<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2022:5008</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-07T10:54:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/522465 / HA ZA 21-376 en C/16/530083 / HA ZA 21-738</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:5008">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:5008</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-06T13:00:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2022:5008 Rechtbank Midden-Nederland , 07-12-2022 / C/16/522465 / HA ZA 21-376 en C/16/530083 / HA ZA 21-738</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2022:5008:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bodemzaak. Vernietiging bindend advies. Vordering wordt afgewezen omdat hoge drempel voor vernietiging niet is gehaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2022:5008:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="916aedb8-e0d4-4a5c-a529-051fe1953cda" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="43effa93-c7b1-4d77-ad6f-50ff308ee766" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>handelskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Utrecht</para>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/16/522465 / HA ZA 21-376 en C/16/530083 / HA ZA 21-738</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 7 december 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaken van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de publiekrechtelijke rechtspersoon</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE GEMEENTE AMERSFOORT</emphasis>,</para>
      <para>zetelend te Amersfoort,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>hierna te noemen: de Gemeente,</para>
      <para>advocaten mrs. R.R. Crince le Roy, R.S. Wijling en O. de Vries te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde sub 1] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para>2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde sub 2] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para>3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde sub 3] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para>4.	<emphasis role="bold">[gedaagde sub 4]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [gedaagden c.s.]</para>
      <para>advocaten mrs. M.A. Moolhuizen en B. van Zelst te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure in de zaak met <emphasis role="underline">zaaknummer C/16/522465</emphasis> blijkt uit het volgende: <?linebreak?>- 	de dagvaarding met producties 1 tot en met 15, </para>
      <para>- de conclusie van antwoord met producties V1 tot en met V10,</para>
      <para>- de eis in het incident tot voeging van deze zaak met onder andere de zaak met <?linebreak?>              nummer C/16/530083,</para>
      <para>- het antwoord in incident van [gedaagden c.s.] ,</para>
      <para>- het vonnis in het incident van 2 maart 2022, waarbij het hiervoor genoemde <?linebreak?>              verzoek tot voeging is toegewezen, </para>
      <para>- de beslissing van de rolrechter tot het houden van een mondelinge behandeling in de gevoegde zaken,</para>
      <para>- de beslissing van de rolrechter tot het verplaatsen van de mondelinge behandeling <?linebreak?>              naar 12 oktober 2022,</para>
      <para>- de akte van 21 september 2022 van de Gemeente tot overlegging van productie 16.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer <emphasis role="underline">C/16/530083</emphasis> blijkt uit het volgende: <?linebreak?>- 	de dagvaarding met producties 1 tot en met 18, <?linebreak?>- 	de conclusie van antwoord met producties V1 tot en met V10),<?linebreak?>- 	de eis in het incident tot voeging van deze zaak met onder andere de zaak met <?linebreak?>              nummer C/16/522465, </para>
      <para>- het antwoord in incident van [gedaagden c.s.] ,</para>
      <para>- het vonnis in het incident van 2 maart 2022, waarbij het hiervoor genoemde <?linebreak?>              verzoek tot voeging is toegewezen,</para>
      <para>- de beslissing van de rolrechter tot houden van een mondelinge behandeling in de <?linebreak?>              gevoegde zaken, <?linebreak?>- 	de beslissing van de rolrechter tot het verplaatsen van de mondelinge behandeling <?linebreak?>              naar 12 oktober 2022,</para>
      <para>- de akte van 21 september 2022 van de Gemeente tot overlegging van productie 19.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 12 oktober 2022 heeft in de gevoegde zaken met de zaaknummers C/16/522465 en C/16/530083 een mondelinge behandeling plaatsgevonden voor de meervoudige kamer van deze rechtbank. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota nader toegelicht. Ook hebben zij vragen van de meervoudige kamer beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen verteld dat er een vonnis zal komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Inleiding  </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In een door [gedaagden c.s.] tegen de Gemeente aanhangig gemaakte bindend- adviesprocedure zijn door het college van bindend adviseurs zes tussenbeslissingen en een eindbeslissing genomen. De Gemeente vordert vernietiging van de vierde, vijfde en zesde tussenbeslissing en de eindbeslissing.<footnote-ref linkend="_37411fa9-d12f-4716-992c-3475742329d4" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Deze vordering van de Gemeente wordt afgewezen, omdat de hoge drempel voor vernietiging van een bindend advies niet is gehaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Onder “De beoordeling” zal worden uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Maar voordat dat wordt gedaan, zal eerst onder het kopje “De bindend-adviesprocedure in het kort” worden weergegeven wat de aanleiding was voor het <?linebreak?>starten van de bindend-adviesprocedure, welke vorderingen partijen in deze bindend- adviesprocedure hebben ingesteld en wat de uitkomst daarvan is. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De bindend-adviesprocedure in het kort  <?linebreak?>De aanleiding voor de bindend-adviesprocedure</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>3.1.Partijen hebben al vanaf 1980 een geschil. Partijen hebben dit geschil in 1998 definitief willen oplossen door een schikking af te spreken. Deze schikking is vastgelegd in een overeenkomst met de naam “Definitieve Vaststellingsovereenkomst 1998” (hierna: DV 98). </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen hebben in de artikelen III A1 en III A2 van de DV 98<footnote-ref linkend="_dac83091-ec8d-420d-a324-3e7d95385414" /> afgesproken dat de Gemeente gronden voor het bouwen van woningen aan [gedaagden c.s.] moet aanbieden (hierna: de aanbiedingsverplichting). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Tussen partijen is daarna een geschil ontstaan over wat deze aanbiedings-verplichting precies inhoudt. Partijen verschilden daarbij van mening over:<?linebreak?>•	het aantal aan te bieden gronden voor woningen, met name wat er in de <?linebreak?>               DV 98 wordt bedoeld met “minimaal 250 woningen”, <?linebreak?>•	of de in de slotzin van artikel III 2A DV 98 genoemde “100 woningen in [wijk] ” <?linebreak?>               (hierna: de 100 woningen in [wijk] ) onderdeel uitmaakten van het aantal aan te <?linebreak?>               bieden woningen, en <?linebreak?>•	de vraag of er gronden moesten worden aangeboden voor de “luxe vrije sector” <?linebreak?>               (standpunt [gedaagden c.s.] ) of voor de “vrije sector en goedkope vrije sector” (standpunt           	de Gemeente).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Partijen hebben daarover in februari 2001 tot en met april 2001 met elkaar gesproken. Bij die besprekingen was namens de Gemeente aanwezig wethouder [A] . <?linebreak?>De besprekingen hebben geleid tot verschillende concepten over de inhoud van de aanbiedingsverplichting van de Gemeente.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Na de besprekingen van 2001 is het meningsverschil tussen partijen over de inhoud van de aanbiedingsverplichting blijven bestaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Partijen hebben in 2005 nog een andere overeenkomst met elkaar gesloten genaamd “Ontwikkelings- en Realisatieovereenkomst Handelsgebouw e.o.” (hierna: O&amp;R 2005). <?linebreak?>In artikel 7.1. van deze overeenkomst is de afspraak over de aanbiedingsverplichting zoals gemaakt in de DV 98 van toepassing verklaard. Daaraan is wel een voorwaarde verbonden. Deze voorwaarde luidt als volgt: “met dien verstande dat de daarin genoemde uitwerkingstermijn van tien jaar gaat gelden vanaf de datum waarop partijen deze overeenkomst hebben getekend”.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Starten bindend-adviesprocedure door [gedaagden c.s.] en vorderingen van [gedaagden c.s.] in deze </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">bindend-adviesprocedure</emphasis>
