<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-17T11:13:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 21/2803</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:556">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-17T11:13:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:556 Rechtbank Midden-Nederland , 16-02-2022 / UTR 21/2803</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:556:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>tegen een besluit op het verzoek om beleidsregels vast te stellen is geen bezwaar of beroep mogeljik - verweerder had daarom ook geen dwangsommen hoeven toekennen voor laat beslissen - verzoek om schadevergoeding afgewezen - beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:556:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 21/2803 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Snijder).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiser had voor de zitting nog geen griffierecht betaald. Op zitting is er discussie geweest over de vraag of eiser griffierecht verschuldigd is aan de rechtbank. De rechtbank heeft op zitting vastgesteld dat eiser € 49,- aan griffierecht verschuldigd is, omdat hij zijn beroep op betalingsonmacht niet heeft onderbouwd. Inmiddels heeft eiser dit griffierecht voldaan, waardoor het beroep ontvankelijk is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Deze zaak gaat ten eerste over een verzoek van eiser om aan houders van een gehandicaptenkaart ontheffing te verlenen, van het inrijverbod op het voetgangersgebied en eenrichtingsverkeer op de [locatie] in Zeist (hierna het inrijverbod). Ten tweede gaat deze zaak over een verzoek van eiser om aan hem drie dwangsommen te betalen, omdat verweerder (hierna het college) niet behoorlijk of volledig antwoord heeft gegeven op dit verzoek. Tot slot gaat de zaak over een verzoek om schadevergoeding dat eiser heeft gedaan. Eiser zegt schade te hebben geleden omdat het college niet juist op zijn verzoeken heeft gereageerd. De rechtbank zal deze drie onderdelen apart behandelen. </para>
    <para />
    <para>3. De zaak is op zitting behandeld op 13 januari 2022. Eiser was aanwezig en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek ontheffing inrijverbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4.  Eiser heeft op 1 juli 2019 een verzoek aan het college gedaan om aan houders van een gehandicaptenkaart ontheffing te verlenen van het inrijverbod. Het college heeft op 29 juli 2020 op dit verzoek beslist en heeft eiser geen ontheffing verleend, omdat hij niet aan de voorwaarden uit het beleid voldoet. Eiser is tegen deze afwijzing in bezwaar gegaan. </para>
    <para />
    <para>5. Op 2 februari 2021 heeft het college op dit bezwaar beslist. In dit besluit heeft het college aangegeven dat uit de hoorzitting is gebleken dat eiser niet heeft gevraagd om ontheffing voor zichzelf, maar heeft verzocht om vaststelling van nieuwe beleidsregels waarin is opgenomen dat voor alle houders van een gehandicaptenkaart deze ontheffing geldt. Het college heeft daarom het besluit van 29 juli 2020 laten vervallen. Het verzoek van eiser om aanpassing van de beleidsregels heeft het college vervolgens afgewezen. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. </para>
    <para />
    <para>6. Uit het voorgaande blijkt dat het voor het college eerst niet duidelijk was wat eiser wilde bereiken met zijn verzoek om ontheffing. Het was niet duidelijk of eiser om deze ontheffing voor zichzelf verzocht, of ontheffing wilde voor alle houders van een gehandicaptenkaart. Bij de bezwaarcommissie is duidelijk geworden dat het om het laatste gaat. Dit heeft eiser op zitting bij de rechtbank ook bevestigd, waardoor ook de rechtbank vaststelt dat eiser een ontheffing wenst voor alle houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Om aan dit verzoek van eiser te voldoen is het nodig de beleidsregels van de gemeente te wijzigen. Het college heeft geweigerd deze beleidsregels te wijzigen. <?linebreak?>Tegen een besluit van het college om beleidsregels wel of niet te wijzigen kan iemand geen bezwaar of beroep instellen. Dat staat in de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb).<footnote-ref linkend="_ef23667a-775d-4bff-bff6-fcc172dbb4f5" /> De bestuursrechter is daarom niet bevoegd om over dit besluit te oordelen.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Dwangsommen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Nadat eiser zijn verzoek om ontheffing op 1 juli 2019 had verstuurd, heeft hij op 2 juli 2019 een brief naar de gemeente verstuurd die gaat over de omstandigheid dat eiser niet met zijn auto de [locatie] kan inrijden. Op 4 juli 2019 heeft eiser vervolgens een klacht naar de gemeente gestuurd over de reactie van het college op zijn verzoek van 1 juli 2019. </para>
    <para>Op 17 oktober 2019 heeft eiser drie ingebrekestellingen verstuurd omdat hij geen besluit of reactie ontving op zijn voorgaande berichten. </para>
