haar de geleden schade te vergoeden, bestaande uit de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De Hoge Raad heeft geoordeeld: Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen <emphasis role="italic">“is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LNJ BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op  het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM”</emphasis> (HR 6 april 2012, ECLI:NL:2012:BV7828, r.o. 5.1.). </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Gelet op dat beoordelingskader is de onderbouwing door [gedaagde sub 1] in de punten 71 en 72 van haar conclusie van antwoord onvoldoende om aannemelijk te achten dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door het instellen van deze kort geding procedure.  Het is immers aan [gedaagde sub 1] als wederpartij om die stukken in het geding te brengen die zij voor de kantonrechter van belang vindt voor de beoordeling van de vordering. Dat hoort bij het voeren van verweer. Verder valt niet in te zien welk belang [eiser] erbij zou kunnen hebben om de vorderingen in privé in te stellen terwijl hij weet of zou moeten weten dat niet hij, maar zijn vennootschap partij is bij de overnameovereenkomst waarop die vorderingen zijn gebaseerd. Hij loopt dan immers grote kans dat zijn wederpartij daar een punt van zal maken, zoals in dit geval ook is gebeurd. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat de overnameovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd in een door de betrokken partijen ondertekend contract (met uitzondering van de overeenkomst over de handelsnaam). Partijen zijn het er daarnaast niet over eens of [eiser] zijn verplichtingen jegens [gedaagde sub 1] “keurig” is nagekomen. Dat [eiser] daar anders over denkt dan [gedaagde sub 1] betekent nog niet dat hij onjuiste feiten presenteert. De keuze van [eiser] om tegen de zin van [gedaagde sub 1] een kort geding procedure in te stellen kwalificeert evenmin als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen jegens [gedaagde sub 1] . </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title />
    <paragroup>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De conclusie is dat het door [gedaagde sub 1] gevorderde voorschot op schadevergoeding, bestaande uit de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand, wordt afgewezen. </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.	’</nr>
      <para>t Gelag heeft ongelijk gekregen. Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten. Dit betekent dat zij de eigen proceskosten draagt en de proceskosten van [eiser] moet betalen. Die proceskosten van [eiser] worden tot vandaag begroot op € 249,00 aan salaris gemachtigde (dat is de helft van het tarief van € 498,00, voor de zitting).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 747,00 aan salaris gemachtigde;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde sub 1] van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde; </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Heineken, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 747,00 aan salaris gemachtigde;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 3] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>wijst de vordering af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 249,00 aan salaris gemachtigde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 december 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>