          <?linebreak?>3.7.	In 2015 is [gedaagden c.s.] de bindend-adviesprocedure waarover het in deze zaken gaat, gestart. [gedaagden c.s.] was van mening dat de Gemeente toerekenbaar tegenover haar was tekortgeschoten, omdat de Gemeente de tussen partijen in de DV 98 overeengekomen aanbiedingsverplichting niet nakwam. Volgens [gedaagden c.s.] hield deze verplichting in dat:<?linebreak?>• 	de Gemeente 475 gronden voor woningen in de luxe vrije sector, inclusief de 100 <?linebreak?>               woningen in [wijk] , aan [gedaagden c.s.] moet aanbieden, <?linebreak?>•de Gemeente deze gronden gespreid, met een gemiddelde van 50 per jaar, aan <?linebreak?>                moet aanbieden.<?linebreak?>Deze aanbiedingsverplichting volgde volgens [gedaagden c.s.] :<?linebreak?>• 	in de eerste plaats uit de in het kader van de besprekingen in 2001 gemaakte nadere <?linebreak?>               afspraak over de interpretatie en uitleg van de DV 98, en<?linebreak?>•	in de tweede plaats uit de redelijke uitleg van de DV 98, bij welke uitleg de <?linebreak?>               besprekingen in 2001 moeten worden betrokken.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagden c.s.] heeft in deze bindend-adviesprocedure daarom schadevergoeding gevorderd. <?linebreak?>Deze schadevergoeding moest dan in een aparte procedure (schadestaat-procedure) worden vastgesteld.<?linebreak?>Naast deze schadevergoeding heeft [gedaagden c.s.] ook nog een aantal verklaringen voor recht gevorderd. Deze verklaringen voor recht kwamen erop neer dat:<?linebreak?>• 	de door [gedaagden c.s.] gestelde aanbiedingsverplichting zou worden bevestigd, en  <?linebreak?>•	dat door de bindend adviseurs werd vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen<?linebreak?>              dat de Gemeente op uiterlijk 29 september 2015 aan de aanbiedingsverplichting <?linebreak?>              moest hebben voldaan.<footnote-ref linkend="_0b5de90d-6179-43ad-acb3-c2d3d1981ec6" /></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De tegenvordering van de Gemeente in de bindend-adviesprocedure</emphasis>
          <?linebreak?>3.9.	De Gemeente heeft in deze bindend-adviesprocedure een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente haar verplichtingen uit de DV 98 tijdig en op een juiste wijze is nagekomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De eindbeslissing in de bindend-adviesprocedure</emphasis>
          <?linebreak?>3.10.	De bindend adviseurs hebben in de eindbeslissing:<?linebreak?><emphasis role="underline">in conventie</emphasis>, bepaald dat de Gemeente voor wat betreft haar verplichting om aan <?linebreak?>               [gedaagden c.s.] locaties aan te bieden voor de bouw van 244 woningen toerekenbaar is <?linebreak?>               tekortgeschoten en aansprakelijk is voor de schade die [gedaagden c.s.] als gevolg van dat <?linebreak?>               tekortschieten heeft geleden, en <?linebreak?><emphasis role="underline">in reconventie</emphasis> voor recht verklaard dat de Gemeente haar verplichtingen uit de <?linebreak?>              DV 98 voor wat betreft 131 woningen tijdig is nagekomen.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="bold">4.	De beoordeling</emphasis>
          <?linebreak?>4.1.	Zoals gezegd worden de vorderingen van de Gemeente afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot deze beslissing is gekomen. De indeling van deze beoordeling is verder als volgt:</para>
        <para>Toetsingskader</para>
        <para>Uitgangspunt: gebondenheid aan bindend advies<?linebreak?>Uitzondering: vernietiging bindend advies<?linebreak?>Beoordelingsmaatstaf van de bindend adviseurs: goede mannen naar redelijkheid en billijkheid</para>
        <para>Standpunt Gemeente en verweer [gedaagden c.s.]</para>
        <para>Geen sprake van (ernstige) procedurefouten</para>
        <para>Vertrekpunt: afspraak dat de bindend adviseurs de procesorde bepalen<?linebreak?>De manier waarop de bindend-adviesprocedure is verlopen</para>
        <para>Beoordeling</para>
        <para>Bespreking van de (hoofd)bezwaren van de Gemeente tegen de gevoerde procedure</para>
        <para>Bezwaar: de bindend adviseurs hebben partijen niet de gelegenheid gegeven om<?linebreak?>               zich nader uit te laten over “oude” stellingen en het startmoment van de<?linebreak?>               referentieperiode</para>
        <para>Bezwaar: bindend adviseurs hebben het rapport van Stadkwadraat opzij gelegd<?linebreak?>zonder eerst de deskundigen en Stadkwadraat te bevragen <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bezwaar: de bindend adviseurs zijn buiten de vorderingen en stellingen (het</para>
        <para>geschil) van partijen getreden</para>
        <para>Ad 1: oordeel van de bindend adviseurs over het aantal aan te bieden woningen</para>
        <para>Ad 2: oordeel van de bindend adviseurs over het startmoment van de</para>
        <para>                                          referentieperiode</para>
        <para>Ad 3: het introduceren door de bindend adviseurs van een verdeelsleutel</para>
        <para>Bezwaar: aan de bewijswaardering kleven ernstige gebreken</para>
        <para>Ad 1: bewijswaardering deugt niet</para>
        <para>Ad 2: verleggen bewijslast naar de Gemeente</para>
        <para>Tussenconclusie</para>
        <para>De inhoud van het bindend advies is niet onaanvaardbaar</para>
        <para>	Uitgangspunt<?linebreak?>	Standpunt van de Gemeente</para>
        <para>Oordeel over het aantal aan te bieden woningen</para>
        <para>Ad 1: tekst en bedoeling DV 98</para>
        <para>Ad 2: inconsistentie tussen de eerste en vierde tussenbeslissing</para>
        <para>Oordeel in de eindbeslissing over de startdatum van de referentieperiode </para>
        <para>De spreiding van het aanbod van gronden voor woningen</para>
        <para>Overige punten</para>
        <para>Conclusie</para>
        <para>
          <?linebreak?>Proceskosten</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Toetsingskader</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Uitgangspunt: gebondenheid aan bindend advies</emphasis>
          <?linebreak?>4.2.	Partijen hebben afgesproken dat zij geschillen voortvloeiende uit de uitvoering of de interpretatie van de DV 98 en O&amp;R 2005 zullen voorleggen aan een bindend adviseur (zie artikel VI lid 1 van de DV 98 en artikel 9 lid 1 van de O&amp;R 2005). Als uitgangspunt geldt daarom dat partijen gebonden zijn aan het door hen gevraagde bindend advies (de tussenbeslissingen en de eindbeslissing). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitzondering: vernietiging bindend advies </emphasis>
          <?linebreak?>4.3.	Op grond van artikel 7:904 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een bindend advies echter worden vernietigd als de gebondenheid aan dat bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De onaanvaardbaarheid van het bindend advies kan daarbij zijn gelegen in:<?linebreak?>a. 	de manier waarop het bindend advies is tot stand gekomen (hierna ook wel aan te <?linebreak?>              duiden als: procedurefouten), en/of <?linebreak?>b.	de inhoud van het bindend advies.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechter moet terughoudend zijn met het aannemen van de onaanvaardbaarheid van een bindend advies. Alleen als het bindend advies ernstige gebreken vertoont, kan gebondenheid aan het bindend advies onaanvaardbaar zijn. <?linebreak?>Wat betreft de in 4.3. onder b genoemde categorie geldt dat het erom gaat of de bindend adviseur de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen heeft overtreden. Alleen als dat het geval is, is er reden voor vernietiging van het bindend advies.<?linebreak?></para>
        <para>Voor vernietiging van een bindend advies vanwege ernstige procedurefouten geldt bovendien nog als vereiste dat door de procedurefout nadeel is toegebracht (het nadeelvereiste). <?linebreak?>Kortom, er geldt een hoge drempel voor vernietiging van een bindend advies.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Beoordelingsmaatstaf  van de bindend adviseurs: goede mannen naar redelijkheid en billijkheid</emphasis>
          <?linebreak?>4.5.	De bindend adviseurs hebben in overweging 30 van de eerste tussenbeslissing overwogen dat zij het geschil moeten beoordelen als goede mannen naar redelijkheid en billijkheid, omdat partijen dit in artikel VI lid 3 van de DV 98 en artikel 9.3 van de O&amp;R 2005 zijn overeengekomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Standpunt Gemeente en verweer [gedaagden c.s.]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De Gemeente stelt zich op het standpunt dat gebondenheid aan de vierde, vijfde en zesde tussenbeslissing en de eindbeslissing onaanvaardbaar is, omdat:<?linebreak?>•	sprake is van ernstige procedurefouten, en/of<?linebreak?>• 	de bindend adviseurs niet binnen de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen <?linebreak?>              van mening kunnen verschillen tot hun oordeel hebben kunnen komen. </para>
        <para>
          <?linebreak?>4.7.	[gedaagden c.s.] voert daartegen vooral als verweer aan dat de argumenten die de Gemeente aanvoert het karakter hebben van een hoger beroep en daarom niet tot vernietiging van het bindend advies kunnen leiden. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Geen sprake van (ernstige) procedurefouten</emphasis>
          <?linebreak?>4.8.	Hierna wordt eerst beoordeeld of er sprake is van de door de Gemeente gestelde ernstige procedurefouten. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vertrekpunt: afspraak dat de bindend adviseurs de procesorde bepalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen hebben afgesproken dat de bindend adviseurs de procesorde zullen bepalen. Dat deze afspraak is gemaakt, volgt uit artikel V1 lid 3 van de DV 98 en artikel 9.3 van de O&amp;R 2005. Partijen hebben zich dus erbij neergelegd dat het proces wordt gevoerd op de door de bindend adviseurs te bepalen manier. </para>