    <para />
    <para>8. Op 28 november 2019 heeft het college beslist op deze ingebrekestellingen en vastgesteld dat eiser geen recht heeft op dwangsommen. Op 20 juli 2020 heeft het college een nieuw besluit genomen. Hierin heeft het college een dwangsom van € 1.442,- toegekend, omdat het college niet tijdig op de aanvraag van eiser van 1 juli 2019 heeft beslist. Met betrekking tot de overige brieven blijft het college bij het standpunt dat eiser geen recht heeft op dwangsommen. Eiser is tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Bij besluit van 2 februari 2021 herhaalt het college dat eiser alleen recht heeft op een dwangsom van </para>
    <para>€ 1.442,-. Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan. </para>
    <para />
    <para>9. Als een bestuursorgaan niet tijdig een besluit neemt op een aanvraag, is hij vanaf twee weken nadat hij in gebreke is gesteld een dwangsom aan de aanvrager verschuldigd.<footnote-ref linkend="_8f27e5f4-76a0-4709-9f9b-e5aaf3542c9d" /> Dit geldt alleen als de aanvrager het bestuursorgaan heeft verzocht om een beschikking uit te vaardigen. Een beschikking is een besluit dat niet van algemene strekking is.<footnote-ref linkend="_f3ab8fdf-f062-499b-bda7-ded1b4d86db6" /> Eiser heeft het college op 1 juli 2019 verzocht bepaalde beleidsregels over ontheffing van inrijverboden vast te stellen. Het uitvaardigen van beleidsregels is wél een besluit van algemene strekking. Daarom is het college geen dwangsom aan eiser verschuldigd bij het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. Ook is het college geen dwangsom aan eiser verschuldigd voor de brieven die eiser op 2 en 4 juli 2019 naar de gemeente heeft gestuurd. Deze brieven gaan namelijk ook over het verzoek van eiser om ontheffing van het inrijverbod voor alle houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Het college was dus in geen van de gevallen een dwangsom aan eiser verschuldigd. </para>
    <para />
    <para>10. Het voorgaande betekent dat het college niet verplicht was de dwangsom van          € 1.442,- die eiser heeft ontvangen te verstrekken. Verweerder heeft op zitting toegezegd dat deze dwangsom niet zal worden teruggevorderd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Eiser heeft op 25 november 2019, en vervolgens nogmaals op 4 februari 2020, verzocht om een schadevergoeding. Eiser stelt dat het college niet op de juiste wijze heeft gereageerd op zijn verzoeken en klachten en wil daarom een compensatie voor de schade en ongemakken. Als schade voert eiser aan dat zijn fysieke klachten zijn toegenomen en dat hij veel tijd heeft gestoken in het schrijven van brieven aan de gemeente. Eiser verzoekt om een bedrag van € 15.000,-. Hierin is ook de schade opgenomen die hij als gevolg van een ander conflict met de gemeente heeft geleden.<footnote-ref linkend="_3bdc02ce-7478-46d7-9029-a613b4dfee43" /></para>
    <para />
    <para>12. Een schadevergoeding kan alleen worden toegekend als een bestuursorgaan een onrechtmatig besluit heeft genomen of op een andere manier onrechtmatig gehandeld heeft.<footnote-ref linkend="_4fbbaea1-ae62-4cd4-9c48-03d4cac4de53" /> Zoals blijkt uit het voorgaande, is niet komen vast te staan dat het college onrechtmatig gehandeld heeft door de beleidsregels niet te wijzigen of door geen dwangsom te verstrekken. Eiser heeft daarom geen recht op een schadevergoeding. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. De bestuursrechter is onbevoegd om een uitspraak te doen over het besluit van het college om de beleidsregels aangaande de ontheffing van inrijverboden niet te wijzigen. Voor zover het beroep ziet op de besluiten van het college om aan eiser slechts één dwangsom te verstrekken is het beroep ongegrond. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt dus geen gelijk. </para>
    <para />
    <para>14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de bestuursrechter onbevoegd om van het besluit inhoudende afwijzing van wijziging van de beleidsregels kennis te nemen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep voor het overige ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.  </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_ef23667a-775d-4bff-bff6-fcc172dbb4f5" label="1">
    <para> Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f27e5f4-76a0-4709-9f9b-e5aaf3542c9d" label="2">
    <para> Artikel 4:17 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3ab8fdf-f062-499b-bda7-ded1b4d86db6" label="3">
    <para> Artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3bdc02ce-7478-46d7-9029-a613b4dfee43" label="4">
    <para> Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder UTR 21/2804. Hierin is ook op 16 februari 2022 uitspraak gedaan. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4fbbaea1-ae62-4cd4-9c48-03d4cac4de53" label="5">
    <para> Artikel 8:88 van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>