        <para>De bindend adviseurs hebben aan partijen laten weten dat zij bij het bepalen van de procesorde zullen aansluiten bij de procesregels zoals opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bindend adviseurs hebben daarmee echter niet gezegd dat zij deze bepalingen ook in alle gevallen één op één zullen toepassen. Zij mogen daarvan dus afwijken en partijen hebben zich daar, in beginsel, bij neer te leggen, omdat zij hebben afgesproken dat de bindend adviseurs de procesorde bepalen.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="bold">4.10.</emphasis>	De eisen die worden gesteld aan de totstandkoming van een bindend advies strekken ertoe toe om een redelijke en billijke inhoud van het bindend advies te verkrijgen. </para>
        <para>Concreet betekent dit dat de bindend adviseurs in beginsel:<?linebreak?>•	hun beslissing op een deugdelijk onderzoek moeten baseren, <?linebreak?>• 	het beginsel van hoor en wederhoor moeten naleven, <?linebreak?>•	niet buiten het tussen partijen aan hen voorgelegde geschil mogen treden, en<?linebreak?></para>
        <para>•	hun beslissing voldoende moeten motiveren; zij zullen daarbij hun beslissing meer <?linebreak?>              en beter moeten motiveren als hun beslissing meer het karakter van rechtspraak <?linebreak?>              heeft.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De manier waarop de bindend-adviesprocedure is verlopen</emphasis>
          <?linebreak?>4.11.	Voor de beoordeling van de vraag of er ernstige procedurefouten aan de bindend- adviesprocedure kleven, is van belang op welke manier deze procedure is verlopen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.11.1.</nr>
        <para>De bindend-adviesprocedure is op hoofdlijnen als volgt gegaan:<?linebreak?>1.	De bindend adviseurs hebben in de eerste tussenbeslissing op een aantal punten <?linebreak?>              beslist en ook besloten dat er bewijslevering nodig is op een bepaald punt.<?linebreak?>2.	Na bewijslevering hebben de bindend adviseurs in tussenbeslissing vier het <?linebreak?>              aangedragen bewijs gewaardeerd.<?linebreak?>3.	In de vijfde tussenbeslissing hebben de bindend adviseurs weer een aantal <?linebreak?>              beslissingen genomen op onderdelen van het geschil en besloten dat een <?linebreak?>              deskundigenonderzoek nodig was.<?linebreak?>4.	Na het deskundigenonderzoek hebben de bindend adviseurs een eindbeslissing <?linebreak?>              genomen. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.11.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Iets meer uitgewerkt is de procedure als volgt verlopen:<?linebreak?>1. 	Partijen hebben eerst ieder een inleidend processtuk kunnen nemen waarin zij hun <?linebreak?>              standpunt en hun vordering kenbaar maakten. Bij dit processtuk konden dan <?linebreak?>              onderbouwende stukken (producties) worden bijgevoegd.<?linebreak?>2.	Daarna is er een mondelinge behandeling geweest, waarbij partijen aan de hand               <?linebreak?>              van een pleitnota hun standpunt nader konden toelichten en waarbij de bindend                <?linebreak?>              adviseurs vragen aan partijen hebben gesteld en partijen op elkaars standpunten               <?linebreak?>              hebben kunnen reageren.<?linebreak?>3.	Na deze mondelinge behandeling hebben partijen nog aanvullende stukken aan de                <?linebreak?>              bindend adviseurs toegezonden. <?linebreak?>4.	Vervolgens is de eerste tussenbeslissing genomen. In deze tussenbeslissing:<?linebreak?>               •	zijn de eerste vier vorderingen van [gedaagden c.s.] (zei eindnoot 3) afgewezen,  <?linebreak?>                             met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht dat de termijn <?linebreak?>                             waarbinnen de Gemeente gronden voor woningen kon aanbieden per<?linebreak?>                             29 september 2015 is verstreken,<footnote-ref linkend="_af7b66e4-47aa-49f3-8b37-a0d21fddc4e6" /><?linebreak?>               •	is een begin gemaakt met de beoordeling van de vijfde (subsidiaire) <?linebreak?>                             vordering van [gedaagden c.s.] (zie eindnoot 3). Daarbij is in de kern genomen, <?linebreak?>                             geoordeeld dat:<?linebreak?>                             -	er gronden moeten worden aangeboden voor de “vrije sector en <?linebreak?>                                           goedkope vrije sector” en niet voor de “luxe vrije sector”,<?linebreak?>              		-	op [gedaagden c.s.] de bewijslast rust ten aanzien van het aantal door de <?linebreak?>                                           Gemeente aan te bieden (gronden voor) woningen, <?linebreak?>                             -	op voorhand vaststaat dat de 100 woningen in [wijk] los staan <?linebreak?>                                           van de “minimaal 250 woningen” en dat sprake is van een <?linebreak?>                                           verplichting van de Gemeente om aan [gedaagden c.s.] in totaal 375 <?linebreak?>                                           woningen aan te bieden,<?linebreak?>                             -	de Gemeente wordt toegelaten tot het leveren vantegenbewijs <?linebreak?>                                           tegen dit op voorhand geleverde bewijs. <?linebreak?>5.	Daarna zijn er namens de Gemeente en [gedaagden c.s.] getuigen gehoord en zijn er <?linebreak?>              door partijen nog schriftelijke bewijsstukken ingebracht. <?linebreak?>6.	In de tussentijd zijn de tweede en derde tussenbeslissing genomen.                <?linebreak?>7.	Na de bewijslevering hebben partijen nog een akte mogen nemen waarin zij <?linebreak?>               konden toelichten of zij het aan de Gemeente opgedragen tegenbewijs geleverd <?linebreak?>               vonden of niet.<?linebreak?>8.	Vervolgens is de vierde tussenbeslissing gewezen. In deze tussenbeslissing wordt:<?linebreak?>               • 	het bewijs gewaardeerd, en wordt op grond daarvan geoordeeld dat <?linebreak?>                             een redelijke uitleg van de DV 98 meebrengt dat de Gemeente gehouden <?linebreak?>                             was totaal 375 woningen aan [gedaagden c.s.] aan te bieden,<?linebreak?>               •	geoordeeld dat is afgesproken dat de Gemeente zich zou inspannen <?linebreak?>                             de aan te bieden woningen proportioneel aan te bieden gedurende de nog <?linebreak?>                             resterende tijd van de vaststellingsovereenkomst, met een maximum van <?linebreak?>                             50 per jaar (overweging 26),<?linebreak?>               •	besloten dat er een nieuwe mondelinge behandeling zal komen, waarbij <?linebreak?>                             het accent ligt op het door [gedaagden c.s.] in conventie onder 5 gevorderde en het  <?linebreak?>                             door de Gemeente in reconventie gevorderde (overweging 28). <?linebreak?>                             Daarbij is aangegeven dat partijen uiterlijk 14 dagen voor die mondelinge <?linebreak?>                             behandeling nog stukken in het geding mogen brengen. <?linebreak?>9.	Daarna volgde de (tweede) mondelinge behandeling. Partijen lichtten mede aan de <?linebreak?>              hand van pleitaantekeningen hun standpunt nog eens nader toe.  <?linebreak?>10.	Vervolgens namen partijen ieder nog een akte.  <?linebreak?>11.	Daarna kwam de vijfde tussenbeslissing. In deze tussenbeslissing wordt:<?linebreak?>               •	teruggekomen op het in de vierde tussenbeslissing gegeven oordeel over <?linebreak?>                             het “gespreid” aanbieden van de woningen. Geoordeeld wordt dat is <?linebreak?>                             afgesproken dat de Gemeente zich zou inspannen de aan te bieden<?linebreak?> 		woningen proportioneel aan te bieden gedurende de nog resterende tijd<?linebreak?> 		van de vaststellingsovereenkomst, met een gemiddeldevan 50 per jaar,<?linebreak?>               •	een begin gemaakt met het beoordelen van de vraag of de Gemeente haar <?linebreak?>                             aanbiedingsverplichting zoals vastgesteld door de bindend adviseurs is <?linebreak?>                             nagekomen dan wel daarin toerekenbaar is tekortgeschoten. <?linebreak?>                             Daarbij wordt ten aanzien van een aantal aanbiedingen geoordeeld dat: <?linebreak?>                             -	deze in aftrek komen op het totaal van de 375 aan te bieden <?linebreak?>                                           woningen,<?linebreak?>                             -	deze niet in aftrek komen op het totaal van de 375 aan te bieden <?linebreak?>                                           woningen,<?linebreak?>                             -	het nog onduidelijk is of deze wel of niet in aftrek mogen komen <?linebreak?>                                           op het totaal van de 375 aan te bieden woningen,<?linebreak?>               •	overwogen dat:<?linebreak?>                           	-	de bindend adviseurs drie deskundigen bereid hebben gevonden <?linebreak?>                                           een deskundigenonderzoek te doen met betrekking tot de vraag of <?linebreak?>                                           het door de Gemeente gedane aanbod marktconform was voor <?linebreak?>                                           wat betreft de grondprijs (overweging 18 en 21),<?linebreak?>                            -	onder “<emphasis role="italic">marktconform</emphasis>” moet worden verstaan: <?linebreak?>                                           “de prijs die de markt onder de gegeven omstandigheden bereid is te <?linebreak?>                                                betalen c.q. de prijs die een derde onder de zelfde voorwaarden op dat <?linebreak?>                                                moment bereid zou zijn geweest te betalen” (overweging 20),<?linebreak?>                            -	partijen in de gelegenheid worden gesteld om: <?linebreak?>                                           i) aan te geven of zij bezwaren hebben tegen de <?linebreak?>                                              benoeming van één of meer van de genoemde deskundigen <?linebreak?>                                              (overweging 22) <?linebreak?>                                           ii) commentaar te geven op de in overweging 22 genoemde <?linebreak?>                                               vragen van de bindend adviseurs (overweging 23). <?linebreak?>12.	In de zesde tussenbeslissing worden de deskundigen benoemd.<?linebreak?>13.	Daarna volgde het conceptrapport van de deskundigen.<?linebreak?>14.	Nadat partijen commentaar hebben geleverd op het conceptrapport en dit   <?linebreak?>              commentaar is voorgelegd aan de deskundigen, volgde het definitieve <?linebreak?>              deskundigenrapport. <?linebreak?>15.	Daarna zijn partijen nog in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk over dit <?linebreak?>              definitieve rapport uit te laten. Dat hebben partijen ook gedaan. <?linebreak?>              De Gemeente heeft bij haar stuk (Memorie na deskundigenbericht) een rapport <?linebreak?>              gevoegd van de al eerder door haar ingeschakelde deskundige “Stadkwadraat”. <?linebreak?>              Stadkwadraat levert in dit rapport commentaar op het definitieve deskundigen- <?linebreak?>              rapport. <?linebreak?>16.         Hierna hebben partijen nog een schriftelijk stuk (een nadere memorie)<?linebreak?> 	ingediend.<?linebreak?>17.	Daarna volgde de eindbeslissing van de bindend adviseurs. </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Beoordeling </emphasis>
            <?linebreak?>4.12.	De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van procedurefouten zoals bedoeld in 4.10. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.12.1.</nr>
        <para>	Uit het hiervoor weergegeven verloop van de procedure volgt dat deze procedure veel weg heeft van een procedure zoals die voor een rechter wordt gevoerd. Er zijn schriftelijke stukken gewisseld, twee mondelinge behandelingen gehouden, er is een bewijsopdracht gegeven en er is een deskundigenonderzoek gelast. De rechtbank concludeert op grond van dit procesverloop dat sprake is geweest van een gedegen onderzoek door de bindend adviseurs. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.12.2.</nr>
        <para>	Dat de bindend adviseurs in het kader van hun onderzoek de beginselen van hoor en wederhoor niet in acht hebben genomen, is onvoldoende gebleken. Partijen zijn door de bindend adviseurs volop in de gelegenheid gesteld om hun standpunten kenbaar te maken en op elkaars standpunten te reageren. Bindend adviseurs hebben partijen zelfs meer ruimte geboden om hun standpunten (gefaseerd) naar voren te brengen dan menige civiele rechter zou hebben gedaan.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.12.3.</nr>
        <para>	Ook is, zoals hierna nog wordt toegelicht, niet gebleken dat de bindend adviseurs buiten het geschil zijn getreden. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.12.4.</nr>
        <parablock>
          <para>	De in deze zaken ter discussie staande beslissingen van de bindend adviseurs zijn verder voldoende gemotiveerd. Er is voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de bindend adviseurs tot hun oordeel zijn gekomen, en dat is wat de motiveringsverplichting inhoudt. </para>
          <para>
            <?linebreak?>
            <emphasis role="italic">Bespreking van de (hoofd)bezwaren van de Gemeente tegen de gevoerde procedure</emphasis>
            <?linebreak?>
            <emphasis role="bold">4.13.</emphasis>	Het hierboven genoemde oordeel wordt hierna aan de hand van de door de Gemeente aangevoerde (hoofd)bezwaren tegen de gevoerde procedure verder toegelicht. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bezwaar: de bindend adviseurs hebben partijen niet de gelegenheid gegeven om zich nader uit te laten over “oude” stellingen en het startmoment van de referentieperiode </emphasis>
            <?linebreak?>4.14.	De Gemeente voert als bezwaar aan dat de bindend adviseurs partijen na het deskundigenonderzoek niet meer de gelegenheid heeft gegeven om zich nader uit te laten over “oude onbeantwoorde stellingen” en het startmoment van de referentieperiode.<?linebreak?>Volgens de Gemeente hadden de bindend adviseurs dat wel moeten doen en hebben zij door dit niet te doen de fundamentele beginselen van procesrecht geschonden. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>De Gemeente heeft hierin geen gelijk.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Als uitgangspunt geldt dat partijen hebben afgesproken dat het aan de bindend adviseurs is om de procesorde te bepalen (zie 4.9.). Het was daarom, in beginsel, aan de bindend adviseurs om te bepalen of zij partijen, na het nemen van het laatste processtuk (de nadere memorie na deskundigenbericht) nog de gelegenheid wilden geven om nog meer naar voren te brengen dan zij al hadden gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>De bindend adviseurs voelden zich kennelijk na dit laatste processtuk voldoende door partijen geïnformeerd om de eindbeslissing te kunnen nemen en dat is ook begrijpelijk. Het ging alleen nog maar om de beoordeling van de (subsidiaire) schadevergoedings-vordering van [gedaagden c.s.] en de tegenvordering van de Gemeente. Voor de beoordeling van deze vorderingen hadden de bindend adviseurs voordat het deskundigenonderzoek plaatsvond al een aantal belangrijke knopen doorgehakt. De bindend adviseurs hadden al een beslissing genomen over:<?linebreak?>• 	de precieze inhoud van de aanbiedingsverplichting,<?linebreak?>•	het gespreid aanbieden van de gronden, en<?linebreak?>• 	de einddatum waarop aan deze aanbiedingsverplichting moest zijn voldaan.<?linebreak?>Er moest alleen nog worden beoordeeld of de door de Gemeente aan [gedaagden c.s.] <?linebreak?>aangeboden gronden waren aangeboden:<?linebreak?>1.	tegen een marktconforme grondprijs, <?linebreak?>2.	in de tussen partijen overeengekomen referentieperiode, in welk verband nog <?linebreak?>              moest worden beoordeeld wanneer deze referentieperiode was aangevangen.<?linebreak?>Het deskundigenonderzoek was nodig om over het eerste geschilpunt een beslissing te kunnen nemen. <?linebreak?>Voor het tweede nog openstaande geschilpunt geldt dat het debat daarover al was gevoerd in het kader van de tweede mondelinge behandeling. Bovendien hebben partijen zich na deze mondelinge behandeling ook nog schriftelijk over dit punt kunnen uitlaten. De Gemeente heeft dat ook gedaan in haar Memorie na deskundigenbericht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Het is dus niet zo dat de bindend adviseurs na het deskundigenonderzoek, zoals de Gemeente stelt, “met zevenmijlslaarzen” op een finale beslechting van het geschil zijn  afgekoerst. De bindend adviseurs waren gezien het voorgaande voldoende geïnformeerd om een eindbeslissing te kunnen nemen.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>	Overigens zou partijen als de procedure voor de civiele rechter zou zijn gevoerd, zeer waarschijnlijk ook niet de mogelijkheid zijn geboden om zich nog meer uit te laten. <?linebreak?>In de eerste plaats, omdat volgens het burgerlijk procesrecht de standpunten en het verweer van partijen al in het eerste processtuk (de dagvaarding en de conclusie van antwoord) moeten worden vermeld. De achterliggende gedachte daarvan is dat er voortvarend moet worden geprocedeerd en dat er ook een keer een einde aan de procedure moet komen. <?linebreak?>In de tweede plaats, omdat de Gemeente voldoende ruimte is geboden om haar standpunten, waaronder haar standpunt met betrekking tot het startmoment van de referentieperiode, kenbaar te maken. <?linebreak?><emphasis role="italic">Bezwaar: bindend adviseurs hebben het rapport van Stadkwadraat opzij gelegd zonder eerst de deskundigen en Stadkwadraat te bevragen </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic" />
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">4.20.</emphasis>	De Gemeente voert verder als bezwaar aan dat de bindend adviseurs het door haar bij Memorie na deskundigenbericht overgelegde rapport van Stadkwadraat opzij hebben gelegd zonder de deskundigen en Stadkwadraat daarover eerst te bevragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <parablock>
        <para>	Ook dit bezwaar gaat niet op. <?linebreak?>Partijen hebben het bepalen van de procesorde aan de bindend adviseurs overgelaten (zie 4.9.). Het was daarom, in beginsel, aan de bindend adviseurs om te bepalen of zij het nodig vonden om het rapport van Stadkwadraat voor te leggen aan de deskundigen, en Stadkwadraat nader over haar rapport te bevragen. <?linebreak?>De beslissing van de bindend adviseurs om dat niet te doen is verder ook goed te volgen. <?linebreak?>De Gemeente had dit rapport al naar voren kunnen brengen toen zij commentaar mocht leveren op het conceptrapport van de deskundigen. De deskundigen hadden dan meteen daarop een reactie kunnen geven. De Gemeente heeft dus haar kans voorbij laten gaan. <?linebreak?>Overigens hebben de bindend adviseurs het rapport van Stadkwadraat wel bij de beoordeling betrokken. Zij hebben gekeken of dit rapport iets afdoet aan de conclusies van de door hen benoemde deskundigen, en geoordeeld dat dit niet zo is. De Gemeente wordt daarbij niet gevolgd in haar standpunt dat de bindend adviseurs niet deskundig genoeg zouden zijn om dit te kunnen beoordelen. De bindend adviseurs hebben in de vijfde tussenbeslissing aangegeven dat zij niet deskundig genoeg zijn om te beoordelen of de gronden die de Gemeente aan [gedaagden c.s.] heeft aangeboden, zijn aangeboden tegen een marktconforme grondprijs en dat zij zich daarom op dit punt willen laten voorlichten door deskundigen. Dat betekent nog niet dat de bindend adviseurs niet deskundig genoeg zijn om het ene rapport af te zetten tegen het andere rapport, en een beslissing te nemen aan welk rapport zij het meeste waarde hechten.<?linebreak?>In het voorgaande ligt besloten dat de bindend adviseurs ook de deskundige van de Gemeente niet meer hoefden te bevragen. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bezwaar: de bindend adviseurs zijn buiten de vorderingen en stellingen (het geschil) van partijen getreden</emphasis>
          <?linebreak?>4.22.	Dan voert de Gemeente als bezwaar aan dat de bindend adviseurs buiten het aan hen door partijen voorgelegde geschil (de vorderingen en stellingen van partijen) zijn getreden door: <?linebreak?>1.	te oordelen dat de aanbiedingsverplichting inhoudt dat de Gemeente 375 gronden <?linebreak?>              voor woningen, inclusief de 100 woningen in [wijk] , moet aanbieden,<?linebreak?>2.	te oordelen dat de referentieperiode is gestart op 29 september 2005,</para>
        <para>3.	een verdeelsleutel te introduceren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad 1: oordeel van de bindend adviseurs over het aantal aan te bieden woningen</emphasis>
          <?linebreak?>4.23.	De rechtbank is van oordeel dat de bindend adviseurs niet buiten het geschil zijn getreden door hun oordeel inzake het aantal aan te bieden woningen (zie 4.22. onder 1).</para>
        <para>Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>De Gemeente heeft gelijk als zij zegt dat de bindend adviseurs in hun oordeel over het aantal aan te bieden woningen geen van de partijen hebben gevolgd.<?linebreak?>[gedaagden c.s.] was van mening dat er 475 gronden voor woningen inclusief de 100 woningen in [wijk] moesten worden aangeboden. De Gemeente nam het standpunt in dat er 250 woningen inclusief de 100 woningen in [wijk] moesten worden aangeboden. De bindend adviseurs hebben na bewijslevering geoordeeld dat er 375 gronden voor woningen inclusief de 100 woningen in [wijk] moesten worden aangeboden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>De bindend adviseurs zijn daarmee echter niet buiten de vorderingen/stellingen van partijen getreden. </para>
      <paragroup>
        <nr>4.25.1.</nr>
        <para>Het stond de bindend adviseurs allereerst vrij om tot een andere uitleg dan door partijen bepleit te komen. Het ging om uitleg van wat partijen zijn overeengekomen. Het is de civiele rechter op grond van vaste rechtspraak toegestaan om een andere uitleg te geven dan door partijen bepleit. Niet valt in te zien waarom de bindend adviseurs dat dan niet zouden mogen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.25.2.</nr>
        <para>Bovendien zijn de bindend adviseurs ook in redelijkheid tot dit oordeel kunnen komen. Zij hebben dit oordeel gebaseerd op de waardering van het door partijen aangeleverde bewijs. Hierna wordt nog toegelicht dat er, anders dan de Gemeente meent, aan de bewijswaardering geen gebreken kleven. <?linebreak?>Verder hebben de bindend adviseurs bij hun oordeel nog betrokken dat het door de Gemeente aan [gedaagden c.s.] gedane feitelijke aanbod hoger was dan de 250 gronden die volgens de Gemeente moesten worden aangeboden. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.25.3.</nr>
        <para>De vorderingen van [gedaagden c.s.] en de tegenvordering van de Gemeente zijn bovendien  geen “alles of niets” vorderingen, zoals de Gemeente lijkt te veronderstellen. Deze vorderingen kunnen allemaal gedeeltelijk worden toegewezen. Dat is ook precies wat de bindend adviseurs hebben gedaan. Er zijn geen argumenten aangevoerd waarom de bindend adviseurs dat niet zouden mogen doen. Daarbij is van belang dat [gedaagden c.s.] het er vooral om ging dat bepaald zou worden dat de Gemeente schadevergoeding aan haar moest betalen. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Ad 2: oordeel van de bindend adviseurs over het startmoment van de referentieperiode </emphasis>
            <?linebreak?>4.26.	De bindend adviseurs zijn ook niet buiten de vordering van [gedaagden c.s.] getreden door in de eindbeslissing het startmoment van de referentieperiode vast te stellen. Dat moesten zij immers doen voor de beoordeling van de schadevergoedingsvordering van [gedaagden c.s.] en de tegenvordering van de Gemeente. Dat hebben de bindend adviseurs overigens ook in overweging 6 van de eindbeslissing uitgelegd. Het maakt daarom niet uit dat [gedaagden c.s.] geen verklaring voor recht met betrekking tot het startmoment van de referentieperiode heeft gevorderd. <?linebreak?></para>
          <para>
            <emphasis role="underline">Ad 3: het introduceren door de bindend adviseurs van een verdeelsleutel</emphasis>
            <?linebreak?>4.27.	De Gemeente voert verder nog aan  dat de bindend adviseurs buiten de <?linebreak?>vorderingen zijn getreden door in de eindbeslissing een verdeelsleutel te introduceren die niet door partijen is gevorderd. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <para>Ook dat standpunt gaat niet op. </para>
      <para />
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.28.1.</nr>
        <para>De bindend adviseurs hebben ten aanzien van het aanbod van de Gemeente dat bekend staat onder “ [project 1] ” (45 gronden) en “ [project 2] ” (29 gronden) geoordeeld dat eigenlijk zowel de vordering van [gedaagden c.s.] als die van de Gemeente volledig moest worden afgewezen, omdat niet aan de stelplicht was voldaan. De bindend adviseurs hebben dat echter niet gedaan, omdat die vorderingen communicerende vaten zijn. Wat er in conventie afgaat, moet er in reconventie bijkomen en omgekeerd. Daarom hebben de bindend adviseurs besloten om de vordering bij helfte aan elk van partijen toe te wijzen. In het kader van het project “ [project 1] ” zijn er 22,5 gronden toegerekend aan de schadevergoedingsvordering van [gedaagden c.s.] en 22,5 gronden aan de tegenvordering van de Gemeente. In het kader van project “ [project 2] ” zijn er 14,5 gronden toegerekend aan de schadevergoedingsvordering van [gedaagden c.s.] en 14,5 gronden aan de tegenvordering van de Gemeente.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.28.2.</nr>
        <para>De bindend adviseurs moesten het geschil beoordelen als goede mannen naar redelijkheid en billijkheid. Zij hadden daardoor de ruimte om deze verdeelsleutel toe te passen. Daarbij is van belang dat als zij de wederzijdse vorderingen op dit punt hadden afgewezen, het twistpunt tussen partijen op dit onderdeel had voortbestaan. De bindend adviseurs mochten de aan hen verstrekte opdracht opvatten als te zijn gericht op beslechting van de tussen partijen levende geschilpunten, dus ook dit geschilpunt.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bezwaar: aan de bewijswaardering kleven ernstige gebreken</emphasis>
            <?linebreak?>4.29.	De Gemeente voert verder als bezwaar aan dat aan de bewijswaardering ernstige gebreken kleven, omdat:<?linebreak?>1.	de waardering niet deugt, <?linebreak?>2.	bij de waardering de bewijslast is verlegd naar de Gemeente. </para>
          <para>
            <?linebreak?>
            <emphasis role="underline">Ad 1: bewijswaardering deugt niet</emphasis>
            <?linebreak?>4.30.	Vooropgesteld wordt dat het aan de bindend adviseurs is om het bewijs te wegen en te waarderen en dat zij daarbij een grote mate van vrijheid hebben. Het is aan de bindend adviseurs om te bepalen of zij een getuigenverklaring wel of niet geloofwaardig vinden en om te bepalen aan welke verklaring zij meer, minder of geen waarde hechten. <?linebreak?>De bindend adviseurs zullen, gezien hun motiveringsverplichting, wel inzichtelijk moeten maken waarom zij tot de door hen gevolgde bewijswaardering zijn gekomen. Aan die motivering kunnen echter weer niet al te hoge eisen worden gesteld. Dat is als een rechter het bewijs waardeert namelijk ook niet het geval. Niet valt in te zien waarom op de bindend adviseurs een verdergaande motiveringsverplichting rust dan op een rechter.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31.</nr>
      <parablock>
        <para>De Gemeente heeft geen argumenten aangevoerd waarom de bewijswaardering van de bindend adviseurs niet deugt. Anders dan de Gemeente meent, stond het de bindend adviseurs, gelet op het hiervoor in 4.30. genoemde uitgangspunt, vrij om:<?linebreak?>• 	aan de getuigenverklaring van [getuige 1] waarde toe te kennen,<?linebreak?>•	aan de ene getuigenverklaring meer waarde toe te kennen dan aan de andere <?linebreak?>              getuigenverklaring, en</para>
        <para>•	getuige [getuige 2] niet als partijgetuige aan te merken. <?linebreak?>Met betrekking tot dat laatste punt geldt bovendien dat [getuige 2] ook helemaal geen <?linebreak?>partijgetuige was in de zin van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [getuige 2] was immers een getuige van de Gemeente en de bewijslast rustte niet op de Gemeente, maar op [gedaagden c.s.] . Alleen partij [gedaagden c.s.] kon dus als partijgetuige worden aangemerkt en dat hebben de bindend adviseurs ook gedaan.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32.</nr>
      <parablock>
        <para>De bindend adviseurs hebben ook voldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de bewijswaardering zijn gekomen. Zij hebben dat gedaan in de overwegingen 10 tot en met 23 van de vierde tussenbeslissing. Het standpunt van de Gemeente dat dit niet zo is, gaat dus niet op. </para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="underline">Ad 2: verleggen bewijslast naar de Gemeente </emphasis>
          <?linebreak?>4.33.	De Gemeente voert nog aan dat de bindend adviseurs een ernstige procedurefout hebben gemaakt door bij de waardering van het bewijs de bewijslast op de Gemeente te laten rusten in plaats van op [gedaagden c.s.] . Dat is echter niet het geval. De bewijslast is bij [gedaagden c.s.] gelaten. De bindend adviseurs hebben de Gemeente immers toegelaten tot tegenbewijs. Verder is [gedaagden c.s.] door de bindend adviseurs als partijgetuige aangemerkt.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34.</nr>
      <para>Er is niet gebleken dat sprake is van (ernstige) procedurefouten. Er is daarom geen reden om de vierde, vijfde en/of zesde tussenbeslissing en/of de eindbeslissing op die grond te vernietigen. Dit nog daargelaten of er is voldaan aan het nadeelvereiste.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">De inhoud van het bindend advies is niet onaanvaardbaar</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35.</nr>
      <para>Dan moet nog beoordeeld worden of de inhoud van het bindend advies onaanvaardbaar is. Dat is niet het geval. Hierna wordt uitgelegd waarom. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitgangspunt </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="bold">4.36.</emphasis>	Als uitgangspunt geldt dat nagegaan moet worden of de bindend adviseur in redelijkheid tot zijn oordeel is kunnen komen. Bij de beoordeling van die vraag is van belang of de bindend adviseur de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen heeft overtreden. Alleen als dit het geval is dan is er reden voor vernietiging van het bindend advies. Dit is een hoge drempel. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de Gemeente</emphasis>
          <?linebreak?>4.37.	De Gemeente voert aan dat de bindend adviseurs niet in redelijkheid hebben kunnen komen tot hun oordeel over:<?linebreak?>•	het aantal aan te bieden gronden voor woningen, </para>
        <para>•	de startdatum van de referentieperiode,</para>
        <para>•	de spreiding van het aanbod van gronden voor woningen, en</para>
        <para>•	de overige punten.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel over het aantal aan te bieden woningen </emphasis>
          <?linebreak?>4.38.	De Gemeente voert aan dat de bindend adviseurs in redelijkheid niet tot hun oordeel over het aantal aan te bieden woningen hebben kunnen komen, omdat:<?linebreak?>1.	de tekst en de bedoeling van de DV 98 meebrengen dat de Gemeente 250 <?linebreak?>              woningen, inclusief de 100 woningen in [wijk] moest aanbieden,<?linebreak?>2.	sprake is van een inconsistentie tussen de eerste en vierde tussenbeslissing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad 1: tekst en bedoeling DV 98 </emphasis>
          <?linebreak?>4.39.	Het bezwaar van de Gemeente zoals hierboven in 4.38. onder 1. genoemd, gaat niet op. De bindend adviseurs hebben gelet op het tussen partijen gevoerde debat en de tekst van de DV 98 in redelijkheid kunnen oordelen dat de tekst van de DV 98 niet duidelijk was. Partijen gaven ieder een andere uitleg van de DV 98. Bovendien was de onduidelijkheid over de DV 98 juist de aanleiding voor de besprekingen die partijen in 2001 hebben gevoerd. De bindend adviseurs hebben ook in redelijkheid geen gewicht hoeven toe te kennen aan het verslag van de besloten vergadering van de raadscommissies voor het Centraal Stadsgebied en Financiën, Milieu en Cultuur van 2 maart 1998. Het ging om een besloten vergadering en niet is aangevoerd dat [gedaagden c.s.] daarbij aanwezig was. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad 2: inconsistentie tussen de eerste en vierde tussenbeslissing</emphasis>
          <?linebreak?>4.40.	De Gemeente voert verder aan dat sprake is van een inconsistentie met betrekking tot het oordeel dat in de vierde en de eerste tussenbeslissing is gegeven over het aantal aan te bieden woningen. De Gemeente voert ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aan. <?linebreak?>In de vierde tussenbeslissing hebben de bindend adviseurs geoordeeld dat in 2001 een allesomvattende afspraak is gemaakt over de door de Gemeente aan [gedaagden c.s.] aan te bieden gronden voor woningen. Er is toen volgens de bindend adviseurs afgesproken dat er door de Gemeente in totaal 375 gronden voor woningen aan [gedaagden c.s.] moetenworden aangeboden. <?linebreak?>Dit oordeel botst met het in de eerste tussenbeslissing gegeven oordeel dat er in 2001 juist geen bindende afspraken over het aantal te leveren gronden voor woningen zijn gemaakt.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.41.</nr>
      <para>De Gemeente heeft geen gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.42.</nr>
      <para>In overweging 61 van de eerste tussenbeslissing oordelen de bindend adviseurs dat [gedaagden c.s.] ten onrechte stelt dat tussen partijen in 2001 nadere afspraken zijn gemaakt over de interpretatie en uitvoering van de DV 98. De bindend adviseurs zijn tot dit oordeel gekomen, omdat wethouder [A] niet bevoegd was namens de Gemeente een nadere overeenkomst met [gedaagden c.s.] te sluiten. Daarvoor was een Collegebesluit nodig, waarvan niet was gesteld dat dat was genomen. Ook was er volgens de bindend adviseurs geen sprake van aan de Gemeente toe te rekenen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dat dit de reden was volgt uit de overweging 60 van de eerste tussenbeslissing en overweging 10 van de eindbeslissing waarin dit nog eens is herhaald.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.43.</nr>
      <para>Omdat de door [gedaagden c.s.] gestelde nadere afspraak/overeenkomst niet was komen vast te staan, hebben de bindend adviseurs in de eerste tussenbeslissing de eerste vier vorderingen van [gedaagden c.s.] afgewezen. Dit met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht over de einddatum van de referentieperiode, want die vordering was niet gebaseerd op de door [gedaagden c.s.] gestelde nadere afspraak/overeenkomst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.44.</nr>
      <para>De bindend adviseurs zijn daarna begonnen met de beoordeling van de subsidiaire schadevergoedingsvordering van [gedaagden c.s.] (vordering 5). Zij hebben hierover, voor zover van belang in overweging 64 en 65 van de eerste tussenbeslissing het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“ 64. [gedaagden c.s.] heeft aan haar subsidiaire vordering sub 5 ten grondslag gelegd dat een redelijke <?linebreak?>                uitleg van de DV 98 meebrengt dat daarin worden verdisconteerd de uitgangspunten <?linebreak?>                waarover de onderhandelaars op 13 april 2001 overeenstemming bereikten. <?linebreak?>                In dit verband is relevant dat wethouder [A] in 1997 betrokken was bij de <?linebreak?>                onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van de DV 98. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>                In dat licht moet bij de uitleg van de DV 98 inderdaad, zoals [gedaagden c.s.] betoogt – naast de <?linebreak?>                tekst van de DV 98 en de overige omstandigheden van het geval – gewicht worden <?linebreak?>                toegekend aan de interpretatieve afspraken die wethouder [A] in 2001 namens de <?linebreak?>                Gemeente wenste te maken.<?linebreak?></para>
        <para>65.	Daarom zullen ondergetekenden in het hierna volgende de vordering in conventie sub 5 <?linebreak?>                beoordelen – en voor zover thans mogelijk – bepalen hoe de artikelen III.A.1, III.A2 en <?linebreak?>                C.1 van de DV 98 moeten worden uitgelegd, mede in het licht van de genoemde <?linebreak?>                onderhandelingen in de periode februari – april 2001.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.45.</nr>
      <para>Uit de hiervoor geciteerde overwegingen volgt dat de bindend adviseurs vonden dat er bij de redelijke uitleg van de DV 98 waarde moest worden toegekend aan “de interpretatieve afspraken” die wethouder [A] namens de Gemeente in 2001 wilde maken. Er konden dus naar het oordeel van de bindend adviseurs in het kader van de onderhandelingen in 2001 wel nadere afspraken over de interpretatie en uitleg van de DV 98 zijn gemaakt. De Gemeente was alleen niet aan die afspraken gebonden, omdat de daarvoor vereiste goedkeuring van het College ontbrak.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.46.</nr>
      <parablock>
        <para>Dat de bindend adviseurs bij de uitleg van de DV 98 gewicht toekenden aan de “interpretatieve afspraken” die [A] in 2001 wilde maken is ook niet onbegrijpelijk. </para>
        <para>Zij moesten het geschil tussen partijen beoordelen op grond van “de redelijkheid en billijkheid”. Het is vanuit dat toetsingskader begrijpelijk dat er dan gewicht wordt toegekend aan afspraken die tussen de onderhandelaars zijn gemaakt, maar alleen nog niet zijn geformaliseerd. Daarbij speelt dan ook nog mee dat wethouder [A] zowel bij het sluiten van de DV 98 als bij de onderhandelingen in 2001 was betrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.47.</nr>
      <para>In overweging 21 van de vierde tussenbeslissing wordt, voor zover van belang, het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Bindend adviseurs zijn op grond van het door partijen geproduceerde bewijs, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de in 2001 tussen partijen gevoerde onderhandelingen op 13 april 2001 hebben geleid tot een akkoord op alle agendapunten met betrekking tot de aan te bieden woningen en dat onderdeel van het akkoord was dat aan [gedaagden c.s.] 375 woningen zouden worden aangeboden, inclusief de 100 reeds eerder aangeboden woningen in [wijk] .” </para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.48.</nr>
      <para>Deze overweging in de vierde tussenbeslissing bouwt voort op het in de eerste tussenbeslissing gegeven oordeel dat bij de redelijke uitleg van de DV 98 waarde moet worden toegekend aan de interpretatieve afspraken die wethouder [A] namens de Gemeente in 2001 wilde maken. De tussenbeslissingen botsen dus niet. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.49.</nr>
      <para>De tussenbeslissingen zijn ook niet innerlijk tegenstrijdig, omdat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen:<?linebreak?>-	een door het College goedgekeurde afspraak, en <?linebreak?>-	een niet door het College goedgekeurde afspraak.  <?linebreak?></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel in de eindbeslissing over de startdatum van de referentieperiode </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.50.</nr>
      <parablock>
        <para>De Gemeente stelt zich verder nog op het standpunt dat het oordeel dat de bindend adviseurs in de eindbeslissing geven over de startdatum van de referentieperiode inconsistent en onnavolgbaar is. De bindend adviseurs hebben namelijk in de eerste tussenbeslissing geoordeeld dat in 2001 geen nadere afspraken zijn gemaakt en dat deze afspraken in 2005 onder de O&amp;R 2005 dus ook niet konden worden herbevestigd of verlengd. In de tweede tussenbeslissing hebben zij nog overwogen dat de vraag of in 2005 nieuwe afspraken gemaakt zijn niet voorlag. Het oordeel in de eindbeslissing dat partijen in 2005 hebben afgesproken om een nieuwe aanbiedingstermijn te laten ingaan op </para>
        <para>29 september 2005 is innerlijk tegenstrijdig met voormelde tussenbeslissingen volgens de Gemeente. Daarnaast vindt de Gemeente de motivering onnavolgbaar, omdat die niet in lijn is met de eerdere tussenbeslissingen en niet volgt uit de bewijsmiddelen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.51.</nr>
      <para>Ook dit standpunt van de Gemeente slaagt niet. De Gemeente miskent namelijk dat (tussen partijen vaststaat dat) de O&amp;R 2005 op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen: aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die namens de Gemeente optrad, kleefde geen gebrek. Die overeenkomst houdt deels een herformulering in van de rechten en plichten die partijen in de DV 98 zijn overeengekomen en deels (zie artikel 7.1 van de O&amp;R 2005) een herbevestiging van die rechten en plichten. In artikel 7.1 is de hier relevante referentietermijn gesteld op 10 jaar na het ondertekenen van de O&amp;R 2005. De bindend adviseurs hebben in hun eindbeslissing gemotiveerd beslist dat die termijn ook zo door partijen is bedoeld en daarom aldus tussen hen is gaan gelden. Wat in de eerste en tweede tussenbeslissing is beslist, ziet op de vraag of er in 2001 tussen partijen (nadere) afspraken zijn gemaakt en of díe afspraken in 2005 door hen zijn geprolongeerd. Dat is een heel andere kwestie dan de vraag wat partijen in 2005 zijn overeengekomen in het licht van de DV 98. Van de door de Gemeente gestelde innerlijke tegenstrijdigheid en onnavolgbaarheid is daarom geen sprake. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De spreiding van het aanbod van gronden voor woningen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.52.</nr>
      <para>De Gemeente heeft aangevoerd dat de bindend adviseurs ten onrechte hebben beslist dat de Gemeente de gronden voor de woningen moest aanbieden met gemiddeld ongeveer 50 per jaar. Volgens de Gemeente is de motivering van de bindend adviseurs op dit punt innerlijk tegenstrijdig namelijk in strijd met de beslissing dat met de O&amp;R 2005 een nieuwe termijn van 10 jaar is gaan lopen. De Gemeente stelt dat hieruit volgt dat eventuele eerdere afspraken over gespreide aanbieding niet meer gelden. Dat is immers niet expliciet bevestigd in de O&amp;R 2005. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.53.</nr>
      <para>Dit is onjuist. Zoals hiervoor is overwogen mochten de bindend adviseurs gewicht toekennen aan de interpretatieve afspraken die in 2001 zijn gemaakt, ook al zijn deze afspraken niet geformaliseerd. In 2001 is uitgebreid besproken dat de Gemeente de gronden zou aanbieden voor gemiddeld ongeveer 50 woningen per jaar. De redenering van de Gemeente dat de bindend adviseurs hadden moeten bepalen dat een gespreide aanbieding en ook een gespreide aanbieding van gronden voor ongeveer 50 woningen per jaar niet meer tussen partijen gold, is dus onjuist. Er is ook geen tegenstrijdigheid tussen de beslissing dat per datum O&amp;R 2005 een nieuwe termijn van 10 jaar ging lopen en de beslissing dat de Gemeente in die 10 jaar de gronden gespreid moest aanbieden aan [gedaagden c.s.] . Het ligt voor de hand dat die afspraak nog steeds gold, omdat het belang van [gedaagden c.s.] bij gespreide aanbieding van de gronden er nog onverminderd was. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat belang was ook al benoemd in de DV 98. De bindend adviseurs hebben ten slotte uitgebreid en dus voldoende gemotiveerd waarom ze zijn uitgekomen op gronden voor circa 50 woningen per jaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overige punten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.54.</nr>
      <para>De Gemeente heeft nog een aantal andere punten aangevoerd dat met name ziet op de concrete aanbiedingen van gronden voor woningen door de Gemeente aan [gedaagden c.s.] . De vraag was daarbij steeds of die aanbiedingen kwalificeerden als een aanbod in het kader van de verplichting die de Gemeente had ten opzichte van [gedaagden c.s.] ; de verplichting zoals die door de bindend adviseurs is vastgesteld. Het gaat hier om geschilpunten met een hoog feitelijk gehalte. De bindend adviseurs hebben op al de punten die de Gemeente aan de orde stelt, gemotiveerde beslissingen genomen mede op basis van het rapport van deskundigen. Gezien het toetsingskader van de rechtbank (Hebben de bindend adviseurs de grenzen overschreden waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen?) is er geen reden om de punten van de Gemeente hier meer in detail te bespreken. De bindend adviseurs mochten op deze punten beslissen zoals ze dat hebben gedaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Eindconclusie</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.55.</nr>
      <parablock>
        <para>De eindconclusie is dat partijen gebonden zijn aan de beslissingen van de bindend adviseurs. Er is geen reden voor vernietiging van die beslissingen. De vorderingen van de Gemeente worden daarom afgewezen. </para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="bold underline italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.56.</nr>
      <parablock>
        <para>De Gemeente zal in beide zaken als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagden c.s.] worden veroordeeld. <?linebreak?>In alle twee de zaken worden de proceskosten begroot op € 1.793,-, waarvan <?linebreak?>€ 667,- aan griffierecht en € 1.126,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief € 563,-).</para>
        <para>De proceskostenveroordelingen worden zoals door [gedaagden c.s.] gevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.57.</nr>
      <parablock>
        <para>De proceskostenveroordeling houdt ook in dat de Gemeente de nakosten van [gedaagden c.s.] zal moeten betalen, voor zover die nakosten er zullen zijn. Deze nakosten worden hierbij alvast begroot op: <?linebreak?>-	€ 163,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan <?linebreak?>              dit vonnis is voldaan, </para>
        <para>en</para>
        <para>-	€ 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als <?linebreak?>              er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van de Gemeente in de zaken met nummer C/16/522465/ HA ZA 21-376 en C/16/530083 / HA ZA 21-738 af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt de Gemeente in de zaak met nummer C/16/522465/ HA ZA 21-376 in  de proceskosten van [gedaagden c.s.] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.793,-</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt de Gemeente in de zaak met nummer in C/16/530083 / HA ZA 21-738 in de proceskosten van [gedaagden c.s.] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.793,-<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de onderdelen 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens, mr. R.A. Steenbergen en mr. N.V.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_37411fa9-d12f-4716-992c-3475742329d4" label="1">
    <para>In de zaak met nummer C/16/522465 wordt de vernietiging gevorderd van de vierde tussenbeslissing en in de zaak met nummer C/16/530083 wordt de vernietiging gevorderd van de vijfde en zesde tussenbeslissing en van de eindbeslissing.<?linebreak?></para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_dac83091-ec8d-420d-a324-3e7d95385414" label="2">
    <para>
      <emphasis role="underline">Artikel III. A1 DV 98 luidt als volgt</emphasis>:</para>
    <para>“ In het kader van de normalisatie van de betrekkingen tussen [gedaagden c.s.] en de Gemeente zal in daartoe geëigende situaties de Gemeente [gedaagden c.s.] uitnodigen ter bespreking van woningbouwprojecten met dien verstande dat:<?linebreak?>* het gaat om een projekt van niet meer dan 100 woningen;<?linebreak?>* in de vrije sektor/goedkope vrije sektor.<?linebreak?> zal in geval van aanbieding tot realisatie van een projekt gerechtigd zijn deze realisatie te accepteren met inachtneming van de globale van toepassing zijnde regelingen zoals door de Gemeente vastgestelde danwel vast te stellen bestemmingsplan en programma van eisen onder de navolgende voorwaarden:<?linebreak?>* toepassing van de inspraakverordening van de Gemeente in het variabele deel van het programma <?linebreak?>   van eisen, zoals deze verordening geldt op dat moment;<?linebreak?>* geen binding aan de verkoopprijzen;</para>
    <para>* marktconforme grondprijzen;</para>
    <para>* architectenkeus in overleg.<?linebreak?></para>
    <para>Het zal de Gemeente vrij staan derden onder dezelfde voorwaarden als met [gedaagden c.s.] besproken, terzake van de realisatie van betreffend projekt te benaderen indien en zodra [gedaagden c.s.] schriftelijk te kennen heeft gegeven niet in de realisatie geïnteresseerd te zijn. [gedaagden c.s.] is gehouden binnen één maand nadat het overleg met de Gemeente is afgerond daaromtrent een schriftelijke verklaring af te geven, bij gebreke waarvan de Gemeente vrij zal zijn. Het overleg zal eerst als afgerond worden beschouwd indien de Gemeente schriftelijk een aanbieding doet met inachtneming van de resultaten van het overleg tussen partijen. </para>
    <para>De Gemeente is gerechtigd indien de besprekingen in het kader van een projekt tussentijds worden beëindigd door [gedaagden c.s.] , om haar moverende redenen het projekt aan derden aan te bieden.”<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="underline">Artikel III. A2 DV 98 luidt als volgt:</emphasis>
    </para>
    <para>“ De Gemeente garandeert [gedaagden c.s.] dat gedurende de looptijd van deze overeenkomst minimaal 250 woningen als bedoeld onder A.1 van dit artikel van deze overeenkomst aan [gedaagden c.s.] zullen worden aangeboden, waarvan 100 woningen liggend in de bestaande stad. Voor wat betreft eerstgenoemde woningen zal [gedaagden c.s.] het recht hebben deze te doen vervangen door projekten binnen de ontwikkelingsgebieden in de gemeente Amersfoort, waaronder [wijk] . <?linebreak?>Vooruitlopend op de ondertekening van deze overeenkomst en in het kader daarvan heeft de Gemeente aan [gedaagden c.s.] aangeboden een woningbouwprojekt van 100 woningen in de vrije sektor in het ontwikkelingsplan [wijk] , welke aanbieding door [gedaagden c.s.] is aanvaard.”<?linebreak?></para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b5de90d-6179-43ad-acb3-c2d3d1981ec6" label="3">
    <para>
      <emphasis role="underline">De precieze vordering van [gedaagden c.s.] luidt als volgt</emphasis>:<?linebreak?>“ [gedaagden c.s.] verzoekt de bindend adviseurs:</para>
    <para>1. te verklaren voor recht dat tussen partijen in 2001 nadere afspraken zijn<?linebreak?>    gemaakt over de interpretatie en uitvoering van de DV 98;</para>
    <para>2. te verklaren voor recht dat artikel IIIA.1, 2 en Cl van de DV 98 moet worden<?linebreak?>    gelezen met inachtneming van de hierover in 2001 gemaakte interpretatie- en<?linebreak?>    uitvoeringsafspraken (‘nadere afspraken’) en dat deze nadere afspraken geldend<?linebreak?>    zijn gebleven en van toepassing zijn onder de O&amp;R 2005 en te verklaren voor<?linebreak?>    recht dat de termijn waarbinnen de Gemeente woningbouwprojecten aan [gedaagden c.s.]<?linebreak?>    conform de DV 98 kon aanbieden onder de O&amp;R 2005 per 29 september 2015 is<?linebreak?>    verstreken;</para>
    <para>3. te bepalen dat artikel lIIA.1, 2 en Cl van de DV 98 onder de O&amp;R 2005 als volgt<?linebreak?>    dient te worden geïnterpreteerd en uitgevoerd op basis van de nadere afspraken:<?linebreak?>    a. 	de 100 woningen in [wijk] zoals genoemd in artikel lIIA.2 DV98 (slot) staan<?linebreak?>             los van de minimaal 250 woningen zoals genoemd in artikel IIIA.2 eerste zin en<?linebreak?>             zij zijn niet inbegrepen in de in artikel III A.2 DV 98 (eerste zin) genoemde<?linebreak?>             ‘minimaal 250 woningen’;</para>
    <para>    b. 	de begrippen ‘minimaal’ en ‘ruim’ zoals genoemd in artikel III van de DV 98<?linebreak?>             dienen aldus te worden gelezen en geïnterpreteerd, dat voor 250 gelezen moet<?linebreak?>             worden:375;</para>
    <para>    c. 	de term ‘Vrije sector en goedkope vrije sector’ zoals genoemd in artikel lll.A.1<?linebreak?>             van de DV 98 dient te worden gelezen als ‘woningen in de luxe Vrije sector’;<?linebreak?>    d. 	tussen de Gemeente en [gedaagden c.s.] is een gespreide aanbieding van<?linebreak?>             woningbouwprojecten afgesproken van gemiddeld 50 woningen per jaar en door<?linebreak?>             de Gemeente is toegezegd dat zij niet pas aan het einde van de (verlengde)<?linebreak?>             looptijd woningen aan [gedaagden c.s.] zal gaan aanbieden;</para>
    <para>4. te bepalen dat de Gemeente nu zij de hierboven onder 1 tot en met 3 bedoelde<?linebreak?>    nadere afspraken betwist en de Gemeente deze nadere afspraken niet uitvoert,<?linebreak?>    toerekenbaar tekort is geschoten en schadeplichtig is geworden ten opzichte van<?linebreak?>    [gedaagden c.s.] en aansprakelijk is voor de schade die [gedaagden c.s.] als gevolg van het<?linebreak?>    wanpresteren heeft geleden, waarbij de omvang van de schade nader zal<?linebreak?>    worden bepaald in de te starten schadestaatprocedure;</para>
    <para>5. Subsidiair, voor zover de vorderingen 1 tot en met 4 niet worden toegewezen, <?linebreak?>    te bepalen dat een redelijke uitleg van de DV 98 en de O&amp;R 2005 met zich<?linebreak?>    meebrengt, dat de uitgangspunten zoals deze tussen partijen zijn besproken in<?linebreak?>    2001, zoals hierboven weergegeven onder 3 van toepassing zijn onder de O&amp;R<?linebreak?>    2005 en te bepalen dat de Gemeente nu zij deze uitgangspunten betwist en zij<?linebreak?>    deze niet uitvoert, toerekenbaar tekort is geschoten en schadeplichtig is<?linebreak?>    geworden ten opzichte van [gedaagden c.s.] en aansprakelijk is voor de schade die<?linebreak?>     als gevolg van het wanpresteren heeft geleden, waarbij de omvang van<?linebreak?>    deze schade nader zal worden bepaald in een schadestaatprocedure;</para>
    <para>6. te bepalen dat de Gemeente gebonden is aan de toezegging van wethouder<?linebreak?>    [A] namens het College om ter zake van [adres] te [woonplaats]<?linebreak?>    over te gaan tot vergoeding van de claim aan [gedaagden c.s.] in geld met betrekking tot<?linebreak?>    het ten onrechte beperken van het bouwvolume op dit perceel en de Gemeente<?linebreak?>    te veroordelen alsnog tot vergoeding van deze schade aan [gedaagden c.s.] over te gaan,<?linebreak?>    waarbij de omvang nader zal worden bepaald in de te starten schadestaatprocedure;</para>
    <para>7. [gedaagden c.s.] toe te laten tot een schadestaatprocedure, waarbij de onderwerpen aan<?linebreak?>    de orde dienen te komen zoals gespecificeerd onder 2.11 en 2.12 van de<?linebreak?>    memorie van eis en [gedaagden c.s.] in de gelegenheid te stellen haar stellingen en<?linebreak?>    vorderingen in de schadestaatprocedure aan te passen en te onderbouwen op<?linebreak?>    basis van de uitspraak die bindend adviseurs doen over het gevorderde <?linebreak?>    1tot en met 6;</para>
    <para>8. De Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure.”<?linebreak?></para>
  </footnote>
  <footnote id="_af7b66e4-47aa-49f3-8b37-a0d21fddc4e6" label="4">
    <para>Ook is een beslissing genomen over de zesde vordering van [gedaagden c.s.] (planschadeclaim). Ten aanzien van die vordering hebben de bindend adviseurs zich onbevoegd verklaard om daarover te oordelen.